Carel Peeters' literaire kroniek 16.07.2010

Door Carel Peeters

‘Wat betekent de huidige verrechtsing voor de Nederlandse literatuur? Hoe reageren schrijvers op de opmars van rechts-populistische partijen? Voelen zij zich gedwongen om zich in hun werk (explicieter?) uit te laten over de politieke actualiteit, of houden zij juist vast aan een strikt autonome literatuuropvatting?’, vraagt de redactie van het literaire tijdschrift Parmentier zich af in de inleiding bij het ‘Dossier Rechts’ dat het grootste deel van het zojuist verschenen nummer (juni 2010) beslaat.

Interessante en suggestieve vragen, maar toch grotendeels van louter retorische aard. Geen enkele schrijver reageert rechtstreeks op die ‘verrechtsing’, en al helemaal niet meteen in een roman of verhaal. Het is zoals Ger Groot in zijn bijdrage schrijft: kunst en literatuur verbeelden de werkelijkheid, ‘maar de zeggingskracht daarvan is niet die van de geschreeuwde leuze. Ze wordt slechts krachtig op de lange duur, doordat ze hardnekkig en aangrijpend blijft aandringen op het gemoed van een kijker of lezer, die daartoe eerst uit het heetst van de strijd moet worden weggetrokken.’

De vragen van de redactie fungeren in dit tijdschrift meer als kapstok voor essays en artikelen over literair engagement in het algemeen, over het verschil tussen Geert Wilders’ partij en het Vlaams Belang, en voor beschouwingen over de vorm die het engagement bij dichters als Ramsey Nasr en schrijvers als Leon de Winter aanneemt. En over de betekenis van de ombuiging van het begrip ‘populisme’ door de Vlaamse essayist David van Reybrouck tot links en ‘verlicht populisme’ als antwoord op de afgeworpen ideologische veren van links: door hernieuwde aandacht voor de verwaarloosde onderklasse.

Wanneer over de Nederlandse grenzen wordt gekeken naar landen met een bewogen politieke geschiedenis, is het engagement natuurlijk niet over het hoofd te zien. Een jarenlang voor de cultuur opgegeven land als Roemenië blijkt in het artikel van Lucas Hüsgen nu een bron van literaire vernieuwing met onvermijdelijk het nodige engagement: de nu in Berlijn wonende Nobelprijswinnares Herta Müller komt er vandaan en kijkt in haar romans geëngageerd terug op het spannende leven dat ze daar ontvluchtte. En ‘de hedendaagse grootmeester van het Roemeense proza’, Mircea Cartarescu, wil niet dat zijn werk politiek geïnterpreteerd wordt, maar hij geeft er wel alle aanleiding toe. Er zijn heel wat Roemenen (al dan niet gevlucht) die een geduchte rol in de Europese cultuur hebben gespeeld: de dadaïst Tristan Tzara zorgde ervoor dat Roemenië zijn bijdrage leverde aan de internationale avantgarde. De dichters Paul Celan en Oskar Pastior werden in Roemenië geboren, net als de cynisch-pessimistische filosoof Emil Cioran.

- De ‘laaggeschoolden’, zoals Van Reybrouck ze noemt, moeten weer in de samenleving geïntegreerd worden om Geert Wilders en het Vlaams Belang de pas af te snijden.

Als de filosoof in het gezelschap verbaast het Ger Groot niet dat na een linkse periode in de geschiedenis (de jaren zestig tot en met de jaren tachtig) er in de jaren negentig een periode van verrechtsing is opgetreden. Alsof het een natuurwet is. Toch geeft hij in beknopte vorm een aardige analyse van wat zich heeft afgespeeld, speciaal sinds de afgeschudde ideologische veren van Wim Kok. Volgens Groot heeft de sociaal-democratie zich in de jaren negentig afgewend van ‘de zorg voor de volksverheffing’ en traden er nieuwe linkse thema’s op die het speeltje waren van de nieuwe, hoog opgeleide generatie: feminisme verdrong de zorg voor de oorspronkelijke achterban, het politiek-neutrale milieubehoud verdrong de aandacht voor de problematische wijken en het ‘culturalisme’ (iedereen zijn eigen cultuur cq subcultuur) verdrong de gemeenschappelijke cultuur.

De oorspronkelijke traditionele achterban van de sociaal-democratie had wel gedeeld in de toegenomen welvaart, maar de emancipatie was nog niet afgerond. Zij gingen zich hechten aan hun verworvenheden, schrijft Groot: ‘Sociaal-economisch maakte hun revolutionaire geest dan ook gaandeweg plaats voor de behoudzucht van de middenklasse waarin zij grotendeels waren opgenomen.’ Groot heeft het over ‘deze nieuwe klasse’. Die zou gekenmerkt worden door tegenstrijdigheden: ze is zowel liberaal als behoudend, hecht aan vrijheid van handelen, maar is geneigd tot beknotting als het om veiligheid en fatsoen gaat. Die is voor vrijheid van meningsuiting, maar bij elke onwelgevallige bewering loopt ze naar de rechter. Die betutteling afwijst, maar aan de lopende band zijn recht probeert te halen. Volgens Groot is deze ‘intern contradictoire en onstabiele beweging’ geen lang leven beschoren. Apocalyptisch wil hij de toekomst niet noemen, maar zorgwekkend wel omdat links er niet in slaagt zichzelf ‘ als een serieus te nemen factor opnieuw in het spel te brengen.’

Maar voor die nieuwe rol van links had David van Reybrouck nu juist zijn remedie bedacht in zijn Pleidooi voor populisme uit 2008. De oorspronkelijke achterban van de sociaal-democratie is zich verweesd gaan voelen, door gebrek aan aandacht voor haar problemen, en door een te veel aan onbekende cultuur om hen heen door te veel emigratie in een te korte tijd.

De ‘laaggeschoolden’, zoals Van Reybrouck ze noemt, moeten weer in de samenleving geïntegreerd worden om Geert Wilders en het Vlaams Belang de pas af te snijden. Hij is voor een ‘verlicht populisme dat het ideaal van wereldburgerschap niet onverzoenbaar acht met het verlangen naar een sense of belonging, een populisme dat een ontworteld kosmopolitisme even problematisch vindt als een geborneerd nationalisme.’ Ook Van Reybrouck kan het kennelijk niet zonder de vereniging van schijnbaar onverenigbare grootheden: kosmopolitisme en nationalisme.

[reageren]

The Literary Saloon