VN MediagidsDe ouders van klas 2K
Samenleving / integratie / Onderwijs 20.03.2004
Veel kinderen in klas 2K van het Calvijn, een zwarte vmbo-school in Amsterdam-West, hebben moeite met leren. Ze spijbelen, zijn lastig, hebben thuis problemen. Thuis, hoe ziet het er daar uit? VN-redacteur Margalith Kleijwegt ging op bezoek bij de ouders van klas 2K.
‘Mijn zoon houdt nu eenmaal niet van leren.’
In klas 2K is de plaats van Guillermo al een paar weken leeg. Ziek gemeld is hij niet. Niemand heeft een idee wat er met Guillermo aan de hand is. Ook Henk Jongkind niet, de mentor van klas 2K. Het lukt hem maar niet om de ouders van Guillermo te pakken te krijgen.
De ouders van klas 2K, daar ging het mij om. Hen wilde ik spreken. Hoe wonen ze? Spreken ze Nederlands? Wat verwachten ze van hun kinderen? En hebben ze wel greep op hen? Uiteindelijk sprak ik met de ouders van negentien van de drieëntwintig kinderen in klas 2K. Is het waar, wilde ik te weten komen, wat vaak wordt gezegd: dat in veel grote steden de school een deel van de opvoeding over moet nemen van ouders die daar zelf niet aan toekomen?
De school waar klas 2K deel van uitmaakt, heet het Calvijn met Junior College en is gevestigd in Amsterdam-West. Het is een (zwarte) school voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo). Het Calvijn is in veel opzichten vergelijkbaar met het Terra College in Den Haag, waar afgelopen januari conrector Hans van Wieren werd doodgeschoten. Ook hier worden de leerlingen voorbereid op een beroepsopleiding, bijvoorbeeld voor kinderverzorging of tot bankemployee. Velen van hen hebben extra begeleiding nodig. Ze hebben moeite met leren, ze spijbelen, zijn druk in de klas, of ze hebben thuis problemen.
Het lerarenkorps van het Calvijn College is daarop ingesteld. In het team zitten maatschappelijk werksters en functionarissen van jeugdzorg. Er zijn leraren aangesteld als coördinator. Ze komen in actie zodra leerlingen zich misdragen; ze delen de straffen uit en stellen de ouders hiervan op de hoogte.
In de dagen dat ik op de school rondliep, werd een meisje van vijftien door de politie aangehouden. Vlak na de moord op de Haagse conrector had ze een leraar van het Calvijn via internet bedreigd. Ze schreef: ‘I love you Murat. Ik heb hetzelfde probleem. Op een dag ga ik hem doodschieten.’ Inmiddels zit ze op een andere school.
Heel 2K kende het meisje, ze zat in een andere tweede klas. Van haar hadden ze zoiets zeker niet verwacht, ze was juist erg aardig. Sommige leerlingen namen het publiekelijk voor haar op. Wat had ze nou helemaal gedaan? Een leraar zegt dat ze vroeger een makkelijke leerling was. De laatste tijd werd ze steeds lastiger. Sinds het nieuwe jaar weigerde ze hem de hand te schudden. Dat past niet in mijn cultuur, zei ze.
Henk Jongkind gaf vroeger Nederlands aan vwo-leerlingen. Toen doceerde hij over de invloed van Aristoteles op het werk van Vondel. Nu geeft hij les aan het vmbo. Dat is een bewuste keuze. Een meisje dat gepest wordt, een jongen die vast heeft gezeten: Jongkinds betrokkenheid bij de leerlingen gaat heel wat verder dan de zelfstandige en de bijvoeglijke naamwoorden. Zelf is hij daar laconiek over. Zo is dit werk, zegt hij, ook al heeft hij geregeld het gevoel dat wat hij zegt als water langs de rotsen stroomt.
Half januari. Om tien uur ’s ochtends sta ik voor de flat waarin de familie Bircan woont. Een paar dagen eerder heeft de moord in Den Haag plaatsgevonden. Een vrouwenstem spreekt me via de intercom in het Turks toe.
‘Afspraak,’ roep ik terug.
De deur klikt open. Boven aan de trap staat een vriendelijke, verlegen vrouw, een sjaal om haar hoofd, een mobieltje in haar hand. Ze wijst op de telefoon. ‘Man,’ zegt ze een paar keer. Na een paar minuten komt hij binnen, de vader van Mohammed, leerling van 2K. Een kleine man die ouder oogt dan zijn vierendertig jaar. Hij dacht dat onze afspraak op school was. Zijn vrouw gaat meteen naar de keuken om thee te zetten. De televisie staat aan, ze kijken naar een Turkse zender. Als ik over de dood van Hans van Wieren begin, kijkt mevrouw Bircan me niet begrijpend aan. Haar man vertelt dat zijn vrouw het Nederlandse nieuws niet volgt. De gebeurtenis op het Terra College is aan haar voorbijgegaan. De familie Bircan heeft net een nieuwe schotelantenne, maar zónder Nederlandse zenders. Bircan is namelijk van plan om over een paar jaar met zijn vrouw en hun drie kinderen terug te gaan naar Turkije.
Hij heeft een eigen zaak, een eethuisje in het centrum van Amsterdam waar hij van ’s morgens twaalf tot ’s avonds twaalf werkt. Bircan droomt van een strandtent in Turkije. Voordat Mohammed achttien is, wil hij hier weg zijn. ‘Ik ben bang dat hij anders in de problemen komt. Achttien is een moeilijke leeftijd, je weet niet waar die jongens uithangen, je weet niet wat ze doen. Ik deed vroeger zelf alles dat God verboden heeft, ik heb gegokt en gedronken. Toen ik trouwde, ben ik gestopt. Ik kan mijn zoon uit eigen ervaring vertellen dat het niet goed is.’
Een andere reden om terug te willen, is zijn vrouw. Het lukt haar maar niet om hier te aarden: ‘De eerste drie jaar heb ik alleen maar gehuild,’ zegt ze. Ze maakt een zachtaardige indruk. Een paar jaar geleden verhuisden ze van het Mercatorplein naar deze ruime flat, niet ver van Mohammeds school. De inrichting is sober: een bankstel, een verrijdbare lage tafel waar ook aan wordt gegeten. Een stenen beeldje van de koran met een minaret eraan vast staat op de televisie, een deel uit de koran hangt ingelijst aan de muur. Boven hebben ze drie slaapkamers waarvan er maar twee worden gebruikt. Hun middelste dochter van tien vond het eng om alleen te slapen, ze kruipt ’s avonds liever bij haar kleinere zusje in bed.
Mevrouw Bircan vindt het huis veel te stil, ze mist haar Turkse vriendinnen. Het liefst gaat ze terug naar het Mercatorplein, daar is het lekker druk en daar wonen haar vriendinnen. ‘Twee jaar les Nederlands gedaan,’ zegt ze verontschuldigend. ‘Praten is moeilijk, begrijpen een beetje.’ Haar man werkt dag en nacht in zijn eethuisje op de Haarlemmerdijk. De opvoeding komt dus op haar neer. ‘Moeilijk kinderen,’ zegt ze. Mohammed vertelt nooit iets over school, wat er gebeurt, wie zijn vrienden zijn. Hij zégt dat hij zijn huiswerk doet, maar, zegt ze, of dat ook zo is?
Zij: ‘Op school toont hij respect, thuis niet zo.’
Hij: ‘Hij hoeft niet door te leren. Dat heb ik ook niet gedaan.’
Zij: ‘Ik ben een beetje eenzaam hier.’
Een doodgewone ochtend. Achter elkaar lopen, nee stormen de leerlingen van 2K hun lokaal binnen. Mooie Fikriye, stille Gaijtrie, opgefokte Youssef, drukke Hicham – alleen de plaats van Guillermo, die is nog steeds leeg.
‘Boeken open,’ roept Jongkind opgewekt als iedereen eindelijk zit. ‘Wie heeft het antwoord op de vraag van gisteren: wat is een kijkoperatie?’
Stilte.
‘Dwight, zeg jij het maar.’
‘Ik weet het niet, meester.’
‘Wie weet het wel?’
Youssef, Nassir en Solaiman, de lastpakken van de klas, houden hun ogen strak op hun boek gericht. Hun tafels staan tegen die van Jongkind aan, hij wil ze goed in de gaten kunnen houden.
Voor het Calvijn met Junior College is 2K een gemiddelde klas. Het enige bijzondere is dat acht leerlingen vorig jaar nog een hoger vmbo-niveau volgden. Omdat ze dat niet volhielden, moesten ze een stapje terug doen. Voor die leerlingen was de min of meer gedwongen overstap naar het Calvijn niet leuk. Ze hadden, net als hun ouders, gehoopt dat ze het verder zouden schoppen.
In klas 2K zit één Nederlands meisje. Tien leerlingen hebben Marokkaanse ouders, zes zijn van Turkse komaf, drie hebben ouders uit Suriname, Gaijtrie Kalloe heeft een Surinaamse vader en een Keniaanse moeder, Rudi Rapprecht een Surinaamse vader en een moeder uit de Dominicaanse Republiek. Eén jongen heeft Indonesische ouders. Ze wonen allemaal in Amsterdam-West. Alleen Recep Sarikaya niet. Hij woont doordeweeks met tachtig andere jongens op een Turks internaat, Studiecentrum Ekmel, vlak bij de school. In het weekend gaat hij terug naar zijn ouders in Amsterdam-Noord.
De meeste ouders van 2K wonen in een buurt met louter buitenlanders. Contact met Nederlanders hebben ze niet of nauwelijks. Sommigen zeggen dat ze dat jammer vinden. Voor de meesten is het geen punt. Overal waar ik over de vloer kom, staat de televisie aan. Twee keer op de Amsterdamse zender AT5, alle andere keren op een buitenlandse zender. Terwijl ik met de ouders sprak, trokken er Turkse, Marokkaanse of Indiase talentenjachten aan ons voorbij, niet zelden met optredens van namaak Britney Spears’ en Justin Timberlakes. Religieuze programma’s zijn ook populair. Bij één gezin stond een islamitische zender aan, Ikra, handig bij religieuze problemen.
‘Ik vind het zo apart dat u hier bent,’ zegt het zusje van Selim Köse een paar keer tijdens mijn bezoek aan haar ouders. ‘Er komt nooit een Nederlander bij ons thuis.’ Ze heet Fatna en draagt een felgeel vestje met een hoofddoek in bijpassende kleur en daar weer overheen een strak zwart sjaaltje. Ze is speciaal gekomen om te tolken. Selim zelf is naar voetbaltraining, hij speelt bij Turkyemspor. De woonkamer is keurig en klein, de bidkleden liggen opgestapeld naast de televisie. Nog niet zo lang geleden woonden de Köses met hun tienen in dit kleine huis, toen stonden overal stapelbedden. Nu zijn de zes meiden allemaal het huis uit.
De ouders van Selim zijn vriendelijke mensen die, zoals de meeste ouders van klas 2K, zelf nauwelijks scholing hebben. Ze zijn gelovig, bidden vijf keer per dag en hopen en vertrouwen, net als de andere ouders, dat God hun kind de juiste kant op zal leiden. De heer Köse kwam dertig jaar geleden naar Nederland. Hij vertelt hoe teleurgesteld hij was toen bleek dat Selim niet naar het Hervormd Lyceum West kon. Selim zat, net als zijn broers en zussen, op de islamitische basisschool. Zijn klasgenoten waren vrijwel allemaal Turks. Dat vond Köse prima zolang zijn kinderen klein waren. Maar hun middelbare school moest toch meer op hun toekomst hier gericht zijn. ‘Ik dacht dat hij op een Nederlandse school terecht zou komen, maar het Calvijn bleek helemaal zwart.’ Hij schudt mismoedig zijn hoofd. ‘Nederlandse ouders sturen hun kind naar betere scholen en daar worden wij geweigerd. In de toekomst wordt dat alleen nog maar erger.’
‘En nu is het áfgelopen! Spreek me niet de hele tijd tegen!’ Op de gang is de interventie van Henk Jongkind woordelijk te volgen. ‘We zijn hier niet in Marokko. We zijn in Nederland en híér ben ík de baas! Begrepen?’
Een paar leerlingen stribbelen murmelend tegen.
‘Néé, je moet niet het laatste woord willen hebben. Begrepen?’
Even later lopen de leerlingen met rode konen het lokaal uit.
‘Ach,’ zegt Jongkind ontspannen, ‘deze kinderen hebben duidelijkheid nodig. Grenzen stellen, structuur bieden en optreden zodra ze zich onbeschoft gedragen.’
Jongkind weet ook wel dat er in zijn klas leerlingen zitten die thuis van alles verboden wordt, maar de ouders doen dat vooral als een bezweringsformule. Ze zeggen ‘dat mag je niet doen’ omdat je dat nu eenmaal hoort te zeggen. Buitenshuis roken hun kinderen, ze gebruiken drugs, ze provoceren meisjes en ze bedreigen elkaar en anderen.
In 2K werd Recep Sarikaya wekenlang gepest en getreiterd door zijn Marokkaanse klasgenootjes. Recep is klein en zij zijn groot. Recep was alleen, de anderen vormden een groep. Op een dag werd het Recep te veel. Gewapend met messen en gesecondeerd door manlijke familieleden arriveerde hij op school: klaar voor het gevecht. De leraren konden nog net op tijd tussenbeide komen.
‘Ik probeer controle te houden op zijn vrienden,’ zegt de vader van Youssef Oulad-Hmidou, thuis op de bank in zijn djellaba. Hij is een knappe man die al dertig jaar als schoonmaker werkt. Zijn vrouw staat in de keuken heerlijk geurend brood te bakken. Youssef is de jongste van hun zes kinderen, ze wonen allemaal nog thuis. Een dochter vertaalt het weinige dat haar vader zegt. ‘Anders praat hij honderduit,’ zegt ze. Ze begrijpt zijn wantrouwende houding niet. ‘Kinderen zijn moeilijker dan vroeger,’ verzucht haar vader. ‘Ze doen gekke dingen en die vertellen ze niet. Ze stellen ook meer eisen. Soms willen ze schoenen van tweehonderdvijftig euro.’
‘En die krijgen ze ook nog,’ roept zijn dochter lachend. Ze zegt wat ik van meer zusjes hoorde: ‘Jongens worden veel te veel verwend.’
De pijn van haar vader zit vooral bij het gedrag van Youssef. Op de laatste ouderavond hoorde hij dat zijn zoon echt gemeen kan zijn. Hij pest en hij vertelt soms de waarheid niet. Vooral de meisjes en vrouwelijke docenten moeten het ontgelden. ‘Dat vond ik heel erg om te horen, het is niet iets kleins, het is groot,’ zegt hij. En tegen beter weten in: ‘Nu we ervan op de hoogte zijn, is het afgelopen.’ Als ik wegga, staat Youssef met argwanende blik boven aan de trap. Ineens ziet hij er veel ouder uit dan zijn veertien jaar. Zijn achttienjarige zusje doorbreekt de onaangename sfeer: ‘Youssef zit in een klierklas,’ zegt ze. Ze pakt hem bij zijn schouders en schudt hem plagerig heen en weer. ‘Jullie klieren hè, ja, en jij ook!’ Youssefs glimlach is die van een boer met kiespijn.
De vaders van 2K zeggen allemaal dat het opvoeden ze erg zwaar valt. Hun kinderen zijn hen op dertienjarige leeftijd al in veel opzichten voorbijgestreefd. Uit alle macht proberen de ouders hun kinderen bij zich te houden. Via de religie en door te hameren op het belang van de familieband. Bijna alle Turkse en Marokkaanse ouders in klas 2K zijn met een familielid getrouwd. Van hun kinderen verwachten ze hetzelfde. ‘Opvoeden is moeilijk,’ zegt de vader van Iliass Hachimi. ‘Bij ieder telefoontje ben ik bang dat Iliass iets verkeerds heeft gedaan.’ Hij wil graag kwijt dat zijn zoon natuurlijk wel een goeie jongen is. Dat hij een docente obscene verwensingen maakte, valt natuurlijk niet goed te praten. Maar de vader van Iliass is meteen naar school gegaan om haar te verzekeren dat Iliass die woorden niet van hem had geleerd. ‘Dat dacht ze namelijk, en nu niet meer,’ zegt hij opgelucht.
‘We hebben een moeilijke tijd gehad met Solaiman,’ zegt meneer Lachkar, zijn vader. ‘Maar nu gaat alles weer goed.’ Hij zit in het bestuur van de buurtvaders. Trots vertelt hij over zijn lange, arbeidzame leven. ‘Toen ik naar Nederland kwam, kon ik alleen maar ja knikken, in Marokko heb ik alleen de koranschool gedaan. Nu, na dertig jaar werken, is het afgelopen met me, zegt de dokter. Mijn rug is op.’
Solaimans vader praat aan één stuk door, maar het onderwerp Solaiman vermijdt hij liever. Zijn traditioneel geklede vrouw mengt zich niet in het gesprek. Hun huis in een uithoek van Geuzenveld hangt vol glanzende blauwe en gele draperieën. Solaiman kijkt naar een live-uitzending van de hadj, de jaarlijkse bedevaart naar Mekka. Zijn opa en oma van moeders kant zijn er dit jaar ook bij.
De leerlingen van 2K zijn bang voor Solaiman, hij kan heel gemeen zijn, zeggen ze. Het feit dat hij een paar weken vast zat, schroeft zijn status behoorlijk op. Thuis op de bank ziet hij er vooral onschuldig uit.
‘Ik ben bloedserieus,’ zegt zijn vader. ‘Ik wil het allemaal goed doen.’ De verantwoordelijkheid voor het contact met de school heeft hij aan zijn oudste zoon overgedragen. ‘Die belt iedere week met meneer Jongkind. Dan bespreken ze hoe het met Solaiman gaat.’
Henk Jongkind zucht diep als ik hem dit naderhand vertel. De afspraak is er, zeker, maar de oudste zoon heeft nog nooit gebeld.
Elke dag ontvangt Jongkind wel een briefje van een collega over het gedrag van een van zijn pupillen in 2K. De een was brutaal, de ander kwam te laat, een derde had zijn boeken niet bij zich. De vraag is wat hij er mee kán. Ook al drukt hij de ouders op het hart de touwtjes thuis wat aan te trekken, veel effect heeft het niet. ‘Mijn zoon houdt nu eenmaal niet van leren,’ zo vergoelijkte de vader van Mohammed Bircan het spijbelgedrag van zijn zoon. Jongkind belt bij afwezigheid altijd onmiddellijk naar huis. ‘Dank u meester,’ zeggen de ouders meestal. ‘Goed dat u hebt gebeld.’
Jongkind verwacht dat de leerlingen de discipline om op tijd te komen op den duur wél zullen opbrengen. Zeker als ze in het derde jaar stage gaan lopen, kunnen ze het zich niet permitteren om te laat te komen.
‘Ik kon hem niet meer helpen,’ zegt de vader van Recep Sarikaya hulpeloos. ‘En zeker niet met zijn huiswerk.’ Het huis in Amsterdam-Noord ademt een sprookjesachtige sfeer door alle lichte kleuren en dunne stoffen die bij de inrichting zijn gebruikt. Receps moeder staat op het punt te bevallen van haar vierde kind. Hoogzwanger heeft ze de heerlijkste hapjes klaargemaakt. Ze loopt af en aan met thee.
‘Het ging niet meer met Recep,’ zegt zijn vader weer.
Op een dag heeft hij het rigoureuze besluit genomen om zijn zoon naar een internaat in Amsterdam-West te sturen. Recep, vertelt zijn vader, haalt nu steeds betere cijfers. ‘Toen hij doordeweeks thuis was, ging hij spelletjes spelen op de computer of hij keek naar de televisie. Op het internaat moet hij werken, er wordt daar goed op hem gelet. Natuurlijk is het duur voor ons, maar we maken geen extra kosten. We roken en we drinken niet.’ Met nadruk zegt hij: ‘Het moet een schoon leven zijn.’
Receps vader wilde niet dat zijn zoon naar het Islamitisch College ging, de enige middelbare moslimschool in Amsterdam. ‘Nu gaat Recep tenminste ook met Nederlandse kinderen om,’ zegt hij, kennelijk niet wetend dat hij maar één Nederlands klasgenootje heeft. Receps vader maakt zich zorgen over zijn toekomst. Op dit ogenblik heeft hij geen werk. Sinds zijn komst naar Nederland, zeventien jaar geleden, was hij pizzabakker. ‘Ik heb alleen maar gewerkt, gewerkt, en gewerkt.’ De laatste jaren kon hij steeds minder tegen de stress. Zolang hij geen nieuwe baan heeft, brengt hij een groot deel van zijn dagen door in de moskee: ‘Dat kost niets.’ De ouders van Recep Sarikaya zouden wel wat meer aanspraak willen. Ze wonen in een relatief witte buurt en dat is misschien juist het probleem. ‘Wij leven heel geïsoleerd,’ zegt meneer Sarikaya. ‘Zelfs de buren maken nooit een praatje met ons.’
Van alle moeders met kinderen in klas 2K spreekt slechts een enkeling redelijk Nederlands. Zeker zestien moeders kunnen er niet of nauwelijks mee overweg. De meesten hebben weleens een cursus Nederlands geprobeerd. Na een tijdje gaven ze de poging op. Ze míssen het niet, zeggen ze, en ze vragen zich ook niet af of het misschien niet beter voor hun kinderen zou zijn als ze wél Nederlands zouden spreken. De dagen zijn al vol genoeg met het runnen van het huishouden. De Dominicaanse moeder van Rudi Rapprecht kon zich er niet toe zetten om ’s avonds laat ook nog eens naar taalles te gaan. ‘Dan moest ik haar gaan halen,’ herinnert haar Surinaamse man zich. Mevrouw Köse, moeder van acht kinderen, vindt zichzelf er te oud voor. ‘Vroeger had ik het te druk en nu nemen mijn hersenen niets meer op.’ De moeder van Nassir Essalhi is net met goede moed begonnen aan een cursus Nederlands. Twee keer per week, vertaalt Nassir gegeneerd. ‘Moet van de sociale dienst.’
Uit onderzoek door Foquz Etnomarketing onder moeders in heel Amsterdam-West blijkt dat de helft van de Turkse moeders en eenderde van de Marokkaanse moeders er geen idee van heeft wie de mentor van hun kind is. Een fors aantal van de Turkse en Marokkaanse moeders weet niet waar de school van hun kind staat. Tweederde van de Marokkaanse moeders weet niet welk schooltype hun kind volgt. De meeste moeders zeggen betrokken te zijn bij het huiswerk van hun kind. Maar, zeggen de onderzoekers, omdat de moeders de leerstof niet begrijpen, is controle op het huiswerk een onmogelijke opgave. Hun conclusie: ‘De moeders weten eenvoudig niet wat ze moeten controleren.’
Op een natte koude dag fiets ik naar het huis van Hicham El Houfi. In de klas is hij een vrolijke en vooral leergierige jongen. Zijn ouders spreken geen Nederlands, dus hij zal vertalen. Dat is tenminste de afspraak die ik een week eerder met hem maakte. Als ik aanbel, wordt er niet gereageerd. Maar ik hoor wel een jongensstem die iets tegen iemand anders roept. De deur van het trapportaal staat open. Een kleine duw en ik ben binnen. Boven heeft Hicham zich voor de deur geposteerd. Zijn ogen spuwen vuur. ‘U mag niet naar binnen,’ zegt hij met ingehouden agressie. ‘Mijn ouders zijn er niet.’
Maar we hadden toch een afspraak, zeg ik.
Hicham haalt zijn schouders op. Zijn ouders zijn naar Utrecht, op familiebezoek. ‘U gaat toch ook weleens op familiebezoek?’
‘Zijn ze misschien vergeten dat ik zou komen?’ vraag ik.
‘Nee,’ zegt hij. ‘Toen u belde, deed ik net of ik tegen mijn moeder sprak. Maar ze is er helemaal niet, ik ben helemaal alleen.’
Een paar dagen later bel ik nog een keer. Zijn oudere zusje belooft me een afspraak met haar ouders te maken.
Ze heeft nooit meer teruggebeld.
Op het Calvijn doen directie en docenten er alles aan om hun leerlingen een wat bredere kijk op het leven te geven. Extra computerlessen, leuke uitjes na schooltijd. Hun meest recente poging wordt door het bedrijfsleven gesponsored. Coaches, mensen uit het bedrijfsleven, nemen ieder een leerling onder hun hoede. Eens per twee weken spreken coach en leerling met elkaar af. Om huiswerk te maken of om eens iets totaal anders te doen. Een bezoek aan een museum, een concert, alles mag. Zeven kinderen uit 2K doen er aan mee.
Henk Jongkind, die door de ouders op handen wordt gedragen, heeft speciaal voor zijn leerlingen een huiswerkgroep in het leven geroepen. Iedere woensdag blijven een aantal kinderen uit 2K om die reden wat langer op school. ‘Hoe zie je wat een zelfstandig naamwoord is?’ Als er geen antwoord komt, formuleert Jongkind de vraag minder abstract: ‘Het weer is mooi. Wat is nu het zelfstandig naamwoord?’ De leerlingen weten het antwoord, ze werken aandachtig. Na drie kwartier hebben ze alles af, alleen Gaijtrie blijft nog even na. Ze slaapt de laatste tijd slecht, vertelt ze aan Jongkind. ’s Nachts ligt ze vaak wakker en op school valt ze dan natuurlijk bijna in slaap.
Thuis bij de ouders van Gaijtrie. Ze werken hard om hun huis in Osdorp te kunnen betalen. ’s Ochtends gaat meneer Kalloe al om half zeven van huis, hij is voorman van afwassers in Amstelveen. Zijn Keniaanse vrouw maakt schoon in een verpleegtehuis. Als ze om vier uur ’s middags klaar is, gaat ze naar haar volgende baantje. Om zeven uur haalt haar man haar daar op. ‘Anders is ze pas om negen uur thuis.’ Haar ouders, lieve, gastvrije mensen, weten niet goed wat ze met Gaijtrie aanmoeten. ‘Ik kwam om halfzeven thuis van mijn werk en toen lag ze te slapen,’ zegt haar vader. ‘Ze is een beetje down.’
De onmacht straalt van hem af: ‘Ik kan haar niet helpen, ik heb zelf de lagere school niet afgemaakt.’ Zijn vrouw is analfabete. ‘Ik wil haar letters leren,’ zegt haar man. ‘Maar ze zegt dat ze daar geen tijd voor heeft.’ Gaijtrie zit in elkaar gedoken op de bank. Ze plukt aan haar handen en staart naar de grond. ‘De sfeer op school is naar, soms ben ik bang. Ze doen gemeen tegen me. Youssef sloeg me omdat ik van rock houd. Ik word altijd gepest.’ Haar zusje van eenentwintig heeft al veel problemen gehad. Ze maakte haar school niet af, liep van huis weg, ging met de verkeerde vrienden om. ‘Daarom zeg ik tegen Gaijtrie: maak je school af! Zet door!’ Haar vader: ‘Ze heeft iets, hoe heet dat ook weer?’ Het antwoord schiet haar zusje het eerst te binnen: ‘Faalangst.’ ‘Ja,’ beaamt Gaijtrie zachtjes, ‘ik heb faalangst.’
Opvoeden lijkt voor de meeste ouders van 2K eerder het afwenden van onheil dan iets moois om ook van te genieten. Het ontbreekt ze aan vertrouwen in zichzelf, in de wereld en in hun kinderen. Ze hebben genoeg aan hun eigen problemen, hun fysieke klachten, het getob met hun werk of met het gebrek daaraan.
Twee moeders leven gescheiden van hun man. De moeder van Zaïd Dinmohammed werd op haar vijftiende uitgehuwelijkt. Zeventien jaar en vier kinderen verder heeft ze eindelijk het idee dat ze aan zichzelf toekomt. Verdrietig zegt ze: ‘Mijn hele jeugd heb ik aan mijn kinderen gegeven.’
Guillermo Vries heeft zich nu al meer dan vijf weken niet op school vertoond. Hij is thuis als ik bij zijn ouders langsga. Guillermo trekt meteen zijn jas aan als ik binnenkom en roept dat hij weg moet. Hij maakt een gespannen indruk. ‘Waar moet je dan naartoe?’ vraagt zijn moeder. Op de bank in de kleine kamer zit zijn zusje Cindy, op schoot de vijf maanden oude Amarilla, haar dochter. Naast de eettafel hangt de was te drogen. ‘Ik ben erg geschrokken,’ zegt mevrouw Vries rustig. ‘Ik hoorde gisteren van meneer Jongkind dat Guillermo weleens spijbelt. Ik heb er niets van gemerkt. Ik ben ’s ochtends ook vroeg weg.’
Stilte.
‘Je hangt rond bij station Lelylaan!’ zegt zijn moeder opeens beschuldigend. Guillermo schudt zijn hoofd. ‘Wat moet ik daar? Ik loop gewoon buiten. Hier in de buurt.’ Langzaam ontdooit hij. De school bevalt hem niet, zegt hij. Het is er lawaaiig, de leerlingen zijn agressief en hij wordt voortdurend gepest. De Marokkaanse jongens schelden hem in hun eigen taal uit. ‘Ik zeg hem iedere dag: ga nou naar school,’ mengt Cindy zich in het gesprek. ‘Want op alle scholen hier in de buurt is het hetzelfde. Maar hij is doodsbang, echt waar.’
Een paar dagen later is Guillermo, dankzij de inmenging van coördinator Beukers, weer terug op school. Voorlopig is hij in de ‘structuurklas’ gezet, een speciale kleine klas waar hij met extra begeleiding zijn achterstand kan inhalen.
Als Guillermo een week later weer naar 2K mag, moeten Solaiman, Iliass en Youssef voor een week de structuurklas in. Ze hebben zich misdragen. Tegen een leraar die hun niet bevalt, hebben ze geroepen: ‘Wat moet jij hier.’ En: ‘We bepalen zelf wel of we onze mond houden.’ Jongkind belt met de ouders. ‘Natuurlijk meester,’ is hun reactie. ‘Brutaal zijn mag niet.’
De school, denkt mentor Jongkind, kan maar voor een deel compenseren wat kinderen thuis tekort komen. ‘We proberen de leerlingen een gevoel van eigenwaarde te geven. We willen ze houvast bieden. Als ze hun opleiding afmaken, krijgen ze in ieder geval werk en dat is ook een bindmiddel. Hun ouders hebben geen contacten buiten hun eigen kleine kringetje. Onze leerlingen zullen minder geïsoleerd leven, al is het jammer dat zo weinig Nederlandse kinderen bij ons op school zitten. Nee, ik ben niet pessimistisch. Kijk eens hoe snel de ontwikkeling de afgelopen zes jaar is gegaan.’
Even is hij stil. ‘Zo móét ik er natuurlijk ook tegen aankijken. Anders red ik het niet.’
Als ik bij de moeder van Fikriye Binici langsga, moet ik een halfuur buiten wachten, tot haar zusje langskomt en vraagt wat ik daar doe. Fikriye blijkt bij haar oma te zijn. Fikriyes oma, de moeder van haar vader, woont op de begane grond. Rechtop en met een vastberaden blik zit ze op de bank. Ze is vandaag thuisgekomen na een week ziekenhuis. Haar hart. Dat ging te snel, zegt Fikriye. Na drie kwartier stapt haar moeder zuchtend en steunend binnen, ze is zichtbaar uitgeput. Ze komt ook van het ziekenhuis. Een heel gesleep met drie kinderen. Maar dat kon niet anders. Haar jongste en enige zoon heeft astma, net als zij. Hij moest voor controle.
Het kleine kamertje is nu propvol. De jongste dochter valt op een stoel in slaap, haar babybroertje zit bij zijn moeder op schoot. Oma: ‘School móét! Als ik had kunnen leren, had ik niet hoeven schoonmaken. Dan was ik dokter geworden! Ik werkte, mijn man niet. En hij zit nu met een andere vrouw in Turkije.’
Geuzenveld, Bos en Lommer, Slotervaart, het zijn troosteloze buurten waar de ouders van klas 2K wonen en waar hun kinderen groot worden. Sommigen zijn er heel tevreden. En heel veel ouders van 2K hebben een prachtig huis in hun geboorteland. ‘Dan heb je wat om op terug te vallen,’ zegt de vader van Solaiman. De moeder van Ikram wil wel graag weg uit Oud-West, ze droomt van een nieuwbouwhuis in de Aker, iets voorbij Sloten. De ouders van Onur worden gillend gek in hun veel te kleine flatje in Geuzenveld. Onur deelt daar een kamer met zijn zusje, hun ouders slapen in een alkoof. De enige troost is dat Ajax-speler Nigel de Jong bij hem op de trap woont. Meneer Dagarslan zegt: ‘Ik word hier gek op vrijdagmiddag. Boven ons wordt zo hard gebeden dat ik het wel moet horen. Dat wil ik helemaal niet.’ Een keer kwam hij thuis met wat bier. Alle buren gingen zich daarmee bemoeien. Jij bent een moslim! Jij mag niet drinken! Al drie jaar smeekt hij vergeefs om een ander huis in een betere buurt. ‘De regering wil dat we ons aanpassen,’ zegt zijn vrouw. ‘Maar hoe kan dat als ze ons hier laten?’
De ouders van Onur hebben hun zoon zien veranderen sinds hij op het Calvijn zit. Ze zouden hem liever nog vandaag dan morgen van de school af halen. Niet om de leraren en zeker niet om Henk Jongkind. Maar wel om al die agressie en dat gepest. Onurs moeder: ‘Telkens haal ik de film terug, vraag ik me af waar het fout ging. Was het op de lagere school? Hebben ze daar onvoldoende op Onur gelet?’ Zijn vader: ‘Nu doet hij met de verkeerde jongens mee. Hij kan meer, dat moeten we eruit krijgen.’ Zijn moeder: ‘Er zitten alleen maar moeilijke kinderen op die school. Ik zal het u eerlijk zeggen, ik vind dit helemaal niets.’
Veel ouders die ik spreek, zouden hun kind het liefst naar een school laten gaan waar ze wel met Nederlandse kinderen in contact zouden komen. Als alle ouders willen ze het beste voor hun kind. Maar hoe moet je dat doen?
De ouders van Safaa Imjad zijn boos. Ze vinden dat álle kinderen in hun buurt in de steek worden gelaten. ‘Deze buurt is onveilig,’ zegt haar vader. ‘Er zijn hier benden. Ze dragen allemaal een mes. Van de straat leer je alleen slechte dingen, mevrouw. Maar wat wil je? Die jongens hier krijgen geen kans. Ze zitten een paar maanden vast, daarna worden ze weer gedumpt.’ Vader Imjad zegt dat zijn middelste heel slim is. ‘En wat wordt hij? Banketbakker!’
Safaa is ook heel goed op school, zegt hij. Als ze thuis komt, gaat ze gelijk huiswerk maken. Ze wil iets medisch gaan doen, dokter worden. Ze hoort niet op het Calvijn, vinden haar ouders. Daarom gaan ze zo snel mogelijk praten met het Islamitisch College. Ze zijn ervan overtuigd dat hun dochter daar meer kansen krijgt
Ze zijn niet de enigen onder de ouders van 2K. De moeder van Jihad Ben Ayad wilde haar dochter er ook graag naartoe sturen, alleen Jihad wilde zelf niet. De vader van Iliass Hachimi had zijn zinnen ook op het Islamitisch College gezet. ‘Daar wordt volgens de regels van de islam lesgegeven. Ze bidden, wassen, alles gebeurt op tijd. Ze hebben een korte pauze, dus dan kunnen de leerlingen geen verkeerde dingen doen. Je wilt goede mensen op deze aarde zetten. Dat gaat beter via de islamitische school.’
De vader van Iliass vertelt dat zijn oudste dochter niet lang geleden in Marokko is getrouwd. Haar man laat ze pas overkomen als ze een geschikt huis heeft gevonden. Iliass’ vader staat erop dat al zijn kinderen hun toekomstige partner uit Marokko halen. ‘Alleen dan weet je dat alles in orde is.’ Zijn vrouw is nu vijfentwintig jaar hier, maar ze spreekt geen woord Nederlands. Tijdens mijn bezoek zit ze ineengedoken bij het raam, alsof ze er niet bijhoort.
Als ik wegga, klinkt er harde muziek uit het Golfje dat voor de deur staat. Vrienden van een broer van Iliass staan nonchalant tegen de portieren geleund. Mevrouw Hachimi is ondertussen naar de keuken gelopen. Ze drukt haar gezicht tegen de ramen en zwaait naar me, tot ik uit het zicht ben verdwenen.

