Carel Peeters' literaire kroniek 13.09.2010

Door Carel Peeters

Het eerste wat opvalt in het boek Aan mijn voormalig vaderland met ‘de beste essays en kritieken’ van de vorig jaar overleden Michaël Zeeman is de aangename wendbaarheid van zijn geest. Hij schiet van de schilderijen van Vilhelm Hammershøi naar de gedichten van Antje Krog, van Casanova naar de Deense Leonardo da Vinci Tycho Brahes. Nu is die wendbaarheid op zichzelf niet meteen een verdienste: je zou over van alles en nog wat kunnen schrijven, juist omdat je persoonlijke betrokkenheid er minimaal bij is. Dan kun je rustig wendbaar zijn, maar ben je wel vooral een virtuoos. Het wordt iets anders wanneer je er in slaagt om je al die onderwerpen ook toe te eigenen. Dat is wat Zeeman lukt, en de reden dat Aan mijn voormalig vaderland zo’n rijk boek (van zevenhonderd pagina’s) is.

Dat Zeeman uiteindelijk in Rome belandde en Nederland ging zien als zijn voormalig vaderland was een logisch gevolg van zijn ontwikkeling als schrijver en intellectueel. Ook al behield hij een opmerkelijk gevoel voor het lokale (hij schreef bijvoorbeeld een mooi stuk over de geschiedenis van zijn geboorteplaats Marken), Nederland werd hem uiteindelijk te klein. Zeeman kon zich met recht Europeaan en kosmopoliet noemen omdat hij van alle landen en steden die hij bezocht ook iets wist. Hij kende de belangrijkste schrijvers, had hun boeken gelezen, wist van hun geschiedenis. Bovendien was hij behept met een overrompelende nieuwsgierigheid en zucht naar kennis om overal waar hij kwam beslagen ten ijs te komen.

Zeeman had een benijdenswaardig soort actieradius. Die was breed en diep, nuchter en kwetsbaar. Breed vanwege zijn omnivore belangstelling, diep omdat hij altijd dichter bleef, altijd terugkeerde naar de bron. Hij was intellectueel en dichter. Hoe werelds hij ook uitvloog, hij bleef gevangen in zijn eigen geest en emoties. In alles wat hij schreef zat een lyrisch element. Hoe hij ook geklonken was aan alles wat zich dagelijks in de wereld en de literatuur voordeed, er moest voor hem altijd op een of andere manier met de eeuwigheid rekening gehouden worden.

- ‘Wat koude kernfusie is in de natuurkunde, is dit genre in de literatuur’

Dat kan een grote onmogelijke greep lijken, maar het was een onderdeel van zijn dubbele manier van denken: het ging hem altijd om het dagelijkse en het eeuwige, het lokale en het kosmopolitische, om het individuele en algemene, om het nuchtere en het lyrische. ‘De literatuur’, schreef hij, ‘legt er zich op toe de eeuwigheid, het unieke te ontwaren in telkens individuele mensen.’ Je ziet die dubbelheid ook terug in zijn stijl: die reikt van zinnen waarin oud-testamentische bewoordingen worden gekoesterd, tot apodictische formuleringen waarin hij bewust een vleug arrogantie liet meeklinken, zoals in deze zin in een essay over het dagelijkse misverstand dat de economie belangrijker zou zijn dan de literatuur: ‘De economie is immers welbeschouwd niets anders dan de wetenschap die zich bezighoudt met het tellen van andermans geld en het achteraf verklaren van hun kastekorten.’

De rijkdom van Aan mijn voormalig vaderland ontstaat ook doordat het een opeenstapeling bevat van stukken over interessante schrijvers waar hij met inzicht en prikkelend enthousiasme over schrijft. Wanneer je die stukken overziet blijkt dat tot Zeemans persoonlijke canon vooral schrijvers behoren die niet bang zijn om morele dilemma’s aan te snijden. Ze hebben precies de voor Zeeman wenselijke dubbele kijk op de werkelijkheid: het moet gaan om individuele levens die te maken krijgen met grote culturele, politieke of religieuze conflicten waarin ze zich een houding moeten bepalen: zie het werk van Philip Roth, Alexander Tisma, Bohumil Hrabal, Curzio Malaparte, W.G. Sebald, Saul Bellow, Orhan Pamuk en Amos Oz. De romans van deze schrijvers zijn laboratoria waarin de menselijke emoties en het oordeelsvermogen worden getest. Ze krijgen te maken met morele conflicten waardoor hun existentie op het spel komt te staan, zoals in Kaputt en De huid van Malaparte, of The Plot Against America van Roth (‘wat koude kernfusie is in de natuurkunde, is dit genre in de literatuur’). Heel vaak moet Zeeman in zulke gevallen schrijven, zoals hij deed naar aanleiding van Pamuks Het huis van de stilte, dat de ‘schrijver geen oplossing biedt, hij kan hooguit het dilemma zo scherp mogelijk verbeelden.’ Dat komt ervan als je je, zoals Zeeman, zo bewust bent van het menselijke en het metafysische tekort.

Aan mijn voormalig vaderland is uitgegeven door De Bezige Bij

[reageren]

The Literary Saloon