VN MediagidsDe buurt van Mohammed B.

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving / integratie / Onderwijs 13.11.2004

Door Margalith Kleijwegt

Onder onze ogen zijn grote delen van Amsterdam-West veranderd in getto’s. VN-redacteur Margalith Kleijwegt schrijft een boek over de ouders in die getto’s en bracht er het afgelopen jaar veel tijd door. ‘Zodra ze zestien zijn, vertellen ze je niet meer wat ze doen.’

Amsterdam-West. Een paar minuten fietsen van het huis van Mohammed B. ‘Ik zou hier niet weg willen,’ zei een moeder een maand geleden tijdens de wekelijkse taalles. Elf Marokkaanse vrouwen in djellaba’s zaten rond een feestelijke tafel vol zelfgemaakte taarten en hartige hapjes. Ze vierden hun verhuizing naar een nieuwe ruimte in Geuzenveld. De meesten wonen hier al jaren en spreken nauwelijks Nederlands. Ze zijn tevreden, de huren zijn te betalen en veel huizen zijn geschikt voor gezinnen met veel kinderen. Nederlanders wonen er nauwelijks, de vrouwen hebben ze allemaal zien vertrekken.

‘Ik heb met niemand contact,’ zegt een van de vrouwen. ‘Ik woon tussen allemaal Turken.’

Allemaal hebben ze kinderen, in de leeftijd van twee tot dertig jaar. ‘Ik heb net een kleinzoon gekregen,’ vertelt een forse vriendelijke vrouw in een strenge, zwarte sluier. Ze heeft ook nog kinderen op de basisschool.

‘Mabrok,’ zegt iedereen. Gefeliciteerd.

Al hun kinderen zitten op een school in de buurt. Fatima moet diep nadenken als haar wordt gevraagd naar welke middelbare school haar zoon gaat. Ze draagt een mooie blauw-paarse lange jurk, haar hoofddoek heeft een bijpassende kleur. Ze weet het niet, zegt ze, verlegen lachend. De andere vrouwen proberen haar te helpen, ‘Is het misschien het ROC? Het Mondriaan College? Het Meridiaan?’ Ze haalt haar schouders op. ‘Echt,’ zegt ze, ‘ik weet het niet.’

Deze moeder is geen uitzondering. Een derde van de Marokkaanse moeders in Amsterdam-West heeft geen idee waar de school van hun kind staat.

Vorig jaar hield Foquz Etnomarketing, op verzoek van het Amsterdams Centrum Buitenlanders, een onderzoek onder deze moeders. Ze wilden weten hoe betrokken de moeders waren bij de school van hun kind. Maar ondanks het feit dat de enquêteurs Turks, Arabisch en Berbers spraken, bleek het moeilijk voldoende vrouwen te spreken te krijgen. De moeders waren heel moeilijk bereikbaar. De telefoonnummers, verstrekt door de school, klopten niet. De telefoon werd nooit opgenomen. De vrouwen wílden niet meewerken. De enquêteurs ondervroegen uiteindelijk een kleine honderd moeders. Wat hen opviel, was dat veel moeders het beantwoorden van de vragen aan hun man overlieten. ‘Hij gaat hier over,’ zeiden ze. Maar het ging bij dit onderzoek juist om de moeders. Die vonden het eng en waren geneigd overal alleen maar ‘ja’ of ‘nee’ op te zeggen, schreven de rapporteurs.

Vaak wisten ze ook niet welke vakken hun kind volgde. De meeste moeders zeiden betrokken te zijn bij het huiswerk van hun kind. Maar omdat de moeders de leerstof niet begrijpen, zeggen de onderzoekers, is controle op het huiswerk een onmogelijke opgave. Hun conclusie: ‘De moeders weten eenvoudig niet wát ze moeten controleren.’

Het is onder onze ogen gebeurd. Grote delen van Amsterdam-West zijn veranderd in getto’s. Troosteloze buurten waar gezinnen zijn afgezonderd van alles wat Nederlands is. En waar niet alle inwoners zo tevreden zijn als de vrouwen op de taalles. ‘Ik zou graag weg willen,’ zegt mevrouw Azaimi. ‘Dit is niet goed voor mijn kinderen.’

Sommige ouders voelen zich veroordeeld tot het getto, achtergesteld omdat hun kinderen op die manier geen kansen krijgen. Want ook de kinderen die niet naar het vmbo gaan, maar naar het havo of het vwo, kunnen in deze buurten alleen maar terecht op een zwarte school.

Meneer en mevrouw Dagarslan zijn kleinbehuisd. Zij werden de afgelopen jaren gillend gek van hun flatje in Geuzenveld. Ze sliepen zelf in een nis van de woonkamer. Hun zoon van vijftien en dochter van tien moesten een kleine slaapkamer delen zodat de oudste apart kon slapen. Een ramp, vonden de ouders, want waar moest de middelste zijn huiswerk maken?

Maar het ergste leden de ouders onder de strenge sociale controle in de buurt. ‘Ik ben moslim,’ zei meneer Dagarslan. ‘Maar wel op mijn manier.’ Er werd veel te veel op hem gelet, vertelde hij. Toen hij een keer met een paar biertjes thuiskwam, gingen zijn buren zich met hem bemoeien. ‘Jij bent een moslim,’ riepen ze. ‘Jij mag niet drinken!’ Op vrijdagmiddag hield hij het binnenshuis niet uit. ‘Boven ons werd zo hard gebeden, dat ik het wel móést horen.’

Drie jaar zochten ze naar een nieuw huis, maar keer op keer kregen ze iets aangeboden in diezelfde zwarte wijk. ’De regering zegt dat we ons moeten aanpassen,’ zei zijn vrouw. ‘Maar hoe kan dat als ze ons hier laten?’

Inmiddels hebben ze een huis buiten de stad gevonden.

Meneer Imjad, vader van vier kinderen, vertelde begin dit jaar hoe boos hij op de overheid is. Hij woont met zijn gezin in een vergelijkbare straat als die waar Mohammed B. opgroeide, niet in Slotervaart, maar in Bos en Lommer. ‘Deze buurt is onveilig, mevrouw,’ zei Imjad. ‘Er zijn hier benden. Ze dragen allemaal een mes. Van de straat leer je alleen maar slechte dingen. Maar wat wil je? Die jongens hier krijgen geen kans,’ zei hij. ‘Mijn zoon kan heel goed leren mevrouw,’ zei hij. ‘En weet u wat hij wordt? Banketbakker!’

Afgelopen maandag. De acht vrouwen die vandaag naar de taalles in Geuzenveld zijn gekomen, vasten. Over twee weken vieren ze met elkaar het suikerfeest. Een van de vrouwen heeft haar kleindochter bij zich, anderen kijken af en toe op hun horloge om te zien of ze hun kinderen al uit school moeten halen. Naast Nederlands leren enkele vrouwen ook Arabisch. Zo kunnen ze de koran beter bestuderen.

Een vrouw legt haar schrift open bij Melk-Morgen-Meer. Maar vandaag wil de juf praten over de gebeurtenissen van de afgelopen week.

Vreselijk vindt iedereen de moord op Theo van Gogh. Om vervolgens meteen in de verdediging te schieten. ‘Het was maar een eenling,’ zegt de een. ‘Een gek,’ zegt de ander. ‘Met de islam heeft het niets te maken.’

Dat Mohammed B. daar zelf anders over dacht, gezien de teksten die hij bij het lichaam van Van Gogh achterliet, maakt geen indruk op de vrouwen. Het lijkt of ze daar niet over wíllen praten. ‘Hij moet zijn straf krijgen,’ zeggen ze. ‘En wij willen er niet op worden aangekeken.’

Theo van Gogh, vinden ze, is eigenlijk het slachtoffer van Ayaan Hirsi Ali. ‘Die film met die vrouw en die koranteksten, dat mag niet,’ zegt een vrouw die zich in het Nederlands kan uitdrukken. En alles zeggen wat je vindt of denkt, vinden ze geen van allen een goed idee. ‘Mag niet beledigen,’ stelt een van de vrouwen kordaat. Daar zijn de anderen het hartgrondig mee eens.

Zijn jullie bang, vraagt hun lerares. Ze wordt bijgestaan door Fatima, een gedreven Marokkaanse, die alles vertaalt. ‘Voelen jullie je nog wel veilig op straat?’

‘Ik ben niet bang,’ zegt een moeder. ‘De enige die ik moet vrezen, is Allah.’ Haar buurvrouw werd afgelopen week uitgescholden op straat. ‘Een man in een auto riep rot-Marokkaan. Hij zei dat ik naar mijn eigen land moest oprotten. Ik stond te trillen op mijn benen,’ zegt ze in het Arabisch. ‘Maar ik heb niets teruggezegd.’

De vrouwen hopen vooral dat hun kinderen niets zal overkomen. De afgelopen week zijn er een paar uitgescholden voor rot-Marokkaan. ‘Geen mes,’ zegt een vrouw bangig. ‘Niet vechten,’ verzucht een ander.

En de oproep dan van wethouder Aboutaleb die vindt dat moeders zich in de strijd moeten gooien? Hij wil dat moeders hun kinderen beter in de gaten houden, opletten of ze niet radicaliseren. Ze wuiven zijn hartenkreet weg. Die radicalisering zien ze niet, zeggen ze. En hoe kan de wethouder van ze verlangen dat ze controle op hun kinderen houden? ‘Zodra ze zestien zijn, vertellen ze je niet meer wat ze doen,’ stellen de moeders vast. Is er in de moskee over de moord gesproken door de imam? De vrouwen kijken verbaasd. Nee. ‘Bidden en weg,’ beschrijft een vrouw haar gang naar het gebedshuis.

Slotervaart, afgelopen vrijdag. Op het fietspad naast de Cornelis Lelylaan staat een wit invalidenkarretje. Een Surinaamse vrouw met een vrolijke gele rozet achter op haar opgestoken haar, hangt snikkend over haar stuur. Ze heet Felicia. ‘Ik kan er niet meer tegen,’ zegt ze boos en verdrietig. ‘Ik heb net de politie gebeld, maar die kunnen ook niets doen. Ik vind het zo erg!’

Wat is er gebeurd?

Een groep van twintig Marokkaanse jongens terroriseert haar iedere dag als ze met haar karretje richting stad probeert te rijden. Ze laten haar stoppen en ze schelden haar uit. Vandaag gingen ze nog een stap verder. ‘De oudsten riepen tegen de jongeren dat ze op mijn auto moesten gaan liggen. Dat deden ze. Maar dat is heel gevaarlijk! Ik had ze wel omver kunnen rijden. Ik vroeg ze op te houden, ik zei dat er anders ongelukken zouden gebeuren. Maar ze luisterden niet en duwden en schopten tegen mijn autootje.’ En toen, snikt ze nog harder, ‘noemden ze me een kankerhoer en zeiden ze nog ergere dingen. Ik riep dat ik niet voor mijn lol in dit autootje zat, maar ook dat hielp niet. Vreselijk. Vreselijk, wat zijn jongens erg geworden. Vroeger werkte ik met dit soort kinderen in een buurthuis, maar nu... Wat is er toch aan de hand?’

De beveiliger van een nabij gelegen school komt erbij staan en luistert naar haar verhaal. Hij nodigt Felicia uit voor een kopje koffie, maar dat wil ze niet. Ze is niet bang, zegt ze. Ze is vooral ontdaan. Trouwens, haar zoon is een kickbokser. ‘Eigenlijk mag ik het niet zeggen,’ zegt hij laconiek, ‘maar neem hem gewoon een keer mee.’

Felicia twijfelt. Dan bedenkt ze dat haar zoon ook aan een wapen kan komen. ‘Dan schiet ik ze allemaal dood!’

De beveiliger schrijft de tijden van de schoolpauzes op een briefje. Zijn advies: ‘Op die tijden kunt u beter een andere route nemen.’

Op straat misdragen de jongens zich en thuis zijn ze poeslief. Het is een bekend patroon in Turkse en Marokkaanse gezinnen. Daarom reageren ouders meestal defensief als de school belt om te zeggen dat hun kind iets heeft uitgespookt. ‘Dat kan niet,’ zeggen ze dan. ‘Zoiets doet mijn zoon niet.’

Er is eigenlijk maar één richtsnoer en dat is de islam. Het is het houvast van alle vader en moeders. ‘Je aan de regels houden’, ‘op het rechte pad blijven’, het zijn de mantra’s in ieder gezin.

‘Opvoeden is lastig,’ zegt een vader. ‘Het is heel moeilijk,’ beaamt een ander, vader van zes kinderen. ‘Je weet nooit wat die jongens doen.’ Als ze nu maar wel bidden, vinden beide vaders. Als ze nu maar wel leven volgens de regels van de islam, dan komt het vast vanzelf goed.

De kinderen die in deze wijken wonen, hebben geen Nederlandse vrienden, sterker nog: ze groeien nauwelijks met Nederlandse kinderen op. Een Turks meisje van achttien jaar vertelt hoe jammer ze dat vindt. ‘Ik ging naar de islamitische basisschool, nu zit ik op het Europa College, daar zitten ook geen Nederlanders op. Eigenlijk ken ik ze nauwelijks, daarom vind ik het ook zo apart om met u te praten.’

De kinderen zien hun ouders met het leven worstelen en daar ergeren ze zich ook aan. Ze vinden het moeilijk dat hun ouders vaak losers zijn die gebrekkig Nederlands spreken, geen baan hebben en buiten de samenleving staan. Maar hun loyaliteit is bijna altijd groter dan hun verlangen om met de wereld van hun ouders te breken. In moslimkring is familie een heilig woord. Vaak streven kinderen hun ouders binnen de kortst mogelijke tijd voorbij, en als ze in verkeerde handen vallen, gaan ze zich wijden aan een pure, radicale islam.

Achmed is zo’n jongen. Hij is tweeëntwintig. Wat hij precies doet, houdt hij graag een beetje duister. ‘Ik ben bezig met allerlei zaken,’ zegt hij. Sinds zijn zeventiende voelt hij zich zeer sterk aangetrokken tot het geloof. Zelfs in de kantine van zijn school zat hij met zijn hoofd in de koran. Het liefst zou hij naar Saoedi-Arabië gaan om zich daar aan zijn geloof te wijden.

We spreken elkaar af en toe. Hij vertelt dat hij bijeenkomsten bezoekt bij mensen thuis of in sportzalen. In Amsterdam, in Rotterdam en in Tilburg. Ergens thuis of in een sportzaaltje valt minder op dan in de moskee – hij weet dat hij door de politie wordt afgeluisterd, gevolgd misschien zelfs. Maar het kan hem niet schelen. De moslims hier worden aangevallen, zegt hij keer op keer. Dus is het zijn plicht en die van zijn broeders om terug te vechten. ?


‘Er gebeurt van alles in die hoofden’
In juli dit jaar waarschuwde de Franse inlichtingendienst voor een islamitische radicalisering van moslims in kansarme wijken. De Direction Centrale des Renseignements Generaux (DCRG) onderzocht zeshonderd ‘gevoelige’ wijken in het hele land. De onderzoekers constateerden dat de secularisering van de islam krachtig doorzet. Maar ze zagen in meer dan driehonderd wijken (1,8 miljoen inwoners) dat er onwil is of gebrek aan mogelijkheden om te integreren.

In tenminste tweehonderd wijken neemt de invloed van radicale imams toe. Steeds meer scholieren zouden volgens het onderzoek weigeren lessen te volgen die zij in strijd met de islam achten, zoals gymnastiek en geschiedenis. Volgens de Franse inlichtingendienst hameren radicale imams erop dat de jongeren slachtoffer zijn van racisme. Zo steekt een fel anti-westers sentiment de kop op.

Sadik Harchaoui, directeur van het onderzoeksinstituut Forum, ziet hetzelfde in Nederland gebeuren. ‘Er gebeurt van alles in die hoofden,’ zei hij in april tegen Vrij Nederland. ‘Ze zijn woedend omdat ze er niet bij mogen horen.’ Samen met terrorisme-expert Frank Buijs schreef hij in het juridisch tijdschrift Proces over de mechanismen die jongeren in de armen van rekruteurs drijven. ‘Wij stuitten op de extreme ontvankelijkheid van jongeren in de middenklasse. Hun vermogen te relativeren is helemaal weg.’