'Imperial Bedrooms' - Bret Easton Ellis

Clay, de hoofdpersoon uit ‘Less Than Zero’, is terug in de nieuwe roman van Bret Easton Ellis. Hij heeft niks geleerd.
De werktitel luidde botweg Teenage Pussy. Maar Brett Eston Ellis (1964) besloot uiteindelijk, met een verwijzing naar het tweede album van de popartiest Elvis Costello, dat zijn nieuwe roman Imperial Bedrooms moest heten. Wie dat boek leest, begrijpt meteen waarom de tienerkut moest wijken voor de keizerlijke slaapkamers. Ellis richt zich op de machtige welgestelden die kunnen beschikken over jonge meisjes, in hun riante slaapkamers. Dat geeft meteen het verschil aan met zijn debuutroman Less Than Zero (1985), over het decadente bestaan van een groep grenzeloos verveelde, hedonistische adolescenten. Geld en seks waren er voor hen in overvloed, maar nog geen maatschappelijke positie.
In Imperial Bedrooms is het een kwart eeuw later, ons heden dus, en Ellis neemt de draad van toen weer op. Net als in zijn debuut, dat eveneens vernoemd is naar een song van Costello, keert hoofdpersoon Clay terug naar Los Angeles. Net als toen ontmoet hij daar zijn (gewezen) vrienden: Julian, Trent, Blair en Rip. Vijfentwintig jaar later, ouder geworden en nog erger. Ellis besluit zijn nieuwe roman met de tijdsnotering ‘1985-2010’, waarmee hij de eenheid in dit tweeluik beklemtoont. De cirkel is rond.
Oud uitziende tiener
De veertiger Clay is scenarioschrijver in New York geworden. Hij keert terug naar Los Angles om als coproducent mee te helpen bij de casting voor de film die hij eerder van een scenario voorzag. Blair, het meisje wier liefde hij in Less Than Zero niet kon beantwoorden, is gehuwd met Trent, die werkt als producer. De hopeloze en zelfdestructieve Julian leeft ook nog; hij drijft naar verluidt een discreet escortbedrijf dat grossiert in tieneracteurs en -actrices. En hij drinkt niet meer. De dealer Rip is door plastische chirurgie onherkenbaar verbouwd, maar hij behield zijn sinistere fluisterstem. Dat zijn ze, de zetstukken voor het spel begint.
De intrige in Ellis’ sfeerrijke roman drijft op twee verwikkelingen. Eerst het in (meestal versufte) gesprekjes hernomen contact met de oude vrienden, van party naar party. Dan krijgt Clay kennis aan de jonge, talentloze actrice Rain. Via haar belandt hij in een web van paranoia en manipulatie, dat uitmondt in geweld en foltering. Het is ’m kortom weer gelukt, Ellis, om zo’n synthese te scheppen zoals alleen hij dat kan: tussen grotestads-gothic en existentiële onmacht. Nog zwarter dan in Less Than Zero.
Clay heeft zich bijvoorbeeld ontpopt tot een eersteklasklootzak. Narcistisch, zelfgenoegzaam, zonder oog voor anderen. Dat verwijt krijgt hij dan ook vaak in het verhaal: dat de wereld niet alleen om hem draait. Hij heeft niks geleerd in die kwart eeuw, ’s lezers hoop dat het nog goed met hem zou komen bleek ijdel. Clay is hoogstens ouder geworden: ‘Ik zie opeens mijn spiegelbeeld in een spiegel in de hoek van de kamer: een oud uitziende tiener.’
Overal om hem heen, zeker in de filmindustrie waar uiterlijk alles is voor aanstormende acteurs en actrices, ziet hij ‘een mozaïek van jeugd, een plek waar je eigenlijk niet meer thuishoort.’ De omgeving waarin hij verkeert, ontkent die laatste gedachte: zijn generatiegenoten koesteren een te jong uiterlijk voor hun daadwerkelijke leeftijd. Een angstaanjagend detail dat Ellis geraffineerd inzet is steeds weer het zicht op wit gemaakte tanden, die blikkerend oplichten.
De belofte van seks
Ik begrijp dat Imperial Bedrooms onnadrukkelijk ontmenselijking aan de orde wil stellen. Specifiek de ruilhandel tussen zij die het voor het zeggen hebben en zij die iets willen bereiken – in Hollywood, dat uiteraard staat voor de wereld. Clay en zijn vrienden eisen (en verkrijgen moeiteloos) seksuele gunsten van jongens en meisjes, in ruil voor bijvoorbeeld een kans op een auditie. Over de jonge actrice Rain denkt Clay: ‘Ze is gewoon het zoveelste meisje dat zich heeft gered met haar uiterlijk – haar valuta in deze wereld (...).’ En verderop: ‘Het doet er ook niet toe of er werkelijk enige mate van intelligentie aanwezig is, omdat het uiteindelijk om het uiterlijk gaat, het idee van zo’n meisje, de belofte van seks.’ Clay, die steeds antipathieker wordt in het verhaal en karaktertrekjes krijgt van de yuppieseriemoordenaar Patrick Bateman uit Ellis’ meesterwerk American Psycho (1991), exploiteert wat hij noemt ‘behoeftigheid’. Over Rain: ‘Haar behoeftigheid is zo immens dat je erdoor omringd wordt; deze behoeftigheid is zo enorm groot dat je die daadwerkelijk kunt controleren en ik weet dit omdat ik het eerder heb gedaan.’
Dat zijn van kleur ontdane, technisch klinkende woorden om de praktijk van hedendaags vampirisme te beschrijven, die Ellis uitlicht: de donkere kant van de beroemdheidscultuur. Fraai is hoe Ellis dat laat resoneren in zijn (door Clays angst gevoede) beschrijvingen van de buitenwereld. Hij denkt voortdurend gevolgd te worden door een auto, misschien is dat ook wel zo. Ook merkt hij dat er in zijn appartement gesnuffeld wordt. Steeds krijgt hij tekstberichten via de sms, waaruit blijkt dat hij geobserveerd wordt. Waan of werkelijk, dat is niet te zeggen. Tegen Rain die een enge droom had, zegt hij dat dat komt omdat het spookt in het appartementencomplex en dat vampiers zich ’s nachts schuilhouden in de palmbomen rondom het gebouw. Een even gloomy detail als die te witte tanden is het oplichten, via de weerschijn van de mobiele telefoon, van gezichten in donkere kamers. De activiteit van het sms-en vervangt diepgravende vormen van menselijk contact.
De benauwende sfeer komt geheel op conto van hoe Imperial Bedrooms geschreven is: overwegend strak, sober, minimalistisch, suggestief, met af en toe roesmatige erupties. Als vanouds is Ellis weer een meester in het via flarden overbrengen van urban legends of werkelijkheid die te ver weg is om te geloven: ‘Sommige mensen op die party, voegt ze eraan toe, zijn freaks, en ze noemt een drug waarvan ik nooit heb gehoord en vertelt me een verhaal waarin skibrillen, zombies, een autobus, kettingen en een geheim genootschap voorkomen, en vraagt me naar een Latijns-Amerikaans meisje dat is verdwenen.’
Mistige wereld
De schrijver hangt boven zijn boek als een manipulatieve vampier. Een zwarte verschijning tegen een achtergrond van palmbomen. Clay en de zijnen hadden met deze parasiet al leergeld betaald in Less Than Zero. Dát beeld van zichzelf offreert Bret Easton Ellis, die in zijn vorige roman Lunar Park (2005) ook al zijn eerdere status tackelde. Illusies biedt hij niet. En de illusies die er nog waren, zoals de gedachte dat de jongeren in zijn debuut er nog bovenop konden komen, vergruizelt hij. In Imperial Bedrooms toont hij een diffuse, mistige wereld zonder menselijkheid. Geweld en foltering lijken de enige emoties die doordringen.
Het heeft geen zin om te zeggen dat Imperial Bedrooms beter is dan Less Than Zero, ook al draagt dit nieuwe boek de tekenen van een gerijpt schrijverschap: de boeken omkransen en vangen een bestaan – dat van Clay, niet van de lezer. Feit is dat Clay dezelfde is gebleven, ook al werd hij ouder, maar de lezer niet. Die heeft inmiddels kunnen wennen aan amoraliteit, ook in de literatuur.
Een schokeffect krijgt de lezer daarmee niet voor z’n kiezen, wel een innig weerzien met een oude, literaire liefde. n
Bret Easton Ellis, ‘Imperial Bedrooms’, Picador, 178 p., € 14,50; vertaald door Johannes Jonkers als ‘De figuranten’, Anthos, 175 p., € 12,50
Categorie
Literaire Blogs
De Papieren Man
De Contrabas
The Literary Saloon
Perlentaucher
