'Goede tijden' - Edzard Mik

‘Dank je, opruiming’
Soapachtig relatiegewoel in ‘Goede tijden’, maar de eigengereide Edzard Mik gaat verder. Met scherpe blik doorziet hij de menselijke strevingen.
Het regent en het regent maar, het water gutst uit de hemel, in Edzard Miks zevende roman die getooid is met de ironische titel Goede tijden. Directe tijd- en plaatsaanduidingen ontbreken, zoals gebruikelijk bij een parabel, maar uit de naam van een vermaard Maastrichts restaurant, de buiten haar oevers tredende Maas, de ondergelopen huizen en het probleem van de evacués kunnen we opmaken dat Miks verhaal speelt ten tijde van de overstromingen in Limburg eind 1993.
Kleine moeite om een jaartal te noemen, maar dat staat haaks op Miks bedoeling: een verhaal van onze tijd te vertellen, met meer universele strekking. Waarin het grote plenzen een ware zondvloed wordt, ten teken van de ondergangssfeer waartegen het huwelijksdrama van danseres Julia en advocaat Vink zich voltrekt. Zowel de titel en de veelvuldige, abrupte perspectiefwisselingen, alsook de groteske verweving van alledaagse problematiek - liefde, relaties en werk - met narratieve paukenslagen als moord en zelfmoord, verwijzen naar de soap. In dat genre gaat het er gevoelsmatig oncomplex aan toe: het behaviorisme regeert. Mik daarentegen wil juist die vaak moeilijk benoembare complexiteit tonen waardoor geliefden uit elkaar gaan of juist bij elkaar blijven. Dat nogal eens geleidelijke, onzichtbare proces van aantrekken en afstoten, daar gaat het hem om. Vink geniet bijvoorbeeld overspel, iets waar een soap eindeloos en schreeuwerig op zou voortborduren, maar voor Miks echtelieden is dat geen issue.
Ongrijpbaar betekenisvol
Julia en haar voornaamloze partner Vink zijn tegenpolen. Hij is de gekwelde scepticus, die gevangen zit in zijn rol als advocaat. 'Misschien was de enige uitweg je rol met ironie te vervullen en tegelijk je zaken met overgave te doen, jezelf niet serieus te nemen, alleen wat je doet.' De uit Rusland afkomstige danseres Julia verlangt juist zoiets als 'overgave', iets dat we gezien haar orthodoxe geloof en haar gedoe met iconen gerust religieus mogen interpreteren. De derde in het spel is de zelfverklaarde goeroe Sjef Lucius, die een groep devote vrouwen om zich heen heeft verzameld - onder wie Julia.
Een bezwangerde volgelinge is verdwenen en Sjef zou daar meer van kunnen weten. Vink krijgt beroepshalve met die zaak te maken. Dat mij te bedachte thrillerelement in Goede tijden verbleekt naast wat de roman authentiek maakt: het schouwend 'onderzoek' naar de intieme gesteldheid van de protagonisten, Miks poging tot begrip van iets dat zeker voor buitenstaanders onbevattelijk is. En dat in een door natuurkrachten gedomineerde wereld waarin houvast een illusie blijkt.
Als romancier is Mik (1960) altijd ambitieus en eigengereid geweest; van knieval of compromis wil hij terecht niet weten. Zo ook in Goede tijden, waarin het waagstuk technisch goed uitpakt. Toch denk ik dat de grote zeggingskracht van deze roman meer voor het voetlicht was gekomen bij minder vertoon van literaire bouwkunst - die nu het cerebrale karakter van Goede tijden versterkt. Zo pleegt de spil van de roman Sjef vrij snel zelfmoord, door van een flatgalerij te springen. In de twee resterende delen van de roman is hij de verteller die het huwelijk van Vink en Julia probeert te redden; zijn bemoeienis werkt overwegend averechts, zoals hij uiteindelijk inziet: 'Elk goeddoen ontaardde in een struikelen, elk begrip bleek niets dan onbegrip.'
Ook ben ik niet blind voor de vele spiegelingen en gelijkenissen die Mik zorgvuldig heeft aangebracht: zowel Vink als Sjef hebben een problematische relatie tot hun vader. Beiden fungeren in hun directe omgeving - Vink op de rechtbank - als goeroes, zij het dat Vink het arbeidzaam bestaan huldigt en Sjef uit vermoedelijke depressiviteit de Taoïstische leegte. En zo meer in deze doorgeconstrueerde roman zonder rafelranden. Ik mis juist die rafelranden en van mij mag het er minder voorbeeldig en juist schelms en subversief aan toegaan. Met name in Vinks verstoorde relatie met zijn vader, die onverklaard blijft, schuilt een broeierige weerzin die Mik in een volgende roman maar eens duchtig moet exploiteren.
Ik leg de lat bij Mik hoog, omdat lezing van zijn boeken je altijd terugwerpt op de cruciale vraag naar de essentie van literatuur. Dat vermag Mik door via woorden iets te tonen dat niet tot nauwelijks benoembaar is. Maar ook blijven we wel eens achter met de suggestie van iets ongrijpbaar betekenisvols. Veertien jaar geleden debuteerde Mik sterk met de onheilspellende roman De bouwmeester, waarin de architect Felix de opdracht krijgt een gebouw te ontwerpen zonder functie, zonder nut. Dat vervreemdende gebouw krijgt in de loop van het verhaal merkwaardig genoeg toch betekenis. Aldus gaat De bouwmeester over de aanwezigheid van religie in een onttoverde, door efficiëntie geleefde wereld.
In retrospectief, als je Miks oeuvre overziet en dat in een beeld wilt vangen, kom je ook uit op dat ongenaakbare, mysterieuze gebouw uit zijn debuut, dat aan dromen ontsproten lijkt. Intrigerend, want nooit geheel te duiden. Logisch natuurlijk, gezien de aard van het beest: Mik is een schrijver die het meer van zijn ogen dan zijn oren moet hebben. Meer een voyeur dan een auditeur. Die verheven adelaarspositie in de schrijvershiërarchie manifesteert zich in de scherpe, in heldere taal gestelde observaties, waardoor het hem lukt het decor een onheilszwangere lading te geven. Maar de voyeur is ook familie van de ziener en zulk schouwen gebeurt van grote hoogte, waardoor er iets kils, inhumaans en soms steriels in kan sluipen. Mensen zijn nietige insecten vanuit dat perspectief. Zeker als dat niet gerelativeerd wordt door hoorbare taalmuziek in de stijl. Dit geldt in extenso voor De bouwmeester, waarmee Mik onbevangen de literatuur betrad.
In de loop van zijn oeuvre heeft Mik die zienersblik meer en meer gericht op het menselijk innerlijk, op de psychologie van zijn personages. Dat gebeurt vaak apodictisch, zonder voorspel; de ziener is dan iemand die door-ziet. Zoals de in het voorgeborchte verkerende verteller Sjef Vinks fascinatie voor Julia transparant maakt: 'Het beangstigde hem [Vink, JV] maar hij was er ook aan verslaafd, hij moest er steeds weer naar terugkeren; haar geloof was zijn verdwijnpunt en hij besefte dat hij ten diepste met haar verbonden was door wat hen nooit zou kunnen binden.'
Een andere manier tot vermenselijking is Miks interesse voor relatiegewoel. Daar zit hij dicht op, met open oog voor de minder aangename aspecten. Op een gegeven ogenblik gaan Vink en Julia wat kleren uit hun ondergelopen huis redden. Scène uit een huwelijk:
'"Is dit nog wat?" vroeg ze, en ze toonde een zwarte blouse met ruches. "Doe maar," zei Vink, "voor als we een feestje geven," en hij zag dat ze haast doorschijnend was van ellende.'
In dat wat ik als noemer maar het door-zien van menselijke strevingen noem, excelleert Mik - op een doorborende wijze die ik vooral ken uit films als Mike Nichols' Closer of Abel Ferrara's Dangerous Game. Films waarin mensen elkaar pijnlijk op de huid zitten, naar de vernieling helpen, gevangen raken in hun eigen woorden en hersenschimmen. Na afloop ben je blij dat de nacht nog jong is, want wat we aan zware waarheden voor de kiezen kregen, eist verwerkingstijd. Toch weet Mik dat murwmakende effect te vermijden. Doordat hij zijn stuwende existentiële roman laat uitmonden in een berustende lofzang op de alledaagse banaliteiten die we intimiteit noemen. 'Mooie jurk,' zegt Vink tegen Julia. 'Dank je, opruiming,' reageert ze. Toch nog goede tijden.
Categorie
Literaire Blogs
De Papieren Man
De Contrabas
The Literary Saloon
Perlentaucher
