Jeugdzorg

  • De pokkebaan van een programmaminister

    Illustratie: Bas van der Schot Illustratie: Bas van der Schot

    De grote trots van het kabinet-Balkenende waren de twee programmaministers die in 2007 werden aangesteld: Rouvoet voor Jeugd en Gezin, Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie. Samenhang zou er voortaan zijn in het jeugd- en het grotestedenbeleid.

    Tweeëneenhalf jaar lang heb ik hun verrichtingen met welwillendheid gevolgd. In Den Haag werd te veel langs elkaar heen gewerkt. Goed dat daar iets aan gebeurde. Inmiddels heb ik vooral medelijden met Rouvoet en Vogelaars opvolger Eberhard van der Laan. Wat hebben zij een pokkebaan!

    Door Max van Weezel / 16 november 2009 / Reageer (0)
  • Bureau Jeugdzorg, deel 3: 'Gewoon zeggen dat pappa in de gevangenis zit'

    'Ik wil ze zo snel mogelijk zien, straks denken ze dat ik niet om ze geef.' In deze laatste aflevering van een drieluik over Bureau Jeugdzorg: de jeugdbescherming.

    16-05-2009
    Door Margalith Kleijwegt

    Wendy legt haar agenda plechtig voor zich op tafel. Het is een stevig exemplaar met een zwarte leren kaft. Af en toe bladert ze erin en streelt ze bijna liefkozend de pagina’s. Ze heeft het ding altijd bij zich, al haar afspraken met hulpverleners staan erin.

    Drie van hen zitten vanmiddag rond de tafel. Jennifer, begin dertig, is gezinsvoogd van de twee jongste kinderen, Aman en Django. Binnen Bureau Jeugdzorg nieuwe stijl is zij de casemanager. Zij kijkt welke hulp iedereen nodig heeft en controleert eens in de paar weken of alles nog goed gaat.

    Jennifer, vrolijk en direct, is met haar acht jaar ervaring voor Jeugdzorgbegrippen een veteraan. Margriet, die naast haar zit, is van de afdeling pleegzorg van Spirit, de organisatie die de jongetjes begeleidt nu ze niet meer thuis wonen. En dan is er nog een medewerker van de psychiatrische kliniek Dijk en Duin. Zij ondersteunt Wendy. Als het leven haar te veel wordt, kan Wendy, gediagnostiseerd borderliner, zich elke drie maanden een week in Dijk en Duin laten opnemen, een mogelijkheid waar ze graag gebruik van maakt.

    Op tafel staan kannen thee en koffie. Wendy, gekleed in een pied de poule-jasje, de zoom van de mouw zit los, schenkt zichzelf voortdurend in. Is het dorst? Of houdt ze haar zenuwen op deze manier beter in bedwang?

    De moeder van Aman en Django is verdrietig over haar leven, zegt ze met een wat lijzige stem. ‘Wat ik heb meegemaakt, doet zoveel pijn.’ Een moeilijke jeugd, twee kapotgelopen relaties, drie kinderen die bij haar werden weggehaald. ‘Echt, ik heb veel verdriet.’

    Als Jennifer en Margriet begripvol hebben gereageerd, wil Wendy weten hoe het gesprek die ochtend is verlopen. Haar ex, Jerry, ‘ik heb zoveel liefde voor die man gevoeld’, had een afspraak met beide dames. ‘Goed,’ zegt Jennifer, ‘het ging prima.’

    Om tien over negen die ochtend was Jerry de spreekkamer van Bureau Jeugdzorg binnengestapt, een beetje verlegen leek het wel. Hij legde zijn zonnebril op tafel en zei tegen Margriet: ‘Dus jij ziet mijn kinderen vaak.’

    Margriet antwoordde licht blozend: ‘Ja, dat is zo. Goed dat ik jou nu ook eens zie.’
    Ze vertelde over de band die ze met zijn zoontjes heeft opgebouwd: ‘Het zijn echt schatjes.’
    Via zijn ex had Jerry gehoord dat de pleegmoeder van Aman en Django fysieke confrontaties met een van haar eigen kinderen heeft gehad. Wat moest hij daarvan denken? ‘Je kinderen zijn daar veilig Jerry,’ zei Jennifer, ‘We hebben de zaak grondig uitgezocht.’

    Jerry liet zich gemakkelijk geruststellen, bovendien beloofde Jennifer dat hij een brief van haar manager zal krijgen waarin haar woorden nog eens bevestigd zouden worden.

    Anderhalf jaar geleden werd Jerry door de politie opgepakt omdat hij zijn vrouw ernstig had mishandeld. De kinderen, nu zeven en vijf, waren getuige van het geweld. Jerry ontkent de aanklacht, zijn hoger beroep dient binnenkort. Voorlopig moet Jerry nog tot juli 2010 zitten, maar af en toe mag hij met verlof. Aan het eind van de ochtend moet hij weer naar de gevangenis. Tot nu toe is zijn kinderen verteld dat hij met vakantie is, maar zo langzamerhand is het tijd voor de waarheid.

    Jennifer: ’Ik wil ze gaan vertellen dat je in detentie zit. Hoe pakken we dat aan?’
    Jerry met een verwachtingsvolle blik: ‘Ik wil ze zo snel mogelijk zien, straks denken ze dat ik niet om ze geef.’

    Margriet: ‘Aman vraagt veel naar je.’

    Jerry, met een trotse glimlach: ‘Hij is al zeven, natuurlijk denkt hij hierover na.’
    Margriet: ‘Ik heb de situatie met onze orthopedagoog besproken, die zei dat we het beste kort en duidelijk kunnen zijn. Gewoon zeggen dat pappa in de gevangenis zit. En als Aman vraagt waarom, zeggen we dat je iemand pijn hebt gedaan.’

    Het is in deze spreekkamer die ook dienst doet als speelkamer, dat Jerry zijn kinderen over een paar weken zal ontmoeten. Jennifer wil dat hij zich goed voorbereidt op het weerzien, hij moet bedenken hoe hij die drie kwartier met ze zal doorbrengen. Een spelletje misschien? Voorlezen? Jerry belooft erover na te zullen denken.

    Het gaat redelijk goed met de jongens, vertelt Jennifer, op hun nieuwe school zijn ze inmiddels helemaal gewend. De twee voelen zich op elkaar aangewezen en daarom hangen ze aan elkaar. Django slaapt in bed bij zijn oudere broer, als hij alleen ligt, raakt hij in paniek.
    Jerry: ‘Ik begreep dat Aman misschien een lichte vorm van autisme heeft.’
    Jennifer: ‘Hij heeft soms last van dwanghandelingen, we houden het in de gaten, als het niet beter wordt, kunnen we dat gaan onderzoeken.’

    Tegen de afspraak in hebben Jerry en Wendy in de afgelopen week contact met elkaar gehad. Jennifer wil weten waarom. Jerry legt uit dat Wendy hem belde om over de toestanden in het pleeggezin te praten. Jennifer vergeeft het hem, maar hij moet beloven geen contact meer met haar te zoeken. Bureau Jeugdzorg, zegt ze, zal beide ouders een brief sturen om deze afspraak nog eens te bevestigen.

    Werken met weerstand
    Het kantoor van Bureau Jeugdzorg in Zaandam staat vlak bij het station. Naast de ingang is het rookplekje waar altijd dezelfde mensen staan. Binnen is de sfeer geanimeerd, er is veel onderling overleg en als je je even wilt terugtrekken, is er een stilteruimte die op afgesproken uren dient als kolfruimte voor de jonge moeders.

    De jeugdbescherming is misschien wel de duidelijkste afdeling binnen Bureau Jeugdzorg. De gezinsvoogden van jeugdbescherming voeren een door de rechter opgelegde maatregel uit. In Amsterdam en omstreken stonden vorig jaar zo’n 2400 jongeren onder toezicht, tweehonderd meer dan in 2007. Landelijk stonden toen 43.590 kinderen onder toezicht, dat was een stijging van 11,8 procent ten opzichte van 2006.

    Bij een ondertoezichtstelling (ots) bemoeit een gezinsvoogd zich in opdracht van de rechter met de opvoeding van kinderen die in een kwetsbare positie verkeren. Meestal staan ouders niet te springen om deze bemoeienis. ‘Wij werken met weerstand,’ zegt Jennifer monter. Als kinderen niet thuis kunnen blijven wonen, gaan ze naar een pleeggezin of een gesloten tehuis. De plaatsen liggen niet voor het oprapen, sterker nog, er bestaan overal wachtlijsten.

    De gezinsvoogd is de casemanager, de schakel/regisseur tussen ouders, kind en hulp. Soms kunnen kinderen die onder toezicht zijn gesteld thuis blijven wonen en krijgen ze als het nodig is daar extra hulp. Zoals Carola, die onder toezicht werd gesteld toen haar moeder haar vader had neergestoken. Ze woont nu bij haar vader en haar voogd regelde begeleiding door hulpaanbieder Altra. Die wil eigenlijk dat ze met een psycholoog gaat praten, maar daar heeft Carola geen behoefte aan. Het gaat goed zo bij haar vader.

    Dat er steeds nieuwe hulp wordt aangeboden, zie je wel vaker. Hulpverlening is big business. De hulpaanbieders willen zoveel mogelijk onderzoeken en therapieën slijten, en het idee was dat Bureau Jeugdzorg als onafhankelijke verwijzer de wildgroei zou tegenhouden. Dat lijkt niet helemaal te zijn gelukt.

    Zo verdrietig
    In het gezin van Wendy en haar ex Jerry gaat veel tijd zitten: de kinderen, de pleegouders, de moeder en de vader worden begeleid. En alles moet op elkaar worden afgestemd en opgeschreven. In het leven van Jerry zijn drie hulpverleners: Margriet, Jennifer en de reclasseringsambtenaar in de gevangenis. En dat is nog niets vergeleken bij het aantal hulpverleners dat bij zijn ex-vrouw is betrokken. Naast Jennifer is er verder nóg een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg. Zij is ook casemanager, maar dan van Timothy, de oudste zoon van Wendy uit een eerdere relatie, die nu bij zijn opa en oma woont in de buurt van Amsterdam. Omdat Spirit regionaal werkt, is niet Margriet, maar een andere maatschappelijk werkster voor Timothy en zijn moeder actief. Naast de mensen van Dijk en Duin die Wendy hulp bieden, begint binnenkort de psychiatrische intensieve thuiszorg (PIT), die elke week een aantal uren bij haar zal langskomen.

    Voor een buitenstaander lijkt het nogal gecompliceerd, en het is maar goed dat Wendy een speciale hulpverleningsagenda heeft, maar volgens gezinsvoogd Jennifer is het in dit geval eigenlijk redelijk goed geregeld. Hoogleraar en orthopedagoog Jo Hermanns ziet dat anders. Hij pleit voor de zogenaamde wrap-around care. Eén hulpverlener zou de leiding moeten nemen bij een gezin als dat van Wendy en Jerry en dat zou in dit geval heel goed Jennifer kunnen zijn. ‘Zij moet met vader en moeder een plan kunnen maken en de mensen erbij zoeken. Natuurlijk kost dat veel tijd, die zou haar ook moeten worden gegund. Zo wordt het allemaal wat eenvoudiger en duidelijker. Dat het werkt, blijkt uit experimenten waarbij gezinsvoogden maar vier families onder hun hoede kregen. De ondertoezichtstelling duurde korter en het kostte minder geld.’

    Die middag vertelt Wendy tijdens een bijeenkomst bij bureau Spirit hoe ze uitkijkt naar het driewekelijkse bezoek van haar kinderen. Morgen is het zover, Jennifer zal ze samen met een van de pleegouders komen brengen: ‘Het enige sprankje hoop in mijn leven is dat ik morgen de kinderen weer zal zien. Dat ik de moeder voor ze kan zijn die ik graag voor ze wil zijn. Daar verlang ik naar.’

    Jennifer vertelt dat Aman het vorige bezoek moeilijk had gevonden omdat zijn moeder zo verdrietig was geweest, ze had alsmaar zitten huilen. Ze knikt: ‘Ik was zo verdrietig. Ik mis ze zo.’
    Sinds kort mogen Aman en Django tijdens hun bezoekjes aan hun moeder alleen bij Wendy thuis zijn. De eerste keer kwam Jennifer onverwacht langs om te kijken of alles goed ging. De veiligheid van de kinderen gaat boven alles.

    Golf van angst
    Er is de periode vóór Savanna en de periode ná Savanna. De dood van de peuter, die in 2004 door haar moeder en stiefvader om het leven werd gebracht, heeft erin gehakt bij de jeugdbeschermers. Niet alleen de gruwelijke mishandeling van het meisje, maar ook het besef dat ze al jarenlang onder toezicht stond van Bureau Jeugdzorg, gaf een grote schok. Hoe had zoiets kunnen gebeuren? Wat had de gezinsvoogd over het hoofd gezien? ‘Er ging een golf van angst door de kantoren,’ weet werkbegeleidster Mirjam Laan nog.

    Daaroverheen kwam alle media-aandacht en het besluit van de officier van justitie om de gezinsvoogd te vervolgen. Die was volgens justitie nalatig geweest: ze had moeten ingrijpen toen ze zag dat het meisje met blauwe plekken in haar gezicht rondliep. De smoesjes die de moeder van Savanna haar vertelde, namelijk dat ze zou zijn gevallen, had ze meer moeten wantrouwen.
    De gezinsvoogd van Savanna stond er te veel alleen voor, zeggen haar collega’s in Zaandam nu. Haar werkbegeleider zou haar onvoldoende terzijde hebben gestaan bij het nemen van beslissingen. Erik Miltenburg, sinds een paar maanden de manager in Zaandam, benadrukt hoe belangrijk het is om in gecompliceerde zaken één verantwoordelijke aan te wijzen. ‘Dat iedereen zich betrokken voelt, is niet genoeg, er moet iemand zijn die zorgt dat er actie komt.’

    Het werken met kwetsbare gezinnen is een voortdurende afweging van risico’s en er kunnen ook dingen fout gaan, weet werkbegeleidster Mirjam Laan. Zij neemt regelmatig de zaken met de gezinsvoogden door. Ze zien haar als een steun: ‘Een tijdje geleden kwam in het nieuws dat ouders in Purmerend hun twee kinderen hadden gedood. Ik hoorde het in het weekend en zat me thuis te verbijten. Ik vroeg me voortdurend af of we dat gezin misschien zouden kennen. Ik was opgelucht toen bleek dat dat niet het geval was. Raar eigenlijk, want het blijft natuurlijk een drama.’

    Sinds de affaire-Savanna volgt de inspectie Bureau Jeugdzorg op de voet. ‘Ik vind het goed dat ze zo actief zijn,’ zegt Laan. ‘Voor Savanna toetsten ze nauwelijks.’ Ze vraagt zich alleen af of wát ze nu toetsen wel het allerbelangrijkste is. ‘Ze komen kijken of de checklists veiligheid wel allemaal goed zijn ingevuld.’ En het merkwaardige met die lijsten is dat je ze kunt invullen zonder het kind in kwestie ooit gezien te hebben.

    Na de zaak-Savanna werden er meer klachten ingediend door boze ouders die het niet eens waren met de gang van zaken. Bureau Jeugdzorg was voortdurend negatief in het nieuws. ‘We voelden ons vogelvrij,’ herinnert Laan zich. ‘In die tijd klampten we ons vast aan dat woord veiligheid.’ Ze vonden het moeilijk om nog ontspannen hun werk te doen. Die kramp heeft in Zaandam een paar jaar geduurd. Nu is het minder, vindt Laan, al blijft veiligheid hét woord op de burelen van jeugdzorg. Het aantal jeugdbeschermingszaken in Zaandam neemt enorm toe: ‘Ik heb ook de tijd meegemaakt dat we bijna om werk verlegen zaten, dat we naar de brievenbus gingen om te kijken of er misschien een nieuwe zaak bijzat.’

    ‘Leefden we maar in de jaren twintig,’ mijmert Laan, ‘Met de hele familie eromheen. Natuurlijk was dat niet alleen een idylle, maar als het misging in een gezin, konden de kinderen meestal wel ergens worden opgevangen.’

    Getrainde intuïtie
    Eigenlijk heeft iedereen een hekel aan die enorme bureaucratisering. Niemand zit te wachten op nog meer formulieren en protocollen. ‘In wezen is het tamelijk eenvoudig, het gaat om mensen die hulp nodig hebben,’ zegt Laan.

    ‘Je hebt alleen wat aan een protocol als je het als een handleiding kunt gebruiken,’ meent hoogleraar sociologie Evelien Tonkens. Ze geeft een praktisch voorbeeld: ‘Als je een ei wilt bakken, pak je eerst een pan.’ In de tijd dat ze voor GroenLinks in de Tweede Kamer zat, hield ze zich intensief bezig met jeugdzorg. Wat haar betreft, had er een parlementaire enquête mogen komen. ‘Zo’n groot ingewikkeld instituut is een managersfantasie. De fantasie dat je iedereen naar één loket kunt sturen, suggereert helderheid, maar erachter ligt de woestijn. Ik pleit voor het model van de huisarts, één iemand die je bij je problemen helpt. Persoonlijke contacten zijn veel belangrijker dan doorverwijzingen en indicaties, want alleen als je iemand voor je neus ziet staan, kun je taxeren wat er aan de hand is. Getrainde intuïtie is zo belangrijk.’

    De snelle wisseling van personeel is een probleem voor Bureau Jeugdzorg, ook in Zaandam kampen ze met vertrekkende jeugdbeschermers. In april namen drie mensen afscheid en in mei gaan er alweer twee weg. De tachtig zaken die ze achterlaten, moeten aan de achterblijvende collega’s worden uitgedeeld, met als gevolg dat die geen nieuwe zaken kunnen aannemen. Zo kan de wachtlijst gestaag groeien.

    In de week dat ik in Zaandam rondliep, begonnen er twee nieuwe werknemers, jong en vrouw, net afgestudeerd. Joleen van vijfentwintig, cultureel antropologe, was helemaal nieuw in de Jeugdzorgbranche. Ze ging bij Mirjam Laan te rade ter voorbereiding op haar eerste gesprek met een moeder. Ze kende het dossier nauwelijks en wist niet wat ze wel en niet kon zeggen. Zou die moeder niet over meer juridische kennis beschikken dan zijzelf?

    Manager Erik Miltenburg constateert tot zijn spijt dat Jeugdzorg door veel mensen als een tussenstation wordt gebruikt: ‘Maar wij zijn gelukkig beter af dan een aantal andere regio’s. Wij hebben nog een aantal ervaren krachten die de nieuwkomers kunnen ondersteunen, bij sommige andere teams zie je dat nauwelijks meer.’

    Bestuursvoorzitter Erik Gerritsen is bezorgd over de leeftijdsopbouw binnen zijn organisatie. Medewerkers zijn óf heel jong, óf van middelbare leeftijd: ‘Dat zijn de oude rotten die alle reorganisaties hebben overleefd. Maar het verloop gaat nog steeds door en de oudjes moeten de jonkies inwerken, dat wordt moeilijker naarmate het aantal jonge medewerkers toeneemt. Die voelen zich onvoldoende ondersteund en na een paar jaar vertrekken ze weer.’

    De dertigers en veertigers zijn belangrijk. Corinne is eind veertig en ruilde haar baan in de ouderenzorg in voor Bureau Jeugdzorg. Ze heeft daar geen seconde spijt van gehad. Martine, begin dertig, komt uit de managementshoek. Ze gebruikt de lessen uit die wereld voor haar huidige werk, vertelt ze. ‘Ik verkoop mijn cliënten aan de hulpverlening, ik prijs ze zo aan, dat anderen graag met ze willen werken.’

    Schop onder je kont
    Soms willen cliënten helemaal geen hulpverlening en blijkt het contact met de gezinsvoogd precies goed te zijn. In het geval van Jos bijvoorbeeld. Hij is zestien en had grote problemen met zijn stiefmoeder. De spanningen leidden tot gewelddadige confrontaties met zijn vader, maar sinds de boze stiefmoeder is vertrokken, is het allemaal een stuk rustiger in huis. Jos doet dit jaar eindexamen vmbo-t, de vroegere mavo, en heeft geen enkele behoefte aan extra hulp. Eens in de paar weken ziet hij Martine. Meer heeft hij niet nodig, vindt hij zelf.

    We rijden in de richting van Koog aan de Zaan. Vanmiddag heeft Martine met Jos op zijn school afgesproken. Het gaat niet zo goed op school, heeft ze via zijn mentor te horen gekregen. Jos, blond haar, niet al te groot, staat haar op te wachten. Hij vindt het leuk om haar te zien. Hij heeft net een één voor Engels gehaald: ‘Dit jaar wil het niet zo lukken.’ Martine vraagt of hij zijn examen denkt te gaan halen. Jos is reëel, hij beseft dat de kans klein is. Hij heeft zich voorbereid op dit naderend onheil en zich ingeschreven op de mbo-opleiding op een niveau waar hij ook zonder vmbo-diploma naartoe kan. ‘Daar kan ik één dag in de week naar school en vier dagen werken, echt iets voor mij.’

    Martine knikt tevreden: ‘Ik was eigenlijk gekomen om je een schop onder je kont te geven,’ zegt ze.

    Jos lacht, gaat met zijn rug naar haar toestaan. ‘Doe maar.’

    Het gaat wel goed met Jos, vindt Martine. Ze staat hem met raad en daad terzijde en vindt het een goeie zaak dat hij zelf het initiatief heeft genomen om zich bij een opleiding in te schrijven. Is haar ondersteuning dan geen hulpverlening? Jos kan bij haar terecht als hij dat nodig vindt, is dat dan niet genoeg? Zo is de hulp toch veel directer dan er weer allerlei andere partijen bijslepen? De rechter heeft bepaald dat Jos als reactie op de vechtpartijen thuis nog wel een dure agressietraining moet volgen. Hij heeft totaal geen zin in die sessies en met het excuus van school heeft hij het tot nu toe kunnen uitstellen. Maar deze zomer zal hij eraan moeten geloven. Martine begrijpt dat hij geen zin heeft: ‘Het zal toch moeten, jongen.’

    Wennen aan de ruimte
    Jennifer lijkt alle procedures aan haar laars te lappen. Als een wervelwind stormt ze het kantoor in en uit, ze lijkt altijd in de weer met ouders, met kinderen, met hulpverleners, en ze treft altijd precies de goede toon, betrokken en duidelijk. De scheiding tussen casemanager en hulpverlener is bij Jennifer flinterdun en daar hebben haar cliënten vast en zeker baat bij.
    Omdat ze achterloopt met haar papierwerk, sluit ze zich af en toe een middag thuis op om haar dossiers bij te werken. Zo zorgt ze ervoor dat het invullen van de protocollen en veiligheidslijsten niet al te veel tijd in beslag neemt.

    De volgende ochtend dendert ze weer binnen. Aman en Django komen straks wennen aan de ruimte waar ze over een paar weken hun vader zullen ontmoeten. Jennifer heeft de kinderen inmiddels verteld dat hun vader in de gevangenis zit en de twee reageerden vooral nieuwsgierig. ‘Ze wilden weten wat ie heeft gedaan en of de politie hem in de handboeien had geslagen. Ze waren ook benieuwd hoe dat is, leven in de gevangenis en of je dan in een bed slaapt of op de grond.’

    Twee spichtige jongetjes komen even later aan de hand van hun pleegvader aarzelend de gang in. Enthousiast begroet Jennifer Aman en Django en neemt ze mee de kamer in waar hun vader een paar dagen eerder zat. ‘Kijk,’ is door de dichte deur te horen: ‘En hier is het speelgoed.’ 

    Dit is het derde en laatste deel van een drie­delige serie over Bureau Jeugdzorg; de eerste aflevering verscheen in Vrij Nederland 17/18. De namen van cliënten en van sommige jeugdbeschermers zijn gefingeerd.

    Door Margalith Kleijwegt / 12 mei 2009 / Reageer (0)
  • Bureau Jeugdzorg, deel 2: 'Er staat een baby op het balkon'

    ‘Rouvoet zegt: bij twijfel bellen, dus dat doe ik maar.’ In deze tweede aflevering van een driedelige serie over Bureau Jeugdzorg: het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling Amsterdam.

    Elke ochtend om tien uur worden bij het Advies- en Meld­punt Kindermishandeling (AMK) de nieuwe gevallen van vermoedelijke kindermishandeling besproken tijdens de zogeheten intakevergadering.

    Mevrouw Treurniet zou haar drie kinderen ernstig verwaarlozen. De meldster is de moeder van een vriendje van een van de kinderen, die graag anoniem wil blijven.

    Zijn er zichtbare sporen van die verwaarlozing, wil de vertrouwensarts weten, die zich vooral op de medische en psychiatrische aspecten van mishandeling richt. Uit het dossier, dat met een beamer op de muur wordt geprojecteerd, kan dat niet worden opgemaakt.

    Er werken vier vertrouwensartsen bij het AMK. Ze ondersteunen de maatschappelijk werkers die binnengekomen meldingen natrekken. Als er een kind in het ziekenhuis is terechtgekomen, overleggen ze met de artsen. Ze praten met de ouders als dat nodig is.

    Het telefoontje over mevrouw Treurniet is gisteren binnengekomen bij AMK-medewerkster Sylvia. De meldster was hoorbaar zenuwachtig. Meteen na de vergadering belt die meldster opnieuw. ‘Wat zeiden uw collega’s?’ wil ze weten. ‘Vonden die het verhaal wel ernstig genoeg?’

    Sylvia, lang en blond, begin dertig, antwoordt bevestigend en vraagt wat er te zien is van de verwaarlozing. Zien de kinderen er vies uit? Hebben ze blauwe plekken? ‘De oudste van twaalf neemt de ouderlijke rol over. Als hij niet kookt, wordt er niet gegeten,’ zegt de meldster. ‘Er komen nooit vriendjes, de kinderen gaan alleen naar school. De middelste is echt een heel triest ventje. Het jongste meisje is net een bloemetje, als je lief voor haar bent, dan bloeit ze op.’

    De meldster probeert een verklaring voor het nonchalante gedrag van mevrouw Treurniet te geven. Haar eigen leven was niet gemakkelijk, vertelt ze. Mevrouw Treurniet groeide op in een pleeggezin, misschien vindt ze het daarom moeilijk om van haar kinderen te houden. En dan: ‘Ik hoop dat ze er niet achter komt dat ik u heb benaderd.’

    Sylvia stelt haar gerust: ‘We houden het vaag, we zeggen dat iemand uit de buurt contact met ons heeft opgenomen.’

    Vage vermoedens
    Het Advies- en Meldpunt Kinder­mis­han­de­ling maakt al meer dan tien jaar deel uit van Bureau Jeugdzorg, maar voelt zich nog steeds een apart clubje. In een groot anoniem gebouw in Amsterdam-West met lange gangen en geel linoleum op de vloer heeft het meldpunt een aantal kamers tot zijn beschikking. Op de gang hangt een bord met spreuken als ‘Wees lief voor elkaar en dapper voor jezelf’.

    In de uiterste hoek achter in de gang zit Sylvia samen met haar collega Elly de hele dag aan de telefoon. Zo’n telefoondienst is een bewuste keuze, om de efficiency te verhogen. Maar of het werkt, is nog maar de vraag.

    Een belster vertelt Sylvia dat ze tijdens het wandelen met de hond regelmatig een baby hoort huilen; de kinderwagen staat op het balkon van een flat, verstopt achter een laken.
    ‘Heeft u overwogen de politie te bellen?’ vraagt Sylvia.

    ‘Is het daar ernstig genoeg voor?’ antwoordt de vrouw aarzelend.

    ‘Absoluut, een baby op het balkon in de kou... Weet u misschien het huisnummer en de straat? Dan kunt u de buurtregisseur inschakelen.’

    De animo van de belster neemt hoorbaar af nu er iets van haar wordt verwacht. ‘De laatste week kom ik er eigenlijk niet meer,’ krabbelt ze terug.

    Opvallend vaak bellen burgers met vage vermoedens. Ze maken zich zorgen om hun buurjongetje dat er zo verwaarloosd uitziet, maar voelen zich kennelijk niet geroepen om op de ouders af te stappen. Niemand spreekt elkaar nog ergens op aan, merken Elly en Sylvia. Een teken des tijds, noemen ze het. Voor het minste geringste wenden we ons tot een professionele, anonieme instantie en we verwachten dat die alles opknapt. Gemakzucht en angst voor de gevolgen als je zelf op iemand zou afstappen, spelen daarbij een rol.

    Een vrouw uit Purmerend maakt zich zorgen over een jongetje uit de buurt. Zijn geroep, als hij weer eens in de tuin is gezet, gaat haar door merg en been. Alle buren maken zich zorgen om de harde straffen die de jongen krijgt.

    Sylvia: ‘Heeft hij een jas aan?’

    Meldster: ‘Nee.’

    Sylvia: ‘Hebt u het idee dat hij wordt geslagen?’

    Meldster: ‘Moeder schreeuwt, maar ik heb niet het idee dat er wordt geslagen.’

    Sylvia: ‘Schreeuwen is ook een vorm van mishandeling.’

    Meldster: ‘Hij is een lieve jongen die op een negatieve manier aandacht vraagt.’

    Achter dit soort meldingen kan een wereld van ellende schuilgaan, zeggen Elly en Sylvia. Maar wat moet je ermee als er geen concrete feiten worden aangedragen?

    Zijn er wel aanwijsbare redenen voor ongerustheid, dan gaat de zaak door naar de volgende ronde: het onderzoek. Een medewerker van het AMK neemt contact op met de ouders en vertelt ze dat er een melding is. De onderzoekers praten met alle betrokken partijen en brengen een advies uit. In twintig procent van de gevallen is de situatie zo zorgelijk dat de Raad voor de Kinderbescherming eraan te pas moet komen. De rechter beslist dan of een kind al dan niet thuis kan blijven.

    Wachtlijstwerkers
    Kindermishandeling is een hot issue voor dit kabinet. Vice-premier en minister van Jeugd en Gezin André Rouvoet noemde het ‘een groot maatschappelijk kwaad dat bestreden moet worden’, toen hij in 2008 de Andries van Dantzig Penning kreeg voor zijn inzet tegen kindermishandeling. Rouvoet gaat ervan uit dat maar liefst honderdduizend kinderen per jaar worden mishandeld. Hij heeft radio- en televisiespotjes, actieverklaringen en meldcodes geïnitieerd en maakt de indruk dat hij niet zal rusten tot hij hoogstpersoonlijk een eind aan deze misstand heeft gemaakt. Maar is het wel uit te bannen?

    Bij het AMK in Amsterdam wordt verschillend gereageerd op de kruistocht van de minister. Natuurlijk is het fijn dat de bewindsman oog heeft voor wat ze doen, maar door die spotjes, waarin bezorgde burgers worden opgeroepen om elk vermoeden van kindermishandeling te melden, gaan nóg meer mensen bellen. En de wachtlijsten zíjn al zo lang. In 2008 werden er 3629 kinderen gemeld bij het AMK, dat was een stijging van zesentwintig procent ten opzichte van het jaar daarvoor.

    De afgelopen jaren stapelden de dossiers zich op. Wethouder Lodewijk Asscher eiste vorig jaar dat de wachtlijsten binnen een paar maanden weg zouden zijn. Er werden ‘wachtlijstwerkers’ aangesteld die de niet al te moeilijke gevallen afhandelen, maar ook zij kunnen geen ijzer met handen breken.

    ‘Rouvoet zegt: bij twijfel bellen, dus dat doe ik maar,’ begint een man die zich zorgen maakt over de twee kinderen van zijn buurvrouw. Ze zijn, weet hij, van twee verschillende vaders. ‘Wat is uw zorg?’ vraagt AMK-medewerkster Elly, die er net zo aardig uitziet als ze klinkt. Haar bureau staat tegenover dat van Sylvia.

    De man: ‘Als de vader van het jongste kind langskomt, wordt er in huis te veel en te hard geschreeuwd.’

    ‘U belt met het Meldpunt Kindermishan­de­ling,’ zegt Elly.

    De beller zucht, hij begrijpt dat hij over de brug moet komen: ‘De algehele situatie is kwetsbaar, de buurvrouw staat niet sterk in haar schoenen. Laatst had ze haar sleutels in huis laten liggen, ze was extreem overstuur. De hele sfeer, het is niet prettig voor die kinderen.’
    Elly: ‘Misschien kunt u haar zelf eens vragen hoe het met haar gaat? U hoeft haar niet uit te horen, maar u kunt wel uw belangstelling tonen.’

    De man aarzelt, alsof hij had gehoopt dat de buurvrouw na dit telefoontje in de goede handen van het AMK zou belanden, dan was hij eraf: ‘Ik wil er zelf niet te veel bij betrokken raken.’

    Cultuurverschil
    Halverwege de middag belt een stagiaire van Bureau Jeugdzorg Noord. Ze maakt zich ongerust over een Pakistaans meisje van zestien dat het thuis niet langer kan uithouden. Ze mag niets van haar vader. Tegen de vertrouwenspersoon op school heeft ze gezegd dat ze wordt mishandeld en afgelopen weekend is het, onder het mom van geluidsoverlast, gelukt om de politie erop af te sturen. Veel leverde dat niet op: omdat haar vader naast haar stond, hield het meisje wijselijk haar mond.

    De school van het meisje is zeer bezorgd, ze beklaagt zich bijna dagelijks over de situatie thuis. De school vindt dat Jeugdzorg moet ingrijpen.

    Elly hoort het verhaal van de stagiaire aan. Ze vindt het verstandig dat ze behoedzaam wil opereren, want het cultuurverschil is groot. Spreekt het meisje de waarheid? Wil ze echt uit huis? In hoeverre is hier sprake van een rebellerende puber?

    Een medewerkster van stadsdeel Slotervaart belt Elly met een ingewikkelde kwestie. Meneer Madkouri reisde een tijd geleden met zijn vier kinderen naar Marokko en liet ze daar achter. Zijn uitkering is wegens allerlei onduidelijkheden stopgezet, maar overleggen met hem is moeilijk, meneer Madkouri lijkt niet zoveel te begrijpen. Inmiddels zijn de kinderen weer terug in Nederland, maar het stadsdeel vreest dat hij ze opnieuw naar Marokko zal sturen. Hoe zou daar een stokje voor gestoken kunnen worden?

    Klacht aan je broek
    Terwijl Elly en Sylvia de bellers uitgebreid te woord staan – voorlichting en advies geven is een belangrijk deel van hun werk – buigt onderzoekster Carmen zich een kamer verder over het dossier van de familie Olivo. Carmen werkte jarenlang met veel plezier bij de Utrechtse jeugdreclassering, maar werd op den duur ‘een beetje moe van alle kleine leugenaars’. Lachend: ‘Die jongens die elke keer weer zeiden: mevrouw, heus, ik ga niet meer stelen.’
    Nu is ze onderzoeker bij het AMK en heeft ze een wat afstandelijker relatie met cliënten. De familie Olivo uit de Antillen werd een paar weken eerder aangemeld omdat meneer Olivo zijn zoon Miguel van tien zou mishandelen. Tijdens de intakevergadering werd opgeworpen dat Miguel misschien beter af zou zijn in een pleeggezin.

    Carmen vroeg meneer Olivo per brief naar kantoor te komen – huisbezoeken zijn zeldzaam – en beloofde dat er een tolk bij het gesprek zou zijn.

    ‘We hebben eens heel goed met elkaar kunnen praten,’ vertelt Carmen. Meneer Olivo ontkende niet dat hij Miguel soms sloeg. Zijn zoontje was vier jaar geleden vanuit de Antillen naar Nederland gekomen omdat zijn moeder de opvoeding niet meer aankon; als een postpakketje was hij deze kant op gestuurd. ‘Ik heb meneer Olivo erop gewezen dat Miguel snel groot wordt, over een paar jaar gaat die jongen terugslaan en dan wordt het een serieus gevecht.’

    Er wordt overwogen meneer Olivo hulp te bieden bij het opvoeden van zijn zoon, al zullen de resultaten van het onderzoek naar het gezin eerst in het MDO (multidisciplinair overleg) worden besproken.

    Carmen zal in een verslag, net als veel van haar collega’s trouwens, nooit haar eigen indruk van een gezin opschrijven, hoe veelzeggend die ook kan zijn. ‘Je moet zo uitkijken, we zijn echt kwetsbaar. Ouders mogen de dossiers lezen en voor je het weet, heb je een klacht aan je broek.’
    Het aantal klachten tegen hulpverleners is de afgelopen jaren flink toegenomen. Zeker vlak na de dood van de peuter Savanna, die door haar moeder om het leven werd gebracht, kwamen cliënten verhaal halen. Dat de gezinsvoogd van Savanna werd vervolgd door justitie was voor veel mensen een aanmoediging om kritiek te leveren. Maatschappelijk werkers voelen zich in de verdediging gedrukt, ze zijn de kop van jut, vinden ze. En dat is niet terecht.

    Een week eerder was Carmen ongewild toch weer even in de vuurlinie terechtgekomen. Op de eerste hulp meldde zich een vrouw die door haar man in elkaar was geslagen. Hij was er vandoor gegaan en had Rosa, hun baby, meegenomen. Terwijl de vrouw met haar dochtertje van elf in een Blijf van mijn Lijfhuis werd ondergebracht, ging de politie op verzoek van het AMK op zoek naar Rosa. Gelukkig werd ze na een paar dagen gevonden – de politie viel het huis van de vader binnen. Carmen stond buiten te wachten om Rosa naar haar moeder in het Blijf van mijn Lijfhuis te brengen. ‘Rosa zag er ongewassen uit, maar wat me vooral schokte, was dat ze zo bleek en apathisch was. Ze gaf geen kik. Pas toen ik haar bij haar moeder op schoot legde, stroomde het bloed weer naar haar wangen, haar moeder wekte haar weer tot leven, leek het. Op zo’n moment weet ik waarom ik dit werk doe.’

    Maar ook zij blijkt een bureaucraat geworden, want achteraf vindt ze dat het terughalen van Rosa niet tot haar taak behoorde. Volgens de procedures had de Crisisdienst in actie moeten komen: die grijpt in bij calamiteiten. ‘Omdat ik de moeder kende, werd ik erbij gehaald, maar het kostte me wel vier uur van mijn kostbare onderzoekstijd.’

    Verwerpelijk
    Privépersonen mogen anoniem een vermoeden van kindermishandeling melden, maar van een school, een huisarts of een crèche wordt verwacht dat ze dat met naam en toenaam doen. Een kinderdagverblijf zag om die reden – men was bang dat de rekening dan niet betaald zou worden – van melding af, terwijl een kind dat overdag bij hen verbleef waarschijnlijk thuis mishandeld werd.
    Leo Stoker, de manager van het AMK, is daar oprecht verontwaardigd over. ‘Dat kan toch niet,’ zegt hij. ‘Professionals die een ander belang laten prevaleren boven dat van het kind vind ik moreel verwerpelijk.’

    Stoker, een stevige man van begin vijftig, was landelijk coördinator noodhulp van het Rode Kruis en werkt sinds een half jaar bij het meldpunt. Hij doet dit werk uit overtuiging, zegt hij, hij wil iets betekenen voor al die kinderen die gevaar lopen.

    De medewerkers van het AMK zijn allemaal zeer bij hun werk betrokken, zegt Stoker. En hij houdt ook van zijn werk. Maar hij wil wel kwijt dat hij behoorlijk moest wennen aan de bedrijfscultuur bij het Bureau Kindermishandeling. Medewerkers zijn niet gewend te worden aangesproken op het aantal zaken dat ze behandelen. Sommige medewerkers komen nog van het Bureau Vertrouwenarts, anderen werkten bij het JAC (Jongeren Advies Centrum), een laagdrempelige organisatie waar jongeren zelf naartoe gingen als ze thuis problemen hadden. Inmiddels zijn diezelfde hulpverleners ambtenaren met een goed salaris en prima secundaire arbeidsvoorwaarden; als je boven de vijfenvijftig bent, krijg je honderdtachtig extra vrije uren. De meesten werken parttime en op vrijdag kun je bij Bureau Jeugdzorg een kanon afschieten.

    Die verworven rechten, die verambtelijking, biedt niet alleen voordelen. Stoker: ‘Ik hoor voortdurend dat de werkdruk te hoog is, dat er onvoldoende onderzoekers zijn, dat we te weinig geld krijgen. Maar als een collega tegen me zegt dat hij te hard moet werken, wil ik eerst weten of hij de schoonmaakster kent – die komt namelijk aan het eind van de dag.’

    De wachtlijsten – nu staan er ongeveer zestig kinderen op, een paar jaar geleden waren dat er drie keer zoveel – zijn hem een doorn in het oog. Hij realiseert zich dat sommige onderzoeken ingewikkeld zijn, maar hamert ook op productie. ‘Stel dat zo’n jongen of meisje die bij ons op de wachtlijst staat overlijdt, dat kan toch niet!’

    De pas aangetreden directeur van Bureau Jeugdzorg Erik Gerritsen is het met hem eens. ‘Op die wachtlijsten staan kinderen die zo snel mogelijk geholpen moeten worden. En dat is gewoon ons werk.’

    Veel medewerkers denken dat ze niet harder of efficiënter kunnen werken. ‘Soms lijkt het bijna slachtoffergedrag,’ vindt Stoker. Het gaat de medewerkers om kwaliteit en dat kost tijd, zeggen ze tegen hem. ‘Ik kom er vaak te laat achter dat ze hun productie niet halen, terwijl ik juist wil weten waaróm het niet lukt.’

    Directeur Gerritsen spreekt over de ‘zelf opgelegde machteloosheid’ binnen Jeugdzorg. ‘Daar moeten medewerkers en managers zich uit bevrijden.’

    Stoornis
    Juist in een tijd dat de politiek aandringt op het uitbannen van kindermishandeling en er steeds meer van het AMK wordt verwacht, hebben de vertrouwensartsen die bij het meldpunt werken het idee dat de toekomst van hun afdeling op losse schroeven staat. Want veiligheid is na de dood van Savanna hét woord binnen álle afdelingen van Bureau Jeugdzorg: bij de vrijwillige hulpverlening, de jeugdbescherming, de jeugdreclassering, overal is men in de hoogste staat van paraatheid als het om de veiligheid van kinderen gaat. En de medewerkers van het Meldpunt Kindermishandeling houden zich te veel bezig met voorlichting en advies, in plaats van met het onderzoeken van zaken, vindt hun baas Leo Stoker.

    Directeur Erik Gerritsen spreekt over het AMK als ‘een staat binnen een staat’, is vertrouwensarts X opgevallen. En in zijn meerjarenvisie wordt het AMK als specifieke afdeling niet genoemd. Terwijl wat zij doen werkelijk anders is, en een toevoeging, zeggen X en haar collega Y, die na het lezen van dit stuk niet meer met hun naam in Vrij Nedeland wilden. Uit privacy-overwegingen, zeggen ze. Als vertrouwensartsen verdiepen ze zich in de psychopathologische aspecten van de gezinsleden. Vaak worden ze ingeschakeld door collega’s van ziekenhuizen in en rond Amsterdam.
    ‘Ik herinner me een meisje met een gebroken been,’ vertelt dokter Y. ‘Haar moeder erkende meteen dat het haar schuld was. Ze kon de opvoeding niet meer aan, dat zie je vaak bij mishandeling. Het is ons gelukt om dat meisje en haar moeder intensieve begeleiding te geven. Een tijd later belde moeder om me te bedanken; dankzij het AMK, zei ze, was er eindelijk iets gebeurd.’

    Het succes van het AMK, dat kindermishandeling aan de orde heeft gesteld, staat hen nu in de weg. ‘Bureau Jeugdzorg is straks één groot AMK,’ vindt dokter X, ‘maar de medisch-psychiatrische invalshoek wordt daarbij verwaarloosd.’ X heeft het idee dat de inbreng van artsen, vaak iets analytischer met veel kennis over psychische en lichamelijke aandoeningen, onvoldoende wordt geapprecieerd. ‘Tijdens een overleg hoor ik anderen regelmatig zeggen: “Die moeder wil niets en kan niets.” Als ik het dossier goed lees, kan ik daar vaak uit opmaken dat er sprake is van een psychiatrische stoornis.’

    Bureau Jeugdzorg dreigt in de ogen van dokter X te veel een controleorgaan te worden terwijl deze kwetsbare mensen juist behoefte hebben aan menselijk contact. ‘Ze hebben weinig geld, ze leven geïsoleerd en uit onmacht verwaarlozen ze hun kinderen.’

    Cliënten hebben meer baat bij directe hulp dan bij onnodige procedures, is haar stellige overtuiging. Dat de theorie soms ver afstaat van de praktijk, blijkt volgens X ook uit het voorstel van de Tweede Kamer om bij het AMK een aandachtsfunctionaris besnijdenis aan te stellen. Wie is daarmee geholpen? Bij het AMK Amsterdam zijn de gevallen van meisjesbesnijdenis op één hand te tellen. En de ingrepen gebeurden niet in Nederland, maar in Egypte.

    Van haar fiets gevallen
    Tijdens de intakevergadering wordt een man besproken die de afgelopen week twee keer stomdronken op de eerste hulp belandde. Omdat hij kleine kinderen heeft, is het ziekenhuis verplicht de man bij het AMK te melden. Als een van de ouders vaak dronken is, wordt dat ook als een vorm van kindermishandeling beschouwd. De moeder ziet het probleem niet zo: ‘Als hij zo drinkt, vlucht ik het huis uit, of ik bel 112,’ zei ze tegen het AMK. En met haar kinderen ging het volgens haar prima.

    Ouders hebben lang niet altijd zin in de bemoeienis van anderen, maar soms kunnen ze maar beter meewerken. Een van de onderzoeksters belt vanachter haar bureau in de gang met de moeder van Chantal. Het meisje heeft al tijden problemen bij het poepen en verschijnt veel te weinig op school. Lichamelijk lijkt er niets aan de hand te zijn, maar omdat ze niet naar de wc kan, loopt ze met een stoma rond. Afgelopen week kreeg Chantal ook nog een hersenschudding; ze was van haar fiets gevallen, zei haar moeder.

    ‘We gaan toch even bellen met de huisarts om te horen wat hij ervan vindt,’ zegt de onderzoekster. ‘Ik begrijp dat Chantal last van haar darmen heeft, maar de school vindt het moeilijk dat ze zoveel verzuimt. Ik zou het fijn vinden als u met Chantal naar de schoolarts ging. Ziet u dat niet zitten? Waarom niet? Alle kinderen gaan toch naar de schoolarts? U wilt eerst met uw man overleggen? Goed, dan bel ik overmorgen terug om te horen wat uw man vindt. Ik hoop echt dat u wilt meewerken.’

    Dit is het tweede deel van een driedelige serie over Bureau Jeugdzorg. De namen van cliënten en de telefoonmedewerkers zijn op verzoek gefingeerd. De eerste aflevering verscheen in Vrij Nederland 17/18.

    Door Margalith Kleijwegt / 09 mei 2009 / Reageer (0)
  • Bureau Jeugdzorg, deel 1: Op zoek naar de blauwe plekken

    Bureau Jeugdzorg
    Alle provincies en de steden Den Haag, Utrecht, Amsterdam en Rotterdam hebben een eigen Bureau Jeugdzorg. Een kind met problemen krijgt geen hulp meer ván maar vía Jeugdzorg. Deze wijziging viel niet alleen de hulpverleners maar ook hun bazen zwaar. Wachtlijsten groeiden, de kosten rezen de pan uit. In Rotterdam moest de directeur vorig jaar vertrekken, net als in Utrecht, Amsterdam en Noord-Holland. Jeugdzorg nieuwe stijl bestaat uit vijf poten: vrijwillige hulpverlening; jeugdbescherming; jeugdreclassering; advies en meldpunt kindermishandeling en crisisdienst. Dit verhaal is het eerste in een serie van drie reportages over Bureau Jeugdzorg van de agglomeratie Amsterdam.

    Met formulieren en vergaderingen moet Bureau Jeugdzorg nieuwe 'Savanna's' voorkomen. Gevolg: de hulpverlener heet casemanager en ziet nauwelijks mensen meer. Op reportage in Amsterdam Noord. 'We kunnen niet alle maatschappelijke problemen oplossen.'

    In het Peugeootje van Saskia Luitjes, manager van BUREAU Jeugdzorg in Amsterdam-Noord, zijn we op weg naar mevrouw Scholten. De school van haar twaalfjarige zoon Leo maakte zich zorgen over zijn verschrikkelijke driftbuien. Hij moet soms slaand en schoppend uit de klas worden verwijderd. Daarom heeft de school contact met Jeugdzorg gezocht. Leo’s agressieve buien zijn beangstigend, vindt mevrouw Scholten. Ze is bang dat hun heftige ruzies verder zullen escaleren en bovendien lijkt dochter Ella het gedrag van haar oudere broer te kopiëren: ze wordt steeds lastiger. Het gezin Scholten is al langer bekend bij Jeugdzorg. Toen de kinderen klein waren en meneer Scholten nog thuis woonde, kregen ze video-hometraining om te kunnen zien hoe ze met elkaar omgingen, en waarom het steeds fout liep. Meneer en mevrouw Scholten vonden het destijds nuttig om de video-opnamen terug te kijken, maar het heeft hun huwelijk niet gered. Inmiddels heeft meneer Scholten een nieuwe vrouw en zorgt mevrouw Scholten in haar eentje voor de kinderen.

    We rijden langs de Gamma en de Praxis, Bureau Jeugdzorg ligt in een uithoek, voorbij een industrieterrein. Luitjes denkt met weemoed terug aan de tijd dat ze kantoor hield in het winkelcentrum. ‘Cliënten liepen toen veel meer in en uit. Als ze een boodschap deden bij de Etos, kwamen ze soms ook nog even bij ons langs.’ Jeugdzorg zelf verleent geen hulp meer. Dat is de grote verandering waar veel hulpverleners aan moeten wennen. Tegenwoordig heten ze casemanager of regisseur. Zij horen de problemen aan, zetten alles op papier en zoeken er vervolgens de juiste hulpverlener bij.

    Massage van de hersenen
    Vier honden, negen katten (waarvan een op drie pootjes), een cavia, een hamster en een rat verwelkomen ons. De huiskamer is vol, er staat een krabpaal met meerdere verdiepingen, naast de stoel is een stapeltje vuile was gevallen, op de televisie ligt een pak maandverband.
    ‘Probleem van moeder is dat ze meer van haar dieren dan van haar kinderen houdt,’ staat in een van de vele rapporten die over het gezin zijn geschreven. Mevrouw Scholten heeft een vriendelijk gezicht, ze draagt een paarse trui op haar spijkerbroek, de tatoeage bij haar linkerborst is gedeeltelijk zichtbaar.

    Met de rode poes op schoot – de vier honden doen een dutje op de bank – vertelt ze hoe goed zoon Leo reageerde op de neurofeedback, een speciale massage van de hersenen, bedoeld om zijn ADHD wat in te dammen. Al is het niet zeker of hij wel ADHD heeft – verschillende psychologen spreken elkaar tegen.

    Triple P (Positief Pedagogisch Programma) heet het programma waarmee het gezin Scholten zal gaan werken, samen met een hulpverlener van Spirit, een organisatie die hulp biedt bij opvoedproblemen. Triple P is een hit in hulpverleningsland: tien weken komt er anderhalf uur per week iemand aan huis om het gezin te trainen, daarna zou het grootbrengen van je kroost een fluitje van een cent moeten zijn.

    Mevrouw Scholten knikt gewillig als Karin, de beoogde hulpverlener van Spirit, voorstelt de papieren even door te nemen. De te behalen ‘doelen’ – geen hulpverleningscontact zonder doelen – staan keurig op een rij. Leo ‘moet met zijn boosheid leren omgaan’ en ‘hij moet zijn grenzen leren aangeven’. Mevrouw Scholten ziet op tegen de dag dat Leo naar de middelbare school gaat. Hij kijkt niet goed uit als hij fietst. ‘In triple P noemen we dat een risicovolle situatie,’ zegt Karin. ‘We zullen die tocht goed met hem voorbereiden.’

    Als de contracten met moeder officieel zijn getekend, zegt ze langs haar neus weg dat Leo soms te kennen geeft dat hij genoeg heeft van het leven. Uiterlijk onbewogen dankt Karin haar voor deze toevoeging. Later in de auto zegt Saskia Luitjes dat ze hoopt dat moeder doorzet. ‘Triple P is best ingewikkeld.’

    Wachtlijsten
    De wachtlijsten bij het team van de energieke Saskia Luitjes, dat cliënten op vrijwillige basis helpt, zijn niet langer dan een aantal weken. Maar ook in Amsterdam-Noord zijn wachtlijsten, zeker bij de jeugdbescherming, die kantoor houdt op een etage boven het aanmeldteam van Luitjes.

    Kinderrechters werden het afgelopen jaar niet alleen wanhopig maar ook boos, omdat Jeugdzorg bij een ondertoezichtstelling geen voogden kon leveren – de wachttijd was krankzinnig lang. Niet adequaat management en voortdurende personeelswisselingen waren hiervan de oorzaak.

    Het afgelopen jaar vertrokken tweehonderd van de zevenhonderd Jeugdzorgwerkers in Amsterdam. Sommige gebruikten Jeugdzorg als een springplank. Anderen raakten gedemoraliseerd door alle veranderingen, nóg meer invullijsten en vergaderingen, en zochten een andere baan. Ook in Noord was er behoorlijk wat verloop. De grootste klap kwam toen de psychologe, samen met Saskia Luitjes de spil van het team, besloot weg te gaan. Luitjes liet zich niet kisten, stak de achterblijvers een hart onder de riem en trok nieuwe, vooral jonge mensen aan.

    Ze hoopt dat als het systeem goed gaat werken, cliënten er juist baat bij hebben dat iemand van Jeugdzorg ze snel bij de juiste hulpverlener brengt. Noord is bovendien een klein stadsdeel waar iedereen elkaar kent, en onderling contact is een goed wapen tegen bureaucratie.

    Bezweringsformule
    Maatschappelijk werker Rachid Abrun heeft gemengde gevoelens over Jeugdzorg. We spreken elkaar kort nadat hij, na tien jaar, het besluit heeft genomen elders te gaan werken. Hij treedt in dienst bij het Meldpunt Huiselijk Geweld, een kleine organisatie waar hij heel direct met cliënten te maken zal hebben. Abrun hield van zijn werk bij Jeugdzorg, maar werd gek van de papierwinkel die er de afgelopen jaren bijkwam. Elk telefoongesprek, elke ontmoeting moest worden geregistreerd. Steeds kwam de directie weer met nieuwe formulieren. Het invullen van lijsten leek wel een bezweringsformule. Op het gevaar af nostalgisch te zijn, denkt hij soms met weemoed terug aan de tijd dat hij bij het JAC (Jongeren Advies Centrum) hulp verleende vanuit een woonhuis, midden in een gewone buurt. ‘Juist omdat je bij Bureau Jeugdzorg steeds minder mensen zult zien, zullen daar vooral hulpverleners gaan werken die liever niet de straat opgaan, maar die graag achter hun bureau zitten om daar heel mooie rapporten op te stellen.’

    ‘Dat negatieve kost zoveel energie,’ zucht Saskia Luitjes. Zelf is ze positief ingesteld en ze verwacht dat ook van de mensen om haar heen. Tegelijkertijd beseft Luitjes dat het nieuwe evenwicht nog niet helemaal is gevonden. ‘We vergaderen meer dan vroeger en omdat we met zoveel partijen samenwerken, hebben we minder slagkracht. Dat is het nadeel van fuseren.’

    Hebben mensen als Rachid Abrun niet een klein beetje gelijk, is de protocollendwang niet doorgeschoten? Luitjes knikt, ze laat de ‘checklist toegang’ zien, het formulier dat moet worden ingevuld wanneer iemand belt en om hulp vraagt: ‘Als we het goed doen, zijn we anderhalf uur bezig met het stellen van indringende vragen, terwijl je zo’n man of vrouw helemaal niet kent. Wat heeft dat voor zin? Die vragenlijsten worden altijd opgesteld door deskundigen die hier niet werken, ze kennen de praktijk onvoldoende.’

    De pas aangetreden directeur Erik Gerritsen heeft iedereen aangemoedigd hem te wijzen op overbodige formulieren of vergaderingen. ‘Kom maar op,’ zegt hij tegen wie het wil horen, ‘dan kijk ik of we zonder kunnen.’ Veel medewerkers beginnen over de ‘checklist veiligheid’, een onding noemen ze het. Als je alle vragen hebt ingevuld, kun je bepalen of een kind veilig is zonder hem of haar gezien te hebben. Belachelijk, vinden de Jeugdzorgwerkers.

    Kinderen bij de psychiater
    Toen de gezinsvoogd (in dienst van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland) van de in 2004 door haar moeder vermoorde peuter Savanna vier jaar geleden voor de rechter werd gedaagd, was de paniek groot. Sindsdien is veiligheid het sleutelwoord. De politiek verwacht van Jeugdzorg dat zij de veiligheid van de aan hun zorg toevertrouwde kinderen garandeert. Saskia Luitjes vindt die verwachtingen te hooggespannen. ‘Wij moeten alle maatschappelijke problemen oplossen en dat kunnen we niet,’ constateert ze nuchter. ‘Of het nou om verwaarloosde kinderen gaat, of om gezinnen die overlast geven, of om Marokkaanse probleemjongeren.’

    In deze stelling wordt ze gesteund door opvoeddeskundige professor Jo Hermanns, een fel tegenstander van alles wat riekt naar bureaucratische procedures. Hij noemt Jeugdzorg in zijn nieuwe jasje een exportfirma. ‘We hebben een instelling gecreëerd die ons moet vrijwaren van grote maatschappelijke problemen. Voor elk probleem een deskundige: alsof dat een oplossing is. Gezinnen met problemen hebben hulp nodig bij de inrichting van hun dagelijks leven. Intensieve begeleiding, de menselijke maat is heel belangrijk, dat zou iedereen toch moeten inzien.’

    Hermanns schetst zijn interpretatie van de almaar toenemende vraag naar hulp: ‘Neder­landers hebben na de oorlog een democratische staat willen opbouwen waarin zelfontplooiing een groot ideaal was. Dat ideaal werd doorkruist toen we merkten dat die vrijheid niet door de staat maar door medeburgers, hangjongeren, overlastgevende gezinnen, werd gesaboteerd. Onze intolerantie groeit, daarom exporteren we steeds meer kinderen naar deskundigen. Die moeten er maar wat van maken, ervoor zorgen dat ze aangepaste burgers worden. We zijn niet bereid zelf die verantwoordelijkheid te nemen. Het aantal kinderen dat naar de psychiater gaat, groeit explosief.

    Die hebben heus niet allemaal een stoornis. Als ze wat meer gerichte aandacht zouden krijgen, zou dat al enorm helpen.’

    Vigger
    Het aanmeldteam in Noord krijgt dagelijks telefoontjes van burgers, scholen of andere instanties. De een maakt zich zorgen over een pubermeisje dat in de handen van een loverboy dreigt te vallen, de ander meldt een jongen die grote problemen met zijn moeder heeft. De maatschappelijk werkers nemen alle gegevens op, gaan rondbellen en kijken wat er moet gebeuren.

    Vaak gaat de telefoon onophoudelijk maar vandaag is het ongewoon stil. Tot er in de middag een alarmerend bericht binnenkomt. Het gaat om het gezin Azough met vijf kinderen, moeder is van Marokkaanse komaf, vader is verdwenen. Het gezin krijgt al lang hulp, het afgelopen jaar zelfs heel intensief van een zogenaamde Vigger (vroegtijdige interventie gezinnen). Dat is een coach die wordt ingezet bij families waar de misère een onontwarbare kluwen is geworden. Maar mevrouw Azough bleek alle goede raad van de coach naast zich neer te leggen. Haar uitkering werd vier maanden geleden gestopt wegens schulden en nu dreigt Nuon de elektriciteit af te sluiten.

    De Vigger ziet geen mogelijkheden meer en vraagt aan Jeugdzorg om iets anders te verzinnen.

    Zonder hulpverlening verdergaan, kan niet vanwege de veiligheid van de kinderen. Vier wonen er nog thuis, de oudste volgt in Lochem een opleiding tot imam.

    De maatschappelijk werkster die het telefoontje aannam, kijkt gepijnigd. Kunnen de kinderen nog wel thuisblijven nu er een ontruiming dreigt? Moeten ze niet naar een pleeggezin?

    Zakken vuilnis
    Een week later is er een speciale bijeenkomst met de Raad voor de Kinderbescherming waarbij de familie Azough nog een keer wordt besproken. Zo belandt het dossier-Azough niet op een stapel bij de Raad, maar kan er snel worden gehandeld. Die efficiency is te danken aan de dood van Savanna. Het dossier van de familie Azough verschijnt op de muur via een beamer die op de computer is aangesloten. De tafels staan in een carrévorm opgesteld.

    Jeugdzorg pleit voor een ondertoezichtstelling van de kinderen Azough, de Raad wil argumenten horen. Worden de kinderen verwaarloosd? Mishandeld? Hebben ze blauwe plekken op hun lichaam? Er is geen sprake van zichtbare verwaarlozing, zegt de Vigger, een stevige man van in de dertig, met ingehouden woede. Maar mevrouw Azough liegt en bedriegt. Alle energie die hij in het gezin heeft gestoken, vierendertig zakken vuilnis heeft hij uit het huis gehaald. En wat heeft het allemaal opgeleverd? Mevrouw Azough doet of ze het allemaal snapt, ze belooft haar leven te beteren, maar niets beklijft.

    Rachid Abrun zit ook bij het overleg, hij kent de familie al jaren. Zijn indruk is dat mevrouw Azough het goed bedoelt, maar dat het draaiende houden van zo’n groot gezin haar gewoon te veel is. De hoeveelheid hulp die ze tot nu toe heeft gehad is indrukwekkend. Video-hometraining, behandeling wegens psychische problemen, eerst via Mentrum, inmiddels bij een psychiater. Voor de kinderen was er een Boppi, een speciale hulpverlener die ze niet alleen bij hun huiswerk hielp, maar ze ook sociaal vaardiger probeerde te maken.

    Niets hielp. Maar omdat de kinderen in deze onzekere situatie in de gaten moeten worden gehouden, bepleit de Vigger een ondertoezichtstelling. Mocht het uit de hand lopen in huize Azough, dan kunnen de kinderen in elk geval worden weggehaald.

    Bij de acht mensen die zich op een of andere manier met mevrouw Azough bezighouden, is ook een afgevaardigde van de Dienst Werk en Inkomen (DWI). Ze is meegekomen om het verzoek van de Vigger kracht bij te zetten. Mevrouw Azough is onverantwoordelijk, zegt ze. Ze maakt zich totaal geen zorgen over haar schulden, ze doet alsof ze niet bestaan. Maar, wil de Raad weten, is ze slecht voor haar kinderen? De afgevaardigde van DWI vertelt dat mevrouw Azough haar kroost soms om zes uur ’s ochtends naar haar werk meesleepte. De Raad knikt, bijna opgelucht. Dát is onverantwoord gedrag. ‘Ik heb honderdvijftig moeilijke gevallen,’ zegt de vrouw van DWI, ‘maar mevrouw Azough is de enige van wie ik ’s nachts wakker lig.’ Een paar dagen later vertelt Rachid Abrun dat hij is gebeld door mevrouw Azough. Ze vindt het verschrikkelijk dat ze nu naar de rechter moet, dat ze haar kinderen misschien zal kwijtraken. Ze begrijpt niet hoe het zo ver heeft kunnen komen.

    Loverboys
    Vorig jaar dreigde burgemeester Cohen dat hij hoogstpersoonlijk in gezinnen zou ingrijpen als instellingen langs elkaar heen bleven werken. Bij sommige gezinnen komen tien hulpverleners over de vloer en lang niet altijd is duidelijk wie er verantwoordelijk is en dus aanspreekbaar. Dankzij de strenge woorden van de burgemeester is er nog een overleg bijgekomen: het MDO-plus (multi-disciplinair overleg). Speciaal om over de extreem moeilijke gezinnen te praten. En die zijn er volop, ook in Amsterdam-Noord. Vertegenwoordigers van alle mogelijke instellingen zitten elke dinsdagmiddag rond de tafel, vandaag ontbreekt alleen de coördinator risicogezinnen van het stadsdeel. Waarom de vijftienjarige Myriam door zo’n kostbaar team wordt besproken, is niet helemaal duidelijk. Ze loopt soms weg, jat schoenen bij de Schoenenreus en er zijn vage aanwijzingen dat loverboys een oogje op haar hebben. Haar moeder heeft dochterlief redelijk in de smiezen, maar is de greep kwijt. Misschien is het een goed idee om het meisje in een gesloten instelling te laten onderzoeken, suggereren de aanwezigen. Daar kunnen ze kijken of er psychisch iets niet in orde met haar is.

    De jeugdbescherming wil het daarna over Madina hebben, een zwakbegaafd meisje met ADHD. Ze blijkt door haar vader via Dubai terug naar Afghanistan te zijn gebracht. ‘Nederland kan haar niet helpen,’ zo verdedigde moeder haar man. ‘In onze cultuur wordt onze dochter misschien weer beter.’

    Madina staat onder toezicht van de Raad voor de Kinderbescherming en vader mag zijn kind niet zomaar meenemen, eigenlijk is het in dit geval een ontvoering. ‘In Afghanistan heb je geen Raad,’ verzucht de jeugdbeschermer. Een beetje verslagen kijken de hulpverleners elkaar aan. Wat moet je nu als zo’n kind uit je handen wordt weggegrist? Moeder begrijpt de commotie niet, haar man heeft het beste met zijn dochter voor. Zijzelf is, ondanks haar beperkte kennis van het Nederlands, onder behandeling voor een depressie. Een maatschappelijk werkster zoekt haar wekelijks thuis op.

    ‘Het lukt haar minimaal om aan haar doelen te werken,’ zegt de aanwezige maatschappelijk werkster. ‘Ze zegt steeds: ik ben zo moe, zó moe. Ik heb geen zin in hulpverleners, het helpt toch niet.’ De hulpverleenster concludeert: ‘We moeten erkennen dat het pappen en nathouden is.’ De gezinsvoogd beseft dat ze op dit moment weinig voor Madina kan doen. ‘Als vader terug is, moeten we de situatie opnieuw bespreken.’ Ze zucht. ‘Als hij ooit terug komt.’

    De namen van cliënten zijn om privacyredenen gefingeerd. Volgende week: het Meldpunt Kindermishandeling. ‘Ik bel u omdat André Rouvoet zegt: “Bij twijfel altijd melden.”’

    Door Margalith Kleijwegt / 25 april 2009 / Reageer (0)