
Henri Matisse had door de jaren heen verschillende studios, maar altijd zorgde hij er voor dat een verzameling doodgewone objecten waaraan hij gehecht was met hem mee verhuisde. Stel je een vlooienmarkt voor waar iemand de armzaligste, lelijkste en onaanzienlijkste vazen, vaasjes, schaaltjes, potjes, kannen, kopjes en glazen bij elkaar heeft gezet: prullen die op het laatste moment aan de vergetelheid van de vuilnisbak zijn ontrukt. Een verzameling zieligheid. Maar ze zijn wel allemaal anders van formaat, vorm, materiaal en decoratie. Daar moet het Matisse vooral om te doen zijn geweest.
De Russische fotografe Hélène Adant heeft deze wonderlijk lelijke verzameling gefotografeerd toen Matisse in de jaren 1943 tot 1948 in de villa Le Rève bij Vence in Zuid Frankrijk woonde. In het boek (Matisse at villa Le Rève, tekst van Marie-France Boyer) worden de foto’s geflankeerd door tekeningen die Matisse ervan maakte. Wil je weten hoe groot het verschil kan zijn tussen de werkelijkheid en de kunst die ervan gemaakt wordt, dan geven deze foto’s en tekeningen uitsluitsel.
De tekeningen leiden een volslagen zelfstandig leven. Je gelooft niet dat zulke lelijke en onooglijke objecten de basis voor deze geraffineerde tekeningen zijn geweest. Voor Matisse zijn die voorwerpen kennelijk slechts opstapjes, aanleiding om zijn pen te laten bewegen en een superieure schetsmatige tekening (of schilderij) te maken met een compleet andere sfeer. Elk voorwerp op de tekeningen is er louter en alleen vanwege de vorm, de rest doet er niet toe. De vormen van de voorwerpen bepalen de compositie.
Zo is Matisse altijd te werk gegaan: iets uit de werkelijkheid was de aanleiding, maar wat er uit ontstond kwam geheel op zichzelf te staan. In Le Rève had Matisse een surrealistische stoel waarvan de zitting en de rug bestonden uit een soort grote schelpen met een parelmoeren glans. In het schilderij dat hij ervan maakte is nauwelijks nog iets van de stoel te herkennen, alleen de vorm en de gekrulde armleuningen herinneren er nog vaag aan, de kleuren (geel en groen) al helemaal niet: een complete transformatie.

Deze radicale transformatie van de werkelijkheid tot iets geheel nieuws is het eerste wat opvalt oog in oog met de schilderijen van Matisse op de tentoonstelling Matisse tot Malevich in de Hermitage in Amsterdam. Daar hangt prominent De rode kamer, het grote schilderij (180 x 220 cm) dat ook wel Harmonie in rood wordt genoemd. De rode tafel waarop schalen, karaffen en fruit liggen, gaat zonder overgang over op het rood van de muur: het is één plat vlak dat je ziet, zonder diepte, terwijl er toch voorwerpen op de tafel staan.
Matisse wilde de illusie van de driedimensionaliteit af, hij wilde met kleuren componeren, geen werkelijkheid en diepte suggereren: ‘Door illusionisme ontneemt de kunstenaar zichzelf de mogelijkheid om de zichtbare werkelijkheid op het doek te transformeren tot een nieuwe, ideale werkelijkheid met een eigen kracht van lijn en kleur, met een eigen harmonie’, zoals Henk van Os de woorden van Matisse uit zijn aantekeningen van 1908 parafraseert in de catalogus.
Verbazingwekkend is ook dat een van de belangrijkste decoratieve elementen op De rode kamer afkomstig is van een soort blauw geschilderde hertengeweien op de rode stof. Dat zijn vormen waarvan je niet zou kunnen bedenken dat ze op zo’n modern plat schilderij voor het gewenste effect zorgen. Dezelfde rare blauwe vormen, maar nu op een lichtblauwe ondergrond, zijn bepalend voor Stilleven met blauw tafelkleed. Matisse is in zijn stillevens een moderne Chardin. In Stilleven met serviesgoed en fruit (1901) weet hij net als Chardin met een paar verfvlekjes (die een bloemdecoratie op een schaaltje suggereren) de hele sfeer van het schilderij te bepalen.
Op de foto’s van Hélène Adant zit Matisse in 1945 nog steeds (hij is dan al ver in de zeventig) in alle rust revolutie maken in de schilderkunst: hoed op, witte stofjas aan. In de Hermitage is vooral werk uit het begin van de eeuw te zien (1900-1910), maar ook in die tijd durfde hij al alles: als fauvist (wilde) gaf hij alle kleuren een nieuwe kleur. Hij schiep een nieuw rood, en ook zijn blauw en groen bestonden niet eerder. Hij durfde effectief slordig te schilderen (zoals op Dame op het terras die hier te zien is, een olieverfschets waar niets meer aan gedaan mag worden).
Durfers, dat waren Sergej Sjtsjoekin en Ivan Abramovitsj Morozov, de twee Russische textielhandelaren die in het begin van de eeuw dit werk van Matisse, Picasso en anderen kochten en in hun barokke paleizen ophingen. Tot schrik van hun gasten, die er soms wel om wegbleven: ze wilden niet dineren in een kamer waarin drie rijen dik zulke waanzinnige schilderijen hingen: van Matisse, Picasso, Manguin, Valtat, Kandinsky, De Vlaminck, Derain, Puy, Van Dongen, Malevich, Rouault. Soort zocht soort: durfers zochten durfers.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
