Waarin het gaat over de gemiste kans van Roland Barthes

Het is niet duidelijk of de Franse criticus, socioloog en semioticus Roland Barthes (1915-1980) zelf wel de aantekeningen van zijn Rouwdagboek zou hebben gepubliceerd die hij na de dood van zijn moeder in 1977 op tientallen fiches schreef. Toen het boek begin vorig jaar in Frankrijk verscheen ontspon zich daar een fel debat over.
François Wahl, zijn vriend en lang zijn redacteur bij de uitgeverij Seuil, hield het voor onmogelijk dat Barthes ze op deze manier aan de openbaarheid zou hebben prijsgegeven. ‘Ze waren niet geschreven’ zei hij, en dat wil in de geest van Barthes zeggen dat er geen vorm aan was gegeven. Anderen vonden dat Barthes in die fase van zijn leven juist uit zijn theoretische cocon aan het kruipen was, en persoonlijker durfde te zijn.
De aantekeningen zijn gepubliceerd zoals ze op de fiches staan: elke notitie krijgt een pagina, soms zijn dat een paar regels, soms vijf of tien. Ze zijn dus niet eenvoudig achter elkaar afgedrukt. Dat kon ook niet veel anders. Achter elkaar gezet zou te veel zijn opgevallen dat het een te monotoon geheel is. Er wordt te weinig in gezegd dat de aandacht vasthoudt. Nu elke notitie een eigen pagina heeft, begin je steeds weer op een verse bladzijde verwachtingsvol te lezen. Die paar regels in die zee van wit geef je het volle pond van je bereidheid het interessant te vinden. Maar wat daar staat is hoogstens fascinerend vanwege die monotonie: het zijn dicht op de huid geschreven seismografische notities van stemmingen: dat hij droevig is, zich verlaten voelt, geen zin meer in het leven heeft. Maar het blijft buitenkant. En alles draait om hem, nergens heeft hij het iets uitvoeriger over zijn moeder.
Hoe plausibel het ook klinkt dat Barthes deze notities niet zelf in deze staat zou hebben uitgegeven; er zijn toch goede redenen te bedenken waarom hij dat wel zou hebben gedaan. Het is nog steeds een beetje vreemd om te zeggen over iemand die zo lang een afstandelijke indruk heeft gemaakt, maar Barthes had een uitermate narcistische persoonlijkheid. En juist hij hield zichzelf als persoon en schrijver lange tijd krampachtig achter: het persoonlijke was burgerlijk, bourgeois.
De familie Barthes
Nadat hij in 1955 de briljante korte essays over Franse culturele eigenaardigheden in Mythologieën had gepubliceerd, was hij tot het midden van de jaren zeventig een ‘structuralist’ en semioticus. Volgens het structuralisme werden mensen veel meer bepaald door grote ideologische en maatschappelijke structuren dan door hun eigen persoon en karakter.
Maar precies in het midden (pagina 112) van het autobiografische, maar in de hij-vorm geschreven boek Roland Barthes door Roland Barthes (1975), treedt een verandering op: het is alsof hij op dat moment tegen zichzelf heeft gezegd dat het uit moet zijn met verstoppertje spelen. Hij zegt dat hij tot die tijd altijd gewerkt had ‘onder de opeenvolgende bescherming van een groot systeem (Marx, Sartre, Brecht, semiologie, de Tekst).’ Nu schrijft hij meer ‘vanuit een ongedekte positie’. Hij is nu ‘overgeleverd aan zichzelf.’
De schrijver van het beroemde essay ‘De dood van de auteur’ begint te merken dat het een illusie is te denken dat je persoonlijkheid bij het schrijven er niet toe doet. De bourgeoisie blijkt toch een aantal charmes te hebben die gered moeten worden. Lange tijd heeft hij het zelfs niet over zijn homoseksualiteit gehad. (Hij vond het lang ‘moedig’ om discreet te zijn). Het is zelfs de vraag of zijn moeder, met wie hij zijn hele leven heeft samengewoond (zijn vader stierf toen hij 1 was), het wel wist.
- De naar buiten afstandelijke Barthes hield zichzelf met een vergrootglas in de gaten
De discrepantie tussen Barthes’ duistere manier van schrijven en zijn onbevangen emoties is dan nog groot, maar het is een onderwerp dat steeds vaker ter sprake komt. Vanaf dat moment begint hij zich ook zorgen te maken over zijn taalgebruik, of het niet te abstract is, niet te intellectualistisch. Het is ook in die tijd (rond 1975) dat er boeken verschijnen waarin zijn ideeën, theorieën en jargon worden aangevallen, en geparodieerd. Daar kan hij niet goed tegen.
De naar buiten afstandelijke Barthes hield zichzelf met een vergrootglas in de gaten. De kleinste wisseling van stemming, de minste verandering van humeur, de fijnste karaktertrekjes, ze worden geregistreerd. Dat geeft vorm aan het Rouwdagboek: ’18 mei 1978. Net als de liefde drukt rouw een stempel van onwerkelijkheid, hinderlijkheid op de wereld, het sociale leven. Ik bied weerstand tegen de wereld, ik lijd onder wat ze van mij vraagt, onder de vragen die ze oproept. De wereld vergroot mijn droefheid, mijn ongevoeligheid, mijn ontreddering, mijn ergernis, enzovoort. De wereld deprimeert mij.’
Geen enkele notitie is van reflecterende aard. Hij haalt geen herinneringen op. Hij kijkt niet terug op wat het leven met zijn moeder al die jaren (ze werd 84) voor hem heeft betekend. Ze was alles voor hem: ‘Mijn hele leven, vanaf de kinderjaren, heb ik het een genot gevonden bij mam te zijn.’
Wanneer hij een foto van haar bekijkt als kind: ‘ik word opnieuw door haar goedheid overvallen, erin ondergedompeld, erdoor overmeesterd, overspoeld.’ Een vriend zei hem bij haar dood: ‘Wie heeft er ooit zo’n mooie liefdesrelatie gezien?’ Maar wie was ze precies, wat was er zo bijzonder aan haar? Er is sprake van haar schoonheid en goedheid, van haar zorg voor zijn gezondheid. Hij schrijft dat ze het vaak over ‘mijn Roland, mijn Roland’ had. Maar we leren haar niet kennen. Dat was ook al zo in Roland Barthes door Roland Barthes. Daarin staan een paar foto’s van hem met zijn moeder, maar geen fragment in dat boek is rechtstreeks aan haar gewijd.
Roland Barthes heeft zich te lang gevangen laten houden in abstracte theorieën die tegen het belang van schrijverschap ingingen. In de jaren voor zijn dood in 1980 was hij zich daarvan aan het losmaken. Hij raakte los van de ‘bescherming van de grote systemen’ en groeide zelfs toe naar het schrijven van een roman. Lange tijd kon hij het alleen maar over vriendschap hebben als een ‘topos’, bijna als een wetenschappelijk onderwerp, niet als iets waar hij persoonlijk mee te maken had. Door het als een ‘interessant onderwerp’ te beschouwen kon hij, schreef hij zelf, ‘ontsnappen aan het veld van de affectie.’
De gevangenis van de theorie waarin hij zat heeft ervoor gezorgd dat hij nooit onbevangen over zijn moeder heeft geschreven, terwijl dat het boek van zijn leven had kunnen worden. Het boek dat hij in 1977 zou samenstellen over de vreugden en de angsten van de liefde in het algemeen, De taal van de geliefden, is zeker een compensatie, maar het blijft een gemiste kans dat de beste kenner van de verhouding moeder/zoon zich heeft laten afleiden door te veel theorieën en zijn gecompliceerde eigenliefde.
Categorie
Literaire Blogs
De Papieren Man
De Contrabas
The Literary Saloon
Perlentaucher
