Carel Peeters' literaire kroniek 25.10.2010

Zowel Arnon Grunberg als Kees van Kooten schrijven in het boek Wat we missen kunnen dat er weinig behoefte is aan verzamelbundels en bloemlezingen als Wat we missen kunnen. Het zijn boeken met bijdragen rond één thema waar je wel het een en ander in leest, maar nooit alles. En daarna zet je het in de kast om er nooit meer naar om te kijken. Van Kooten heeft al aan tweeëndertig van zulke boekjes meegewerkt en ‘er staat in al die boekjes niet één artikeltje van mijn hand waar ik mij achteraf niet voor schaam’.
Toch is het genre van de bloemlezing hiermee niet afgeschreven. Er bestaat een tijdschrift dat vier keer per jaar verschijnt in de vorm van een bloemlezing uit het interessantste, boeiendste en mooiste wat er over het gekozen thema is geschreven, van de vroegste tijden (de voorsocratici) tot in onze eigen tijd (Joan Didion). Dat is het Amerikaanse tijdschrift Lapham’s Quarterly.
Lapham’s Quaterly, A magazine of History and Ideas is, hoewel prachtig vormgegeven, het voorbeeld van een niet behaagziek tijdschrift. Het bestaat uit veel tekst en allerzorgvuldigst gekozen illustraties, meer niet. Geen advertenties. Een tekst uit het jaar 325 wordt gevolgd door een uit 1954, gevolgd door een uit 1666. De illustraties zijn bij voorkeur geen aanvulling op de tekst, maar staan op zichzelf, al hebben ze alles met het thema te maken. Deze manier van presenteren zorgt er voor dat oude teksten niet gelezen worden met het vooroordeel dat het maar oude teksten zijn. In het zojuist verschenen herfstnummer met als thema The City staat een fragment uit 325 n. Chr. over de tot het christendom bekeerde keizer Constantijn die Constantinopel tot een luisterrijke stad ombouwde, bijna net zo planmatig als later Peter de Grote in de achttiende eeuw Sint Petersburg.
- Kafka over Praag, Orhan Pamuk over Istanbul en Pessoa over Lissabon.
De pagina’s waarop de medewerkers aan elk nummer worden geïntroduceerd vermelden namen en de gezichten van Samuel Pepys (17e eeuw), Hans Christiaan Andersen (19e eeuw), Ralph Ellison (20e eeuw), Sofocles (4e eeuw v. Chr), Friedrich Engels (19e eeuw) en Groucho Marx (20e eeuw). Elk fragment verplaatst je in de tijd, in de geest van een bepaalde schrijver en naar een bepaalde stad. Ze zijn alle drie even belangrijk. Omdat elk stuk op zichzelf staat krijgt het als fragment iets uitverkorens. Groucho Marx wilde in 1946 een film maken met de titel A Night in Casablanca waarin de hoofdrollen zouden worden vervuld door Casablanca, Humphrey Bogus en Lowan Behold. Dat mocht niet van Warner Brothers, de eigenaars van de film Casablanca met Humphrey Bogart. Groucho Marx wil er in zijn brief aan Warner Brothers niet te veel woorden aan vuil maken, maar hij hoopt wel dat Warner Brothers binnenkort niet ook het woord ‘Brothers’ exclusief gaan claimen, want zou dan zouden de Marx Brothers wel eens met een advocaat kunnen aantonen dat zij eerder Brothers waren dan de Warner Brothers.
Waarmee, met deze brief, maar gezegd wil zijn hoe verrassend divers de fragmenten over steden zijn in dit nummer van Lapham’s Quarterly: Kafka over Praag, Orhan Pamuk over Istanbul, Pessoa over Lissabon, Michael Boelgakov over Moskou, Balzac over Parijs, Flaubert over Thebe, Dostojewski over Sint Petersburg, Aristoteles over Athene, Albert Speer over Neurenburg, Borges over Buenos Aires. Hoe de ondergang van het Romeinse Rijk werd voorbereid door de manier waarop in Rome decadent werd geleefd is hier te lezen in een fragment van Marcellinus uit 390 n. Chr., een tekst waar Edward Gibbon zich onder meer op baseerde voor zijn grote boek over het Romeinse Rijk. En hoe zag Mekka er uit in 1326, zoals beschreven door Ibn Battuta? Of Parijs door de ogen van Irène Nèmirovsky. Glasgow door de ogen van Adam Smith (de profeet van de vrije markt én morele sensibiliteit in zakendoen). Shanghai gezien door J.G. Ballard. Charles Dickens die door de mist nog iets van Londen probeert te zien.
Lapham’s Quarterly is genoemd naar de redacteur en uitgever Lewis H. Lapham. Hij begon het blad in de lente van 2008 nadat hij jaren redacteur was geweest van Harper’s Magazine. Inmiddels zijn er twaalf nummers van ruim tweehonderd pagina’s verschenen met als thema’s Eros, Travel, Book of Nature, Crimes & Punishments, Arts & Letters, Money, Ways of Learning. Lapham schrijft in elk nummer een inleidend essay (een Preamble). Zijn inleiding voor het nummer over geld is een goed voorbeeld van de manier waarop door Lapham’s Quarterly naar de wereld wordt gekeken: door de ogen van mensen die kunnen kijken, denken en schrijven. Dus lezen we in het nummer over geld (winter 2008) wat Mark Twain, H.L. Mencken, Upton Sinclair of John Updike over geld denken, maar natuurlijk ook wat de bezitters van het geld (Vanderbilt, Carnegie, Morgan, Rockefeller) erover dachten. Lapham schrijft ironisch over het jaarlijkse nummer van Vanity Fair waarin miljardairs worden gepresenteerd als ‘The Men Who Really Count’. Maar wat er echt toe doet is volgens hem dat ‘over the course of time, it is the power of mind over matter that shapes the clay of civilization. Money follows with the baggage.’
Lapham’s Quarterly kost €19,95 per nummer in de goede boek- en tijdschriftenwinkel.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
