Carel Peeters' literaire kroniek 23.04.2010

Door Carel Peeters

Ludwig Wittgenstein (1889-1951) is een van die filosofen geworden die voor alles gebruikt kunnen worden. Neem een onderwerp met een filosofische kant of hij heeft er wel iets over opgemerkt in zijn werk of aantekeningen. Hoe weinig en terloops ook, het kan aanleiding zijn voor essays of boeken over Wittgenstein en de pedagogie, ethiek, esthetiek, cultuur, psychologie, antropologie, kennis, wiskunde, logica en zelfs het hang en sluitwerk van een huis (hij ontwierp een huis voor zijn zuster in Wenen). Zijn boek Vermischte Bemerkungen (Losse opmerkingen, in 1964 postuum uitgegeven) biedt hiervoor veel aanknopingspunten. Minder voor de hand ligt het om Wittgenstein bij politieke denkbeelden te betrekken, aangezien hij geen enkel politiek geschrift heeft nagelaten.

Vandaar de verbazing om Wittgenstein aan te treffen in een boek over conservatieve denkers uit de twintigste eeuw. In het deze week verschenen en door Thierry Baudet en Michiel Visser samengestelde Conservatieve vooruitgang duikt Wittgenstein op tussen de ideeën van onomstreden conservatieven als T.S. Eliot, Leo Strauss, C.S. Lewis, Friedrich von Hayek en Johan Huizinga. Maar Wittgenstein is veel te grillig en te non-conformistisch om voor conservatief door te gaan. Hij onttrok zich aan alle bekende patronen. Wanneer Wittgenstein zich aangetrokken voelt tot het ideaal van Leo Tolstoi van een eenvoudig, vroom en authentiek landleven heeft dat niets met conservatisme te maken, maar alles met zijn speciale geest, die er ook voor zorgde dat hij op een onmogelijke locatie aan een noordelijk fjord een blokhut bouwde en zich daar maanden achtereen terugtrok.

In zijn portret van Wittgenstein in Conservatieve vooruitgang legt Walter Van Herck er de nadruk op dat Wittgenstein de taal als een sociaal gegeven zag: dat iedereen terecht komt in een taal die al lang bestaat. Het bedenken van een privétaal heeft geen zin, want niemand zou je begrijpen. Dat Wittgenstein de nadruk legde op de taal als een bron van gemeenschappelijke ervaring van eeuwen wil natuurlijk niet meteen zeggen dat dit typisch is voor zijn conservatisme. Wittgenstein is hierin helemaal niet uniek. Dan zou je Noam Chomsky ook wel conservatief kunnen noemen. Wittgensteins taalfilosofie is wel in allerlei andere opzichten uniek, maar die hebben weer niets te maken met politieke denkbeelden.

- Welke eigenschap is het belangrijkste voor kinderen: verwondering of vertrouwen hebben (in volwassenen)?

Dat Wittgenstein vond dat een taalgemeenschap het individu ‘constitueert’, zoals Van Herck schrijft, wil nog niet zeggen dat Wittgenstein meteen zou voldoen aan een van de karakteristieken van het conservatisme: ‘verzet tegen een individualistische visie op het individu.’ De ‘taalgemeenschap’ waar mensen toe behoren is nog geen gemeenschap in het algemeen. Binnen die taalgemeenschap kun je er nog heel goed ‘een individualistische visie op het individu’ op na houden. Wittgenstein heeft zich bij mijn weten nooit over individualisme uitgelaten.

Wittgenstein zou met de conservatieve filosofie gemeen hebben dat hij voorrang gaf aan gewoonten boven algemene principes. Ervaring is essentieel, een organische, historische ontwikkeling is beter dan iets dat gemaakt en geconstrueerd op basis van algemene principes die nog maar moeten bewijzen in hoeverre ze toegesneden zijn op de werkelijkheid en de praktijk. Wittgenstein ‘dringt er voortdurend op aan ons denken te spijzen met zo veel en zo verschillend mogelijke voorbeelden,’ schrijf Van Herck. Deze terugkeer naar het bijzondere en unieke waar Wittgenstein op uit zou zijn, is niet iets exclusief conservatiefs. Hij heeft het gemeen met filosofen die allerminst van conservatieve snit zijn, zoals de Fransen Gilles Deleuze en Jean-François Lyotard, die allebei wilden dat de werkelijkheid zo dicht mogelijk bij het ‘singuliere’, bij het bijzondere, en niet bij het algemene werd gezocht.

Wittgenstein zou ook veel belangwekkends hebben geschreven over opvoeding dat goed in het conservatieve straatje zou passen. Maar veel meer dan één citaat om dat te onderbouwen heeft Van Herck niet. Welke eigenschap is het belangrijkste voor kinderen: verwondering of vertrouwen hebben (in volwassenen)? Wittgenstein zou ‘vertrouwen’ geantwoord hebben, want een kind zou pas iets leren als het volwassenen vertrouwt: ‘Das Kind lernt, indem es dem Erwachsenen glaubt. Der Zweifel kommt nach dem Glauben.’ Het tweede deel van dit citaat is niet onbelangrijk, omdat het aangeeft dat het Wittgenstein vooral ging om een methodische kwestie: om iets in twijfel te kunnen trekken moet je eerst ergens iets in gezien hebben. Van Herck concludeert uit het citaat dat Wittgenstein voor ‘vertrouwen en volgzaamheid’ bij kinderen zou zijn.

Voor lezers van Willem Frederik Hermans is het wat eigenaardig om Wittgenstein hier ineens te zien verschijnen als iemand die ‘vertrouwen’ zo belangrijk vond. Hermans, die in Nederland als een van de eersten over Wittgenstein en zijn ‘levensvorm’ heeft geschreven, stond niet bekend vanwege zijn vertrouwen, maar vanwege de paranoia in zijn werk. Ook in het dagelijks leven was vertrouwen niet de deugd waar Hermans het meest vertrouwen in had.

 

[reageren]

The Literary Saloon