
Je kunt beter meteen ophouden met lezen wanneer iemand zich weer eens gaat afvragen wat nu eigenlijk een essay is. In het februarinummer van het Amerikaanse tijdschrift The Believer wordt het essay ‘het roodharige stiefkind van de literatuur’ genoemd. Dat is een manier om te zeggen dat het een probleemkind is. Maar het essay zelf is helemaal geen probleem, het probleem ligt bij de lezers die er moeilijk over doen, omdat ze niet meer geleerd is om verder dan impressionistisch te denken.
Een essay is een met een zekere elegantie geschreven niet al te lange beschouwing over willekeurig welk onderwerp dat zijn gewicht krijgt door de boeiende behandeling van de schrijver. Er wordt een idee in uitgewerkt dat de schrijver zelf heeft bedacht. Hij hecht aan het idee als een eigen uitvinding, wat blijkt uit de persoonlijke, maar niet al te persoonlijke toon van het essay. Hij smeert zijn ik niet over de pagina uit.
Verloren bronnen
Dat in een essay een gedachte of idee uitgewerkt moet worden is niet het criterium van John D’Agata, de samensteller van de nieuwe kloeke bloemlezing The Lost Origins of the Essay. Bij deze intrigerende titel vraag je je onmiddellijk af wat dan wel de verloren bronnen van het essay mogen zijn.
Maar daar heeft D’Agata het in zijn inleiding helemaal niet over. Hij heeft het over de Sumeriërs die zes duizend jaar voor Christus wel de halve beschaving uitvonden, maar nog in de feiten bleven steken als ze iets opschreven. En over Plinius, die met zijn Naturalis Historia alleen maar een ordinaire encyclopedist was, de vader van ‘information age’. Dat zou ook verklaren waarom de Romeinen nooit belangrijke essays hebben geschreven.
Door zich zo af te zetten tegen feiten wordt begrijpelijk waarom D’Agata voor zijn bloemlezing op zoek is geweest naar, zoals hij zegt, kunst (‘I am here is search of art’). Dat zou dan de verloren bron van het essay zijn: dat het ooit kunst was, maar nu niet meer. In een van zijn kleine inleidingen bij de essays zegt hij dat een essay ons niet moet informeren, maar transformeren. Dat is aardig bedacht, maar is het ook de bedoeling van een essay? In ieder geval moet D’Agata het essay erg uitrekken om ruimte te maken voor zijn kunstzinnige essay: hij wil dat er ook persoonlijke ontboezemingen, losse gedachten, een reeks stellingen, verhalen en gedichten onder vallen. D’Agata blijkt op zoek geweest te zijn naar poëtische en lyrische teksten, niet speciaal essays. Hij wil dat een essay ‘a true expression of one’s dreams, ideas, or fears’ is. Dan hebben we niet echt te maken met een essay, maar met poëtisch proza.
Kiezelstenen
D’Agata wil een alternatief bieden tegen beschouwingen waarin alles draait om feiten en informatie. Het is waar dat het in een essay niet meteen om feiten en informatie gaat, maar een essay kan ook niet zonder. Er moet een basis van werkelijkheid in zitten, het moet niet alleen impressie en expressie zijn.
Eigenlijk doet het er natuurlijk niet zo veel toe waar D’Agata naar op zoek was, als hij maar boeiende en mooie essays heeft gevonden. Dat is maar tot op zekere hoogte het geval. Het zijn bijzondere teksten, maar essays zijn het lang niet altijd. Ze passen in het werk en de wereld van de betreffende schrijver, maar ze krijgen hier wel iets willekeurigs. Het zijn kunstzinnige, solipsistische teksten in heel verschillende vormen: monologen, fragmenten, ontboezemingen en geïnspireerde literaire exclamaties.
Het is meer dichterlijk proza dan essay. Daar is niets mis mee, behalve dat je je moet instellen op een andere manier van lezen. Je verwacht een essay en je krijgt een lang gedicht van Mallarmé. Je verwacht in een bloemlezing van essays niet een lang Paul van Ostayen-achtig gedicht met een fantasierijke vormgeving van Kamau Braithwaite, de dichter uit het Caribisch gebied. Het is onzin om de tekst van Marguerite Duras over haar grillige geliefde een essay te noemen. De teksten van Julio Cortázar met instructies hoe een horloge op te winden of een schilderij te bekijken zijn leuk, maar geen essay. Er staat een fascinerende beschouwing in over kiezelstenen en rotsen van Francis Ponge. En grote stukken uit het gedicht The Marriage of Heaven and Hell van William Blake. Arthur Rimbaud is ook vertegenwoordigd met fragmenten uit Seizoen in de hel. Het vijftig pagina’s tellende essay van Montaigne over gedichten van Virgilius maakt hier een vreemde indruk. De stukken van Yourcenar, Borges, Octavio Paz, Pessoa, Artaud en Beckett hebben allemaal hun eigen charme, maar hier staan ze in een te willekeurig verband. Baudelaire duikt op met een korte tekst waarin hij maar blijft zeggen dat je altijd dronken moet zijn omdat anders de last van de tijd je rug zal breken.
Stiefkind
D’Agata doet alsof er nog nooit eerder bloemlezingen zijn gemaakt met goed geschreven essays die ook kunst genoemd mogen worden. Ik denk aan The Art of the Personal Essay van Phillip Lopate uit 1994. Dat begint ook bij de bronnen, dus ook bij Seneca, Plutarchus en de Japanse Sei Shonagon (van The Pillow Book). Aan zijn keuze (van Montaigne tot Baldwin, Vidal, Barthes, Thurber en M.F.K. Fisher) is te zien dat het kunstzinnige karakter van het essay helemaal niet verloren is gegaan. Maar speciaal dichterlijk proza kiest hij niet, dat behoort toch in een ander soort bloemlezing thuis. Je zult het ook niet vinden in The Oxford Book of Essays van John Gross of The Penguin Book of Twentieth Century Essays van Ian Hamilton (de biograaf van J.D. Salinger), laat staan in Joost Zwagermans De Nederlandse en Vlaamse Literatuur vanaf 1880 in 200 essays. Het essay heeft daarin al het aantrekkelijke van een roodharige, maar een stiefkind is het niet.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
