VN MediagidsUndercover op de illegalenboot

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving / detentieboot / rechtsstaat / Immigratie 25.03.2006

Door Robert van de Griend

Na de Schipholbrand hielden Donner en Verdonk vol dat Nederland humaan omgaat met opgepakte illegale vreemdelingen. Vrij Nederland ging undercover om te kijken of ze de waarheid spreken. Redacteur Robert van de Griend vulde een online sollicitatieformulier in, deed de zevendaagse cursus en kon meteen aan de slag op de detentieboot in Rotterdam.

Hij kreeg te maken met doorgedraaide illegalen, collega’s die van toeten noch blazen weten en een incapabel management. ‘Okay, jongens, we hebben een zelfmoord. Wat gaan we doen?’

Rotterdam, maandagochtend tien over zeven. Zo’n vijftig geüniformeerde mannen en vrouwen komen het terrein van de detentieboot Bibby Stockholm op. In de portiersloge op de kade van de Merwehaven gaan ze achter elkaar door een detectiepoort en vullen op een dienstrooster hun precieze aankomsttijd en paraaf in. Via een ijzeren loopbrug betreden ze de Bibby. Ze pakken hun piepers uit het rek en gaan met een bekertje automatenkoffie in het personeelsvertrek zitten. Daar luisteren ze, de slaap nog in de ogen, naar de ochtendbriefing van afdelingshoofd Van der Sloot. Die begint met een kort opfrispraatje – vaste prik sinds de directeur van de boot een paar weken geleden een rondje langs zijn personeel maakte en er achter kwam dat menigeen nog altijd de procedure bij brand niet kende en niet wist waar de klachtenformulieren voor de gedetineerden liggen. ‘Okay, jongens, we hebben een zelfmoord. Wat gaan we doen?’ Het blijft een paar seconden stil. Hier en daar klinkt wat gegiechel. Dan roept iemand: ‘Los snijden!’ Van der Sloot rekent het antwoord half goed. ‘Altijd éérst op je pieper drukken,’ zegt hij, ‘en daarna meteen los maken. We hebben natuurlijk geen mes op zak, maar bij de teampost kun je een schaar halen. Til het lichaam een klein stukje op, dat knipt makkelijker.’ Hij gaat nu snel de stappen af. ‘Vervolgens uiteraard de bekende noodnummers bellen. En als alles achter de rug is, zullen wij proberen jullie een beetje op te vangen. Vragen?’ Geen vragen. Zelf heeft het afdelingshoofd nog wel een verzoek. ‘Willen jullie wat vaker de brievenbussen met klachtenformulieren legen? Gisteren bleek het al een week niet te zijn gebeurd. En die mensen maar wachten op antwoord.’ Gezucht en gemompel. ‘Wacht even,’ haast Van der Sloot zich te zeggen, ‘ik heb ook nog iets positiefs te melden. Er mag dan veel worden geklaagd over de boot, ik ben best tevreden. Er gaat wel eens iets mis, toch vind ik dat we in korte tijd iets hebben neergezet waar we trots op mogen zijn. Zo, en nu aan het werk!’

De wachtcommandant die naast hem staat, pakt zijn lijst erbij en roept de namen af van de beveiligers die vandaag op de afdelingen E tot en met L zijn ingedeeld. Op E staan Van de Berg (‘Ja!’), Hassan (‘Ja!’), Goedhart (‘Yo!’), El Kaddouri (‘Ja’) en Maas (‘Hierzo!’). Op F staan Van de Ven (‘Ja!’), Vucovic (‘Yep!’), Yalçin (‘Ja!’), Den Breede (‘Môge!’) en Van Wijk (‘Present!’). Den Breede krijgt te horen dat hij een nieuwe collega moet inwerken. Zijn naam is Van de Griend (‘Ja!’).

Laks en onprofessioneel
Dit is mijn eerste dag als detentietoezichthouder op de Bibby Stockholm. Ik heb een inwerkperiode van zeven dagen, daarna moet ik het alleen doen. Volgens de dienstinstructies van de boot ben ik de komende tijd belast met de ‘bewaring, beveiliging, bejegening en verzorging’ van de 472 illegale vreemdelingen die hier vastzitten in afwachting van hun uitzetting. Een zware taak. Maar er is er nog een reden dat ik hier ben. Vrij Nederland wil eerlijk antwoord op een aantal prangende vragen. Hoe humaan worden illegale vreemdelingen op de detentieboot behandeld? Hoe competent is het personeel dat er werkt? En hoe veilig is het op de Bibby Stockholm?

Ten grondslag aan die vragen ligt de rampzalige gebeurtenis die plaatsvond op 27 oktober 2005. Toen kwamen elf mensen om en vielen vijftien gewonden bij een brand in het uitzetcentrum op Schiphol-Oost. Nog dezelfde dag barstte in Nederland een hevige discussie los waarin het laatste woord nog altijd niet is gezegd. Die discussie richtte zich in de eerste plaats op de brandveiligheid van het cellencomplex. Waar de brandweer van de gemeente Haarlemmermeer in september 2005 nog zijn goedkeuring had verleend, luidt het voorlopige oordeel van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er van alles aan het complex mankeerde. In de tweede plaats is veel commotie ontstaan over het personeel van het uitzetcentrum. Sommige advocaten en activisten beweren dat de bewakers laks en onprofessioneel op de brand hebben gereageerd en medeverantwoordelijk zijn voor de dood van elf illegalen. Minister Verdonk houdt tot op de dag van vandaag vol dat er ‘heel adequaat’ is gehandeld. Uit de voorlopige bevindingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid kan worden opgemaakt dat dat in ieder geval formeel niet klopt. De bewakers hebben, in strijd met het ontruimingsplan, als eerste de cel geopend waar de brand woedde, terwijl ze met de omliggende cellen hadden moeten beginnen. Nu ontstond zoveel rookontwikkeling in het complex dat het personeel niet meer in staat was alle gedetineerden te bevrijden.

Van verschillende kanten is openlijk in twijfel getrokken of de bewakers hun vak überhaupt wel verstonden. Dat ging vooral over de medewerkers van Securicor, het particuliere beveiligingsbedrijf dat zeker de helft van het personeel had geleverd, zoals het dat ook heeft gedaan voor alle andere detentiecentra in Nederland. Zij zouden (nog) minder van toeten of blazen weten dan de beveiligers van DJI, de afdeling van Justitie die de andere helft van de manschappen verzorgt. Securicor-directeur Hans Duijst wilde er niets van weten. ‘Alle bewakers hebben een relevante basisopleiding van hooguit een jaar,’ zei hij in NRC Handelsblad. ‘Dan voldoen ze aan alle eisen die het ministerie van Justitie stelt.’

Het verhaal kreeg een staart toen Vluchte­lingenwerk Nederland naar buiten bracht dat de opvang van de overlevenden van de Schiphol-brand beneden alle peil was. Op de detentieboot in Rotterdam, waar zesennegentig van de illegalen uit het cellencomplex naartoe waren gebracht, zou nauwelijks psychische of medische zorg zijn verleend. Ook zou er een mensonterend regime heersen. En dat terwijl minister Verdonk juist had beweerd dat ‘maximale zorg en begeleiding’ geboden waren.

Na zoveel tegenstrijdige geluiden over hoe Nederland met illegale vreemdelingen omgaat, werd het hoog tijd zelf een kijkje te gaan nemen.

Bewoners tellen
‘Het eerste wat we ’s ochtends doen,’ zegt collega Den Breede als we afdeling F oplopen, ‘is de bewoners tellen.’ Op de detentieboot, wordt me uitgelegd, heten gevangenen ‘bewoners’ en cellen ‘kamers’. Dat klinkt iets vriendelijker, want ‘officieel zijn het natuurlijk geen echte criminelen’. Den Breede zwaait zonder te kloppen een kamerdeur open, knipt het felle licht aan en roept met luide stem: ‘Goeiemorgen dames!’ Eén, twee, drie, vier mannen duiken weg onder hun deken. De bewaker trekt de deur weer stevig dicht en noteert het aantal. Tellen gebeurt drie keer per dag en niet zomaar. Sinds de plaatsing van de Bibby Stockholm in januari 2005 en de naastgelegen Reno in september 2004 zijn veertien ontsnappingspogingen gedaan, waarvan zes geslaagde. Ook in de volgende kamer liggen vier bewoners in de stapelbedden en in die ernaast zes. Gebruikelijke aantallen voor de detentieboten, precies zoals minister Donner het voor ogen had. De Reno en de Bibby Stockholm maken deel uit van een prestigieus justitieproject om cellen vrij te krijgen voor veelplegers. Die konden de afgelopen jaren nauwelijks worden aangepakt omdat reguliere gevangenissen waren volgestroomd met bolletjesslikkers en illegale vreemdelingen. Daar moest dringend iets aan worden gedaan vond Donner, en via een noodwet toverde hij het detentiecentrum uit de hoge hoed. Nederland heeft er inmiddels zes. Naast het ‘detentiecentrum Rotterdam’, waar alleen illegalen zitten, zijn er detentiecentra in Zeist, Roermond en Heerhugowaard. Op Schiphol en Rotterdam Airport zijn uitzetcentra gebouwd. En dit jaar komen er ook in Dordrecht, Krimpen aan den IJssel en Zaandam detentieboten te liggen.

Het kernwoord bij de centra is ‘soberheid’. Dat bespaart geld en is volgens Donner prima acceptabel omdat de illegalen er hooguit drie maanden verblijven.

En sober is het op de Bibby Stockholm. De gevangenen ‘bewoners’ en de cellen ‘kamers’ noemen, doet aan als een foute grap. De mensen zitten hier boven op elkaar gepakt. De plafonds op de boot zijn laag en de gangen zo smal dat het moeilijk is niet tegen elkaar op te botsen. De vierpersoonscellen zijn inhumaan klein, niet groter dan twintig vierkante meter. Het is er benauwd en er valt weinig licht naar binnen. Toch worden de illegalen om vijf uur ’s middags alweer achter slot en grendel gezet, waar ze tot acht uur de volgende ochtend moeten blijven. En dan te bedenken dat de overgrote meerderheid niets op zijn kerfstok heeft.

Als het tellen is gedaan – alle tweeënzestig bewoners bleken aanwezig – ontsluiten Den Breede en zijn collega’s de cellen. Veel gevangenen lopen meteen naar de recreatiezaal, waar ze een paar uur mogen doorbrengen. Er valt nauwelijks iets te beleven. Behalve een televisie met een beperkt aantal kanalen, staat er een oude tafelvoetbaltafel waarvan het balletje zoek is. Een kast tegen de muur bevat zo’n vijfentwintig Engelstalige boeken, onleesbaar voor de grotendeels Arabisch-, Chinees- en Franstaligen op de boot. Boven op de kast ligt een dambord en een doos Mens erger je niet. Eigenlijk komen de gedetineerden hier voornamelijk om te bellen. Van hun zeven euro vijftig zakgeld per week kunnen ze in de winkel een telefoonkaart van vijf euro kopen. Collect call is ook mogelijk.

Snelinfectie!
Nu veel cellen leeg zijn, is het een goed moment voor celinspectie, vindt Den Breede en hij trekt een paar plastic handschoenen aan. Collega Van Wijk pakt het formulier waarop moet worden ingevuld of ergens wapens, drugs of andere ontoelaatbaarheden zijn aangetroffen. In de eerste cel zit een Chinees op zijn hurken naast een emmer sop. De bewakers storen zich er niet aan en lopen precies over het gedeelte van de vloer dat net geschrobd is. ‘Celinspectie!’

Een van de redenen waarom de controle dagelijks plaatsvindt, is om de gevangenen tegen zichzelf in bescherming te nemen. Het komt op de boot regelmatig voor dat mensen, totaal wanhopig door hun uitzichtloze positie, proberen de hand aan zichzelf te slaan met een zelfgefabriceerd snijwapen. Uit cijfers van justitie blijkt ook dat het aantal zelfmoorden in detentiecentra veel hoger is dan in reguliere gevangenissen. Het is daarom opmerkelijk dat de celinspectie van mijn collega’s amper iets voorstelt. Er wordt een beetje aan de bedden geschud, in de douchecel en het koelkastje gekeken en aan de zoom van het gordijn gevoeld. Op één toiletrol te veel na, wordt niets gevonden dat niet door de beugel kan. ‘Als je echt iets wilt vinden,’ zegt Van Wijk, ‘moet je dit veel grondiger doen. Maar dan krijg je wel ruzie met die bewoners. Bovendien hebben we er natuurlijk helemaal geen tijd voor.’

In cel 12 zit een Arabier op een kleedje in gebed verzonken. ‘Snelinfectie!’ grappen de bewakers en marcheren naar binnen. Den Breede krijgt een poster aan de muur in het vizier. ‘Hé Saddam,’ roept hij, ‘weghalen.’ De Arabier staat verontwaardigd op. ‘Maar die hangt er al twee weken,’ zegt hij in gebroken Nederlands. ‘Niks mee te maken,’ houdt de bewaker voet bij stuk. ‘Van mij moet ie weg. Posters alleen op het prikbord.’ Mopperend loopt hij naar de volgende cel. ‘Dat krijg je er nou van,’ zegt Den Breede, ‘als bewakers er hun eigen beleid op nahouden. Dan weten die mensen niet meer waar ze aan toe zijn.’

Het is kwart voor twaalf. Tijd om iedereen in te sluiten en eten uit te delen. Eén keer per dag krijgen de gevangenen een voedselpakket, bestaande uit onder meer een magnetronmaaltijd, die ze in hun eigen magnetron kunnen opwarmen, en een halfje brood. Ze kunnen kiezen uit vlees, vegetarisch of koosjer. Maar met die verdeling gaat het regelmatig mis. ‘Wat is dit, verdomme?’ vraagt een Israëlische jongen, die bijna vloeiend Nederlands spreekt aan een vrouwelijke bewaker. ‘Je weet toch dat ik koosjer eet?’ De bewaker haalt haar schouders op. ‘Ik zit hier nu al zeven maanden. En bijna elke dag moet ik het uitleggen.’ De bewaker weet niet wat ze ermee aan moet. Uiteindelijk zegt ze: ‘Het is er niet vandaag. Morgen weer.’

Na het eten mogen de gedetineerden als elke dag één uurtje luchten. Buiten waait een bitterkoude havenwind, maar bijna niemand zegt nee. Het is, samen met het schamele uurtje bezoek per week, een van de spaarzame uitjes waarop ze recht hebben. Op de detentieboot is, anders dan in reguliere gevangenissen, geen mogelijkheid tot arbeid, educatie of resocialisatie.

‘Officieel,’ zegt collega Van Wijk, ‘staat er twee keer per week een buitenactiviteit op het programma. Maar de badmintonrackets zijn al tijden stuk. Jammer dan.’ Vandaag blijkt de luchtplaats ook nog eens voor een deel blank te staan door de regen van afgelopen nacht. Terwijl de gevangenen rondjes lopen door de plassen, houden Den Breede en Van Wijk zich warm met conversaties over Dirk Kuyt en het aanstaande visweekend dat de Bibby Stockholm voor haar personeel heeft georganiseerd. ‘Je merkt wel dat het werk niet veel voorstelt,’ lacht Den Breede. ‘Beetje hier staan, beetje daar staan, beetje kijken, beetje ouwehoeren.’ Maar hij wil me wel een advies geven. ‘Zorg dat je respect krijgt van die bewoners. Veel collega’s laten over zich heen lopen. Nou, dan voel ik me op zo’n afdeling niet veilig.’

Tegen vieren komt unitmanager Sander van de Knaap bij me langs om te vragen hoe mijn eerste werkdag is bevallen. Ik zeg hem dat ik niet wist dat het op de boot zo sober is. Hij lacht. ‘Ja, het is waar,’ zegt hij, ‘die jongens hebben hier echt helemaal niks. Ik snap best dat ze daar regelmatig agressief van worden.’ Nee, dan het uitzetcentrum op Rotterdam Airport. ‘Dat heeft al veel meer faciliteiten. Daar mogen de bewoners de hele dag luchten. En daar zijn bijna nooit opstootjes. Maar maak jij justitie maar eens wijs dat ze hier een duurdere boot moeten neerleggen.’

Alle hens aan dek
Het had schrikbarend weinig moeite gekost om aan boord te komen van de Bibby Stockholm. Acht dagen na de brand op Schiphol verscheen op de website van het beveiligingsbedrijf Securicor een vacature. Onder de olijke kop ‘Alle hens aan dek!’ werden detentietoezichthouders voor de boot gevraagd. De functie-eisen voor deze ‘uitdagende baan in een spannende werkomgeving met uitstekende arbeidsvoorwaarden’ waren niet al te hoog. Je moest minimaal drieëntwintig jaar oud zijn, een mavo-diploma hebben en de Nederlandse en Engelse taal beheersen. Klantvriendelijkheid, flexibiliteit en goede communicatieve vaardigheden strekten ook tot aanbeveling. Tot slot werd van de sollicitant verwacht dat hij van onbesproken gedrag was en goed met stress en agressie kon omgaan. Ervaring in de beveiliging werd niet gevraagd. Ik vulde het online sollicitatieformulier bijna geheel naar waarheid in. De volgende dag ging op de redactie van Vrij Nederland de telefoon. Ik mocht op gesprek komen.

De selectieprocedure die nu op gang kwam, zou streng zijn, was de verwachting. In 2002 had Securicor veel kritiek gekregen toen uit een rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) bleek dat het beveiligingsbedrijf voor verschillende detentiecentra personeel had geworven via Randstad Uitzendbureau. ‘Ze lijken zo van straat geplukt,’ had een gevangene tegenover de onderzoekscommissie verklaard. Het was in datzelfde jaar dat een beveiliger van Securicor vier bolletjesslikkers had helpen ontsnappen uit het detentiecentrum Roermond. In het detentiecentrum Zeist konden Securicor-medewerkers de verleiding niet weerstaan toen vrouwelijke gevangen hadden getoond wat zoal mogelijk is met een banaan. De vrucht moest terstond van het menu worden geschrapt.

Er leek lering uit het verleden getrokken. Unitmanager Monique de Wit van Securicor vertelde in februari 2005 in het personeelsblad Sensor dat bij de werving van de eerste lichting beveiligers voor de Bibby Stockholm ‘harde toelatingscriteria’ waren gehanteerd. ‘Daarbij werd scherp gelet op de motivatie,’ zei De Wit. ‘Daar hebben onze mensen echt op doorgevraagd.’ Potentiële kandidaten waren vervolgens onderworpen aan een ‘psychologische test’, een ‘persoonlijk interview’, en een ‘klikgesprek’ waarin dieper werd ingegaan op het werken voor opdrachtgever Justitie. Je kwam niet zomaar meer binnen bij Securicor, zoveel was duidelijk. En het leek logisch dat het beveiligingsbedrijf na de brand op Schiphol voortaan nóg zorgvuldiger te werk zou gaan bij de selectie van nieuw personeel. Een tweede deels door menselijk falen veroorzaakte ramp kan het bedrijf zich immers niet veroorloven.

Maar dat bleek nogal mee te vallen. Het eerste sollicitatiegesprek duurde tien minuten. Monique de Wit ontving me in een geïmproviseerde ruimte, naar het leek een kleedkamer, waar het zo koud was dat de unitmanager zelf haar winterjas aanhield. In een paar zinnen werd me verteld wat het werk als detentietoezichthouder behelsde. Het was vooral van belang, benadrukte De Wit, dat ik er geen moeite mee had om ‘mensen die soms niks hebben gedaan op te sluiten’. Gevraagd naar mijn motivatie om op de detentieboot te willen werken, antwoordde ik dat er brood op de plank moest en dat ik graag midden in de actualiteit sta. Bovendien, loog ik, had ik ervaring in de beveiliging. De Wit vond het voldoende. Ik was door naar de tweede ronde: de psychologische test.

Twee weken later werd ik in een kantoortje van Securicor achter een oude, vergeelde computer gezet om 141 multiplechoicevragen te beantwoorden. Allereerst werden mijn ‘cognitieve capaciteiten’ getoetst met vraagstukken als: ‘U ziet hier vier plaatjes. Welk plaatje is anders?’ en: ‘De bouwvakkers liggen voor op schema, dus het huis is waarschijnlijk … af. A. eerder B. later C. beter D. mooier.’

De ‘persoonlijkheidsvragenlijst’ moest inzicht bieden in wat voor type detentietoezichthouder ik zou zijn. Met behulp van een vijfpuntsschaal moest ik aangeven in welke mate stellingen als: ‘Is altijd in opperbeste stemming’, ‘Maakt een grapje om zijn eigen blunders’ en ‘Zet zich openlijk af tegen gedragsregels’ op mij van toepassing waren. Na afloop van de test rolde de uitslag direct uit de printer. Een medewerkster van Securicor nam de resultaten met me door. Ik bleek over genoeg cognitieve capaciteiten te beschikken. Maar de persoonlijkheidvragenlijst wees uit dat ik weinig alert was. Ook had ik veel sociaal wenselijke antwoorden gegeven. Dan zou hier het doek wel vallen. Nee. De medewerkster legde de uitslag naast zich op tafel neer, stelde me enkele vragen over mijn ervaring met calamiteiten en besloot dat ze ‘het risico wel durfde te nemen’. In principe was ik nu aangenomen. Wel moest ik nog worden gescreend door politie en justitie. ‘Maar dat,’ lachte de medewerkster, ‘levert vast geen problemen op, toch?’ Het leverde inderdaad geen enkel probleem op. Kennelijk hadden politie en justitie alleen gecontroleerd of ik of iemand in mijn familie een strafblad had. Hadden ze even mijn naam ingetypt in Google, dan was ik meteen tegen de lamp gelopen. Maar nu was ik binnen.

Geelbruine aanslag
In de portiersloge van de detentieboten wordt ook niet al te scherp opgelet, merk ik op mijn tweede werkdag. Iedereen die de Reno of de Bibby Stockholm wil betreden, is verplicht mobiele telefoons, zakmessen en andere verboden voorwerpen in een kluisje achter te laten. Maar als ik met mijn mobieltje in mijn broekzak door het detectiepoortje loop, en er overduidelijk ‘piep!’ klinkt, is er niemand die er iets van zegt. Het is maar goed dat ik geen kwaad in de zin had. Mijn telefoon draag ik de rest van de dag bij me.

Vandaag word ik op afdeling H geplaatst. Mijn mentor heet dit keer El Hadji. Een van de eerste dingen op het programma is een bezoek aan de winkel. Ik moet de gedetineerden er samen met El Hadji en nog een collega in groepjes van acht naartoe loodsen. Een aardig uitje, denk ik. Maar ‘de winkel’ blijkt een tiental treurige automaten met blikjes, Marsen en sigaretten. ‘Waarom is hier helemaal niets gezonds te krijgen?’ klaagt een Indiër. ‘In het avondeten is ook al geen vitamine te bekennen!’ De bewakers doen alsof ze doof zijn.

Terug op de afdeling mag ik samen met een collega celinspectie doen. Ik schud in alle cellen een beetje aan de bedden, kijk in de douchecabine en het koelkastje en voel aan de zoom van het gordijn. Dan controleer ik het badkamertje van cel 8. Overal waar ik kijk, van de vloer tot het plafond, zie ik een dikke, geelbruine aanslag. Hier moet ik iets van gaan zeggen. Maar hoe? Ik denk terug aan het advies van collega Den Breede: zorg dat je respect krijgt. Laat niet over je heen lopen. Ik besluit een strenge toon op te zetten. ‘Hé vriend,’ zeg ik tegen een Bosnische gevangene in de cel, ‘maak jij die douche eens schoon.’ Dat had ik beter anders kunnen aanpakken. De Bosniër gaat door het lint. ‘Dat moet je godverdomme niet tegen mij zeggen, maar tegen die vieze Afrikaan,’ briest hij. ‘Die staat onder de douche te pissen en zich af te trekken. Die gek heeft zelfs tegen de koelkast staan zeiken. En alles zit onder zijn schaamhaar!’ Met een sussend ‘ik zal het even navragen’ loop ik de cel uit en spoed me naar El Hadji. Die kent het verhaal van de Afrikaan. Er is alleen één probleem: de bewuste man is gisteren in de isoleercel geplaatst en de douche móét schoon. El Hadji gaat het wel even regelen. Hij kiest voor de empathische benadering. ‘Jongens, geloof me nou, het is voor jullie eigen gezondheid.’ Een Pool, die het gedoe tot nu toe zwijgend heeft aangezien, springt op van zijn stoel. Hij steekt een bord en een mok in de lucht met bruin ingetrokken vlekken in het plastic. ‘Kijk!’ schreeuwt de Pool, ‘zo vies heb ik deze spullen van jullie gekregen. En dan durven jullie nu te beginnen over hygiëne?’ Hij smijt zijn mok tegen de muur. Daar is El Hadji niet van gediend. ‘Goed,’ zegt de bewaker, ‘als het zo moet, zoeken jullie het zelf maar uit.’ Hij verlaat de cel en trekt de deur achter zich dicht.

Niet mee bemoeien
’s Middags in de recreatiezaal schuif ik aan bij een groepje Turkse gedetineerden dat zit te kaarten en begin een praatje. Ik vraag ze hoe ze het vinden om met drie of vijf anderen een cel te moeten delen. ‘Wat denk je zelf?’ schampert er een. ‘Hoe zou jij het vinden om geen seconde privacy te hebben? Om opgesloten te zitten met mensen die je niet kunt verstaan?’ Een ander zegt: ‘Ik doe geen oog dicht. Bij mij zitten ze de hele nacht tv te kijken. Als ik vraag of ze stil willen zijn, kan ik een klap krijgen.’ Nummer drie vertelt: ‘Mijn brood wordt voortdurend door anderen opgegeten. Ik heb erover geklaagd bij een bewaker, maar kreeg te horen dat ik het zelf maar moest oplossen.’

Even later vraag ik aan een collega wat ik moet doen als gevangenen problemen hebben met hun celgenoten. ‘Niet mee bemoeien,’ zegt hij. ‘Die gasten hebben altijd wat. Dan blijf je bezig.’ Een paar weken geleden is het wel een beetje uit de hand gelopen, vertelt hij. ‘Toen heeft een bewoner kokend water over het gezicht van een slapende celgenoot gegoten. De vellen hingen er bij.’ En die Chinees die om tampons kwam vragen, dat was ook een verhaal apart. ‘Zijn anus was helemaal uitgescheurd. Bleken zijn medebewoners hem één voor één te grazen te hebben genomen.’ De bewaker gaat nog even door. ‘Op afdeling F zit een grote neger. Die heeft net elf jaar in de bak gezeten voor een dubbele moord. Nou, daar wil je geen ruzie mee krijgen.’

Om half vier komt de medische dienst bij de gevangenen langs om medicijnen uit te delen. Terwijl ik de wacht houd op de gang, werp ik een blik op de kaartjes die op de celdeuren zijn geplakt. Ze bevatten een pasfoto en de achternaam van de gedetineerde. Op sommige kaartjes staat ‘no name’. Ook de datum van aankomst op de boot is vermeld. Ik lees: ‘10-09-2005’. Dat moet een uitzonderlijk geval zijn. Maar op een ander kaartje staat: ’18-08-2005’. En op weer een ander: ‘06-05-2005’.

Piet Hein Donner heeft duidelijk leugens verkocht toen hij zei dat illegalen hier hooguit drie maanden zouden verblijven.

Ik vraag aan een collega wat er aan de hand is. Hij reageert laconiek. ‘Er zijn er hier zoveel die langer dan een halfjaar zitten. Zelfs een jaar komt regelmatig voor. Maar als bewoners niet willen meewerken aan hun uitzetting, of het land waar ze vandaan komen houdt het tegen, wat kunnen wij er dan aan doen?’

Camouflagebroek
Hier was me op de cursussen die ik van Securicor moest volgen voor ik aan de slag kon, niets over verteld. Eerlijk gezegd was ik sowieso nauwelijks op de harde praktijk voorbereid. Een beveiligingsdiploma, verplicht voor elke detentietoezichthouder, had ik bij toeval vijf jaar geleden al eens gehaald. Destijds was me geleerd hoe een portofoon werkte en hoe ik een winkeldief staande moest houden, maar die kennis was me allang ontschoten. Nochtans hoefde ik van Securicor alleen nog een cursus Detentietoezichthouder en een cursus Bedrijfshulpverlening te volgen. De eerste werd gegeven aan een opleidingsinstituut van justitie in Den Haag en duurde zeven werkdagen.

Dat was wel even iets anders dan de ‘relevante basisopleiding’ waar Securicor-directeur Hans Duijst het in NRC Handelsblad over had gehad. Onder mijn medecursisten, allemaal toekomstig detentiebootpersoneel, bevonden zich een moeder van vijf kinderen, een ex-automonteur, een oud-bouwmarktmedewerker en een voormalige gevelrenovator annex uitsmijter. Volgens de studiewijzer zouden we onder meer worden geschoold in ‘herkenning van integriteitsrisico’s’, de ‘rechten en plichten van de gedetineerde’, ‘strafrapporten schrijven’, ‘in- en uitsluiten en fouilleren’ en ‘agressieve gedetineerden kalmeren’.

Daar kwam niets van terecht. De docent Integriteit benadrukte vooral dat een detentietoezichthouder zelf moet kunnen inschatten wat integer gedrag is. ‘Als jij na werktijd softdrugs wilt gebruiken, ga ik niet met mijn vinger wijzen.’ De docent Rapportage had eigenlijk geen tijd om ons te leren hoe je moest rapporteren. Hij was na vijfendertig jaar trouwe dienst in de gevangenis van Breda net twee weken met pensioen en vertelde liever anekdotes over zijn werk. ‘Als die gevangenen vervelend deden, gaf ik ze gewoon pats pats pats om de oren. En als ze hun cel niet wilden schoonmaken, schopte ik hun emmer met water om.’ Bij het vak Recht werd met geen woord over de rechten van gevangenen gerept. Wel werd uitvoerig besproken wat je kon ondernemen als je een kat in de zak had gekocht of als de boom van je buurman over je schutting hing. Bij Communicatie en Agressie werden eenvoudige gespreksoefeningen gehouden en deden trainingsacteurs zich voor als opstandige gevangenen. Cursisten Hakan en Nasser bleken niet één Nederlandse zin te kunnen produceren zonder fouten. Detentietoezichthouders-in-opleiding Rens en Pim verloren bij de rollenspelen volledig hun zelfbeheersing en moesten ervan worden weerhouden de trainingsacteurs naar de keel te vliegen. ‘Regels zijn regels, het is hier geen luilekkerland,’ hield Rens, die altijd in een camouflagebroek gekleed ging, vol. ‘Als ik word uitgelokt, is mijn natuurlijke reactie: slaan,’ verklaarde Pim zich nader. Bij Beveiliging werd weliswaar uitgelegd hoe we moesten insluiten en fouilleren, maar de docent gaf toe dat er te weinig tijd was om het echt goed te oefenen. ‘Er ligt al een tijdje een training op de plank die twee dagen langer duurt,’ vertelde hij. ‘Kennelijk vindt Securicor dat te prijzig.’ Hij had gehoopt dat de brand op Schiphol daar verandering in zou brengen. ‘Maar ik heb er nog niks over gehoord.’

Niet minder merkwaardig was dat de huidige cursus geen examen kende. ‘Inzet tijdens de training’ was genoeg. Een zegen voor Hakan, Nasser, Rens en Pim. Die liepen nu ook na zeven dagen fluitend het opleidingsinstituut uit.

Automutilanten en hongerstakers
Op woensdag draai ik mee op de OBS-afdeling. OBS staat voor ‘observatie’, maar betekent eigenlijk ‘isoleer’. De afdeling bestaat uit acht kleine cellen die hufterproof zijn ingericht met alleen een plastic matras en een stalen toiletpot. Hier worden, variërend van een paar dagen tot een enkele weken, gedetineerden vastgehouden die op hun eigen afdeling voor problemen hebben gezorgd. Soms voor straf, omdat ze met een medegevangene of een bewaker hebben gevochten. Maar suïcidalen, automutilanten en hongerstakers worden hier ook naartoe gebracht. Die groep krijgt permanent cameratoezicht.

Collega Van der Meer staat het ontbijt voor de OBS’ers klaar te maken. Boterhammen met appelstroop en kokosbrood. ‘Misschien niet helemaal wat ze thuis gewend zijn,’ zegt ze, ‘maar dan moeten ze maar zorgen dat ze hier niet terechtkomen.’ Als we een voor een de deuren openen om het eten uit te delen, kijken verwilderde en verdwaasde gezichten ons aan. Snel draaien we de deuren weer op slot. ‘Doe dit nooit in je eentje,’ waarschuwt Van der Meer. ‘Deze bewoners zijn tot alles in staat. Vraag dus altijd assistentie van een teampost ambulant.’

Eigenaardig dat uitgerekend op de OBS-afdeling maar één man personeel staat. In het bijzonder omdat hier, in tegenstelling tot de andere afdelingen, geen beveiligingscamera’s in de gang hangen. ‘Tja,’ zegt Van der Meer, ‘ de directeur vindt twee bewakers te duur.’

In het personeelskamertje werkt Van der Meer de dagrapporten bij. Aan de muur hangt een bord dat vertelt waarom de gedetineerden hier zitten. ‘Vlucht gefrustreerd’, staat achter een van de namen. ‘Die man,’ legt Van der Meer uit, ‘heeft bij zijn uitzetting zoveel weerstand geboden, dat de piloot van het vliegtuig hem niet wilde meenemen. Dan komen ze hier terecht. En over een paar dagen proberen we het opnieuw.’

Maar dit is nog een relatief normaal geval, lacht de bewaker. ‘Sommigen smeren de hele kamer onder de poep. En ik heb ook een man meegemaakt die zichzelf continu zat af te trekken en zijn spul op een boterham smeerde. Die at hij dan op.’

In andere gevangenissen zouden deze bewoners waarschijnlijk onder toezicht komen te staan van een vaste inrichtingspsycholoog. Maar die heeft de detentieboot niet.

Er wordt op de binnenkant van cel 2 gebonkt. Van der Meer opent de deur en vraagt wat er aan de hand is. Een Chinees zegt in het Engels dat hij een vriend wil bellen. Het is erg belangrijk. Het gaat over zijn paspoort. Maar Van der Meer verstaat geen Engels. Ze zegt: ‘Ja hoor, komt goed,’ en gooit de deur weer dicht.

Als we de gedetineerden een voor een hebben laten douchen en luchten – wat op de OBS-afdeling neerkomt op een uurtje in een ijskoude cel zonder ramen staan – is het alweer tijd voor de lunch. Vandaag staat er een magnetronmaaltijd met rijst en hachee op het menu. Van der Meer warmt er ook een voor zichzelf op. Maar als ze een hap neemt, trekt ze een vies gezicht. ‘Gatverdamme, dit is echt smerig,’ roept ze en gooit de maaltijd in de vuilnisbak.

Even later wordt weer op de binnenkant van een cel gebonkt. Dit keer is het cel 8. Een Rus, die hier zit vanwege een vechtpartij, vraagt om melk. Van der Meer kijkt in de koelkast en ziet dat de melk op is. ‘Nou, dan moet ie maar koffiemelk drinken,’ zegt ze. Ze schenkt twee bekertjes vol en geeft ze door het luikje aan. Binnen een minuut klinkt opnieuw gebonk uit cel 8. Nu laat Van der Meer mij het luikje openen. ‘Wat flik je me nou?’ schreeuwt de Rus. ‘Ik ben al vier dagen doodziek, moet voortdurend kotsen en dan geef jij me deze vette rotzooi!’ Ik kijk hem verontschuldigend aan, maar Van der Meer roept vanuit het personeelskamertje dat het prima melk is en dat hij het gewoon moet opdrinken. De Rus brult dat hij nú een afdelingshoofd wil spreken. Van der Meer komt het kamertje uit en zegt: ‘Jij moet helemaal niks nú.’ Ze sluit het luikje. ‘Als ze zo gaan beginnen,’ foetert ze, ‘is het bij mij meteen klaar.’

We nemen plaats in het kamertje en drinken een kop koffie. Op cel 8 draait de Rus volledig door. Vloekend en schuimend smijt hij met zijn eten. ‘God, wat een irritant mannetje,’ zucht Van der Meer.

Na drie kwartier gaan we eindelijk weer eens bij de Rus kijken. Tot onze schrik zien we hoe hij zich met een afgebroken plastic lepel in zijn polsen staat te snijden. Van der Meer roept een afdelingshoofd op. Als die na enige tijd komt aangewandeld en vraagt wat er is gebeurd, zegt de bewaker. ‘Ja, ik begrijp het ook niet, hij werd ineens wild.’ De Rus krijgt van het afdelingshoofd te horen dat als hij iets wil, hij het gewoon normaal moet vragen. ‘Dat héb ik gedaan,’ werpt de gevangene tegen, ‘maar nog werd ik als een beest behandeld!’

Het afdelingshoofd gelooft er weinig van en zegt: ‘Je zult het er wel naar hebben gemaakt.’

Scherven
Op donderdag sta ik weer op afdeling H. Ik houd toezicht op de recreatiezaal. Omdat de gedetineerden voelen dat ik nieuw ben, klampen ze me al snel aan en overladen me met deerniswekkende verhalen. ‘Ik zit hier nu al vijf maanden,’ zegt een Chinees. ‘Waarom? Ik heb niks crimineels gedaan.’ Hij wil inmiddels best terug naar zijn vaderland, maar dat wil ook niet vlotten. ‘Ik heb al weken niks van mijn advocaat gehoord. Die onzekerheid maakt me stapelgek.’ Een gedetineerde uit Sri Lanka vertelt hoe hij in Nederland is terechtgekomen. ‘Ik heb destijds tienduizend dollar betaald om naar Canada te vluchten. Maar de man die het zou regelen, ging er tijdens de overstap op Schiphol vandoor.’ Nu zit hij hier. Hij heeft zijn vrouw en zijn vader al een jaar niet gesproken. Hij vreest dat ze zijn omgekomen bij de tsunami. ‘Maar ik wil niet meer terug naar Sri Lanka,’ zegt hij. ‘Dan word ik zeker vermoord.’

Een man uit Iran vraagt me: ‘Waarom doe jij dit werk eigenlijk? Het is toch een schande wat hier gebeurt?’ Ik weet niet meer uit te brengen dan: ‘Tja.’ De man tiert verder: ‘Het eerste wat ik doe als ik weer buiten sta, is die Donner en Verdonk omleggen. Echt hoor, ik zweer het.’

Wanhopig voeg ik me bij een collega. Die probeert me gerust te stellen. ‘Maak je geen zorgen,’ zegt ze. ‘Ik werk hier nu vier maanden. In het begin had ik slapeloze nachten van die verhalen. Maar het went snel. Nu reageer ik er niet eens meer op.’

De ochtend verloopt verder rustig. Op de afdeling is het stil omdat veel gedetineerden in de bezoekzaal zitten. Mijn collega’s en ik halen nog eens koffie en leunen wat tegen de muur. ‘Vind je het een beetje leuk hier?’ vraagt collega Tol. Tol is vandaag mijn mentor. ‘Best interessant,’ mompel ik. ‘Nou, wacht maar tot je hier langer werkt,’ voorspelt ze. ‘Dan praat je wel anders.’ Ze begint me, alsof het onderdeel is van mijn inwerkperiode, uitgebreid te onderwijzen over wat er allemaal aan de detentieboot mankeert. Vooral ‘die gasten van kantoor’ moeten het ontgelden. Heeft ze bijvoorbeeld net een nachtdienst gedraaid en ligt ze om negen uur eindelijk op bed, halen ze het in hun botte hersens om haar om tien uur alweer te bellen of ze nóg een nacht kan werken. En niet eens op een vriendelijke manier. Of dat ze elke dag op een andere afdeling staat, met andere collega’s, dat is ook zoiets achterlijks. Dan raak je natuurlijk nooit op elkaar ingespeeld.

Collega Van Wijk, die net terugkomt van een rookpauze, is het volledig met haar eens. Werkt hij hier net een paar maanden, wordt hij binnenkort overgeplaatst naar Zeist. Omdat ze daar toevallig extra mensen nodig hebben. Kan hij elke dag een paar uur in de auto gaan zitten. Als hij dat had gewild, was hij wel taxichauffeur gebleven. Je mag die kilometers toch declareren, hadden ze gezegd. Ja, maar hij is verdomme geen pion waarmee je naar hartelust kunt schuiven. Vind je het gek dat het ziekteverzuim hier zo hoog is, met dat soort acties? Vind je het gek dat zoveel mensen al snel weer ontslag nemen?

Tol stond erbij toen een collega met tranen in haar ogen bij een afdelingshoofd aanklopte. Of ze even kon praten. Nou, mevrouw werd mooi weggestuurd. En dan heeft ze het nog niet eens over zichzelf. In één week tijd maakte ze het mee dat iemand zijn bed in brand stak, dat iemand zich had opgehangen en dat iemand zichzelf ernstig verwondde. Eigenlijk vond ze dat laatste nog het ergste. Ze had de medische dienst een week lang gewaarschuwd dat die bewoner een psychiater nodig had omdat hij maar bleef roepen dat hij bevangen was door boze geesten. Nou, mooi dat hij geen hulp kreeg. Zag zij op een gegeven moment dat die man met een glazen magnetronbord op zijn kop stond te rammen en zichzelf met de scherven helemaal openhaalde. Vier maanden in het ziekenhuis gelegen. Maar denk je dat er ooit iemand van Securicor aan haar is komen vragen hoe het met haar ging? Je bent hier geen persoon, maar een nummer. Ja, en dat reageer je natuurlijk af op die bewoners.

Echte teringlijers
Mijn eigen ervaring met de leiding van Securicor was ook niet al te positief. De dag nadat we onze cursus Detentietoezichthouder hadden afgerond, namen mijn medecursisten en ik plaats in de kantine van de Reno. Daar kregen we van unitmanager Monique de Wit ons contract, een map met arbeidsvoorwaarden en het werkrooster uitgereikt. Of we even snel alles konden tekenen. Dadelijk was het lunchpauze en moesten we hier weg zijn. Ik vroeg of ik mijn contract mee naar huis mocht nemen, zodat ik het rustig kon lezen. ‘Hoezo?’ reageerde De Wit geïrriteerd. ‘Zijn er problemen dan?’ In beleefde bewoordingen herhaalde ik mijn vraag. Maar De Wit vond het onzin en stond het niet toe. Toen we de roosters onder ogen kregen, bleek Securicor een deel van de cursisten op voorhand te hebben overgeplaatst naar het uitzetcentrum op Rotterdam Airport. Dat schoot met name de moeders met kinderen in het verkeerde keelgat. Niet in de laatste plaats omdat ze nu, tegen de gemaakte afspraken in, ook avonddiensten moesten draaien. Gezeur, vond De Wit, een Securicor-medewerker behoort flexibel te zijn. Ze nam de moeders apart en liet hun weten het niet netjes te vinden dat zij al vóór hun eerste werkdag begonnen te klagen.

Tegen twaalven schrik ik me een ongeluk. Een gevangene komt vloekend en tierend de recreatiezaal binnen. Zijn bezoek is niet komen opdagen. Ik stap op hem af, maar voor ik iets tegen hem heb kunnen zeggen, slaat hij keihard met zijn vuist tegen de muur – vlak naast mijn hoofd. Hij kijkt me grijnzend aan en beent weg.

Hoe, vraag ik me af, had ik moeten reageren als hij mij echt had geslagen?

Tijdens de lunchpauze gooi ik het probleem in de groep. ‘Officieel,’ zegt collega Bouali, ‘mag je alleen gepast geweld gebruiken. Dat betekent dat je iemand een zelfde soort klap terug mag geven en zo nodig tegen de grond mag werken. Maar in mijn cultuur is respect heel belangrijk. Dus als iemand mij iets flikt, sla ik hem helemaal de tyfus.’

Collega De Waal, een beer van een vent, schuwt de ferme benadering ook niet. Hij slaat ze ‘helemaal de tering’. Vooral als ze hem bespugen. ‘Dat is in hun land namelijk een enorme belediging.’ Laatst had hij een akkefietje met een gedetineerde die zijn cel niet meer in wilde. De man ging als een baby op de grond zitten huilen. ‘Dus ik trek mijn handschoenen aan, pak hem beet en donder hem zo naar binnen. Kwam de medische dienst later verhaal halen. Die jongen zou psychisch in war zijn. Ja hoor, zei ik, dat zijn ze allemaal hier. Stelletje komedianten.’

Collega Den Breede stipt aan dat de afdelingshoofden het voorbeeld geven. ‘Pas nog, bij een opstootje, draaide Fred nogal stevig iemands arm op zijn rug. “Krak,” klonk het. Ik vroeg of we daar niet even naar moesten laten kijken. “Nee, hoor,” zei Fred, “Dat komt nog wel een keer.”’

De Waal giert het uit. Sommige afdelingshoofden zijn ‘echte teringlijers’, zegt hij. Mensen zoals Fred, daar kan hij mee lezen en schrijven. ‘Die zeggen gewoon: “Jongens, als het echt niet anders kan, dan moet het maar. We zien wel wat we in het rapport zetten.”’

Blusmiddelen
Op 3 november 2005 liet minister Verdonk in een brief aan de Tweede Kamer weten dat ‘per direct’ verscherpt toezicht zou plaatsvinden op de brandveiligheid van de detentieboten. De brandweer Rotterdam voerde kort erna een inspectie uit, waarover op 23 november 2005 een rapport verscheen. Er waren gebreken geconstateerd aan de compartimentering van de boten, aan de verlichting die de vluchtroutes en de nooduitgangen moet aangeven en aan de blusmiddelen. De brandweer beoordeelde de brandveiligheid als ‘voldoende’, maar beschouwde het naleefgedrag van de voorschriften als een ‘een nadrukkelijk zorgpunt’. Het advies: zorg dat nieuw personeel beter is opgeleid op het gebied van brandveiligheid.

Dat was ik niet. Mijn cursus Bedrijfs­hulpverlening, die ik half februari dit jaar van Securicor had moeten volgen, duurde twee dagen. Eén ervan was ingeruimd voor ‘Alarmeren, ontruimen en brandbestrijding’. De docent, een oud-brandweerman, vertoonde twee instructievideo’s en strooide wat met anekdotes. Daarna liet hij ons ieder drie brandjes blussen. Ook deze cursus werd niet afgesloten met een toets of examen. Wel met een wijze raad. ‘Dames en heren, onthoud één ding,’ zei de docent, ’waar rook en vuur zijn, bent u niet. Als het echt mis gaat: gymschoenen kopen en weglopen.’

Op vrijdag loop ik mee met een teampost ambulant. Die heeft als taak overal op de boot kleine klussen op te knappen en assistentie te verlenen als gevangenen van de afdeling gaan. Voor mij een uitstekende gelegenheid om me wat meer te verdiepen in de brandveiligheid van de Bibby Stockholm. Die lijkt, ondanks de beoordeling ‘voldoende’ van de brandweer, toch een behoorlijk punt van zorg. Niet alleen omdat de gedetineerden aanstekers en sigaretten op hun cel mogen hebben, maar bijvoorbeeld ook omdat bij brand de deuren niet automatisch kunnen worden ontgrendeld. Zoals dat ook niet kon op het uitzetcentrum op Schiphol. Ondertussen heeft geen mentor mij nog aangewezen waar de nooduitgangen zitten of de brandblussers staan. Een paar keer is me aangeraden mijn calamiteitenplan door te lezen, maar niemand heeft dat gecontroleerd. Ik weet vrijwel zeker dat ik niet in staat ben ‘adequaat’ op te treden als het mis gaat. En het is ernstig de vraag of mijn collega’s dat wel kunnen. Sinds de ramp op Schiphol is nog niet één keer een ontruimingsoefening gehouden op de Bibby Stockholm of de Reno.

De teampost ambulant en ik halen ’s ochtends de etenskarren binnen, begeleiden een gedetineerde naar de dokter en houden toezicht op de luchtplaats. Onderwijl breng ik bij verschillende collega’s het onderwerp ‘brand’ ter sprake. Collega De Winter, die in het personeelsvertrek aan een bak koffie zit, vertelt dat ze erbij was toen enkele gevangenen op de Reno kort na de brand op Schiphol het plafond in de fik staken. ‘Het was verschrikkelijk,’ zegt ze. ‘Overal was rook.’ De andere gedetineerden, die ingesloten zaten, raakten volslagen in paniek. ‘Ze trapten letterlijk gaten in de muur. Met man en macht stonden we hun deuren tegen te houden. Ik hoop dat echt nooit meer mee te maken.’ Collega De Wilde steekt buiten in de rokersabri nog eens een sigaret op. Hij vertelt over een recente brand op afdeling I. Gevangenen hadden een volle vuilcontainer in de hens gezet. Hij stond als een van de eersten paraat om te blussen. ‘Achteraf,’ zegt De Wilde, ‘meldde de brandweer ons dat we het verkeerd hadden aangepakt. We hadden met een gebonden waterstraal recht in de brand gespoten, terwijl je in dit soort gevallen moet nevelen.’ Ze waren ontsnapt aan een ernstig ongeluk. ‘Wat wij deden, kan hetzelfde effect hebben als wanneer je water in een brandende frituurpan gooit: een gigantische steekvlam.’

Klein Brandje
Na de lunch schuiven de teampost ambulant en ik aan bij het dekoverleg. Afdelingshoofd Van der Sloot neemt met een groepje bewakers van dek 1 de stand van zaken door. Er zijn weinig tot geen agendapunten. Dan maar de rondvraag. Collega Cheng hoopt dat we alsjeblieft kunnen stoppen met die opfrispraatjes elke ochtend. Niemand zit er volgens hem op te wachten. ‘Misschien is het zinvol voor nieuwe krachten,’ zegt hij, ‘maar wij weten allemaal heus wel hoe we bij calamiteiten moeten optreden.’ Van der Sloot antwoordt dat hij er zelf ook genoeg van heeft. ‘Iedereen zit verveeld voor zich uit te staren als ik zo’n praatje hou,’ moppert hij. ‘Ik krijg niet één reactie. Dan ga ik er dus vanuit dat iedereen wel weet wat hij moet doen.’

Een halfuur later, als de teampost ambulant de wacht moet houden bij een spreekkamer, loop ik even langs bij collega Cheng. Terloops vraag ik hem waar het blusapparaat staat dat ik moet gebruiken bij een elektrische brand. Hij heeft geen idee en antwoordt dat je in zo’n geval ook best de slanghaspel kunt pakken. ‘Wat kan er nou gebeuren,’ zegt hij, er kennelijk niet van op de hoogte dat water elektriciteit geleidt. ‘Er kan hoogstens een beetje kortsluiting ontstaan.’

Wat er gebeurt als het brandalarm afgaat, heb ik een paar dagen eerder meegemaakt. Overal sloegen bewakers aan het rennen. Twee gevangenen bleken hun rookmelder te hebben afgeplakt, waarna ze een brood in de magnetron lieten verbranden. Over de hele afdeling hing een dikke, stinkende rook.

Het brandje kon uiteindelijk eenvoudig worden geblust. De daders werden afgevoerd en in een observatiecel geplaatst. ‘Allemaal aandachttrekkerij van die bewoners,’ merkte een collega schamper op. ‘De laatste tijd gebeurt het zo vaak, dat je de neiging krijgt geen melding meer serieus te nemen.’

De dag erop hield Van der Sloot weer een opfrispraatje. ‘Jongens,’ zei hij, ‘goed dat jullie gisteren zo massaal op die brand afkwamen. Wel jammer dat niemand op het idee was gekomen om een brandblusser mee te nemen.’ Dit keer was het een relatief klein brandje, maar toch moesten twee bewakers met ademhalingsproblemen naar het ziekenhuis. ‘Ik hoop niet,’ bromde Van der Sloot, ‘dat jullie bij een grote brand ook met je handen in je zakken gaan staan kijken.’

Hij kreeg geen reactie.






Koot & Bie als professoren

Wim de Bie is tussen februari en mei 2012 bekleder van de Leonardoleerstoel aan de Universiteit van Tilburg. Hij heeft uitgebreid ervaring op kunnen doen als professor. Samen hebben Koot & Bie namelijk tientallen professoren gespeeld.

Lotte Melenhorst op 22.02.2012 -

Satire en werkelijkheid

Halverwege de jaren tachtig maakten Koot en Bie een sketch over het ‘aanpassingsonderzoek onder een aantal proef-Marokkanen’ aan de Universiteit van Arnhem. "De werkelijkheid heeft de satire ruimschoots ingehaald."

Lotte Melenhorst op 22.02.2012 -