Carel Peeters' literaire kroniek 19.03.2010
Tijdens het gesprek tussen de Franse filosofen Alain Finkielkraut en Alain Badiou dat een tijdje geleden door de Nouvel Observateur werd georganiseerd* verzuchtte Finkielkraut bij de zoveelste simplificatie van Badiou: ‘Het maakt alles veel eenvoudiger. Je hebt niets te maken met dilemma’s of problemen.’ Dat was goed gezien door Finkielkraut. Badiou weet helemaal niet wat dilemma’s zijn. Het woord komt in zijn vocabulaire niet voor. Als zwart/wit denker weet hij precies wat hij moet vinden en hoe hij moet denken.
Badiou is een terrible simplificateur. Wanneer het over immigranten gaat redeneert hij zo: Alle mensen zijn mensen, en alle mensen willen eten en leven, en dat moeten ze overal kunnen doen, in welk land dan ook, precies zoals ze zelf willen. Elk land moet permanent met open armen klaarstaan, ze ontvangen en van dienst zijn. Badiou maakt van alle immigranten graag ‘proletariërs’ (een woord waar hij van zegt te houden) en verklaart dan dat proletariërs geen vaderland hebben en dus overal thuis zijn. Hij verdeelt de wereld in volgens het strakke schema van onderdrukkers en onderdrukten. Hij noemt zich een neo-platonist: het ware leven is een leven in het teken van de Idee, in zijn geval van ‘het communisme van de Idee.’ Zo’n boven alles uitstekend, transcendentaal Idee is ‘gelijkheid’: zolang niet iedereen overal gelijk is, deugt er niets.
Dit is Badiou’s sprookjesachtig comfortabele positie. Finkielkraut kan natuurlijk alleen maar tegenwerpen dat het zo eenvoudig niet ligt. Het gesprek was dan ook totaal geen gesprek.
Je merkt aan Badiou dat Finkielkraut mijlenver van hem afstaat. Hij is voor Badiou niet die bepaalde filosoof, schrijver van die en die boeken, nee, hij is alleen maar een anonieme vertegenwoordiger van degenen die de door president Sarkozy geïniteerde discussie over de vraag wat de Franse identiteit is niet helemaal onzin vond, ook al zou hij het zelf niet bedacht hebben. Tenslotte, zo vindt Finkielkraut, moeten al die verschillende mensen in Frankrijk met al die verschillende achtergronden bij voorkeur niet helemaal geïsoleerd van elkaar leven, dus moet er zo hier en daar en over een aantal dingen overeenstemming zijn. Badiou, voor wie het begrip identiteit in de culturele en politieke zin helemaal niet mag bestaan, wil hem aanpraten dat hij dan zeker op een consensus over die Franse identiteit uit is, maar dat laat Finkielkraut niet gebeuren.
- Naast een terrible simplificateur is Badiou is ook een terrible complicateur
Het gesprek was eigenlijk zinloos, omdat Badiou ook nu weer de indruk maakt alleen geestverwanten serieus te nemen. Zoals Slavoj Žižek, met wie hij volgens de ondertitel ‘Een dispuut’ zou voeren in het boek Alain Badiou & Slavoj Žižek. Actuele filosofie. Het blijkt meer een onderonsje van twee denkers die niet de werkelijkheid als uitgangspunt nemen, maar vooral hun eigen hersenspinsels. Ze zijn van mening dat een filosoof ‘zijn eigen problemen schept’. Dat is ongetwijfeld tot op grote hoogte zo wanneer een filosoof onafhankelijk probeert te denken. Maar voor Badiou en Žižek doet de werkelijkheid er niet zo toe, het gaat hen altijd en alleen om wat er niet is. Badiou heeft, zoals we gezien hebben, altijd het grote ideaal van de Totale Gelijkheid van de mensen voor ogen, zolang dat niet gerealiseerd is kan er niets goeds zijn in de wereld. Wanneer Žižek, op zijn beurt, aan een publiek debat deelneemt probeert hij zich niet in de werkelijke inhoud van het debat te verplaatsen, nee, ‘de insteek van een filosoof zou moeten zijn om de begrippen van het debat zelf te veranderen.’
Naast een terrible simplificateur is Badiou is ook een terrible complicateur. Dat was zelfs de mening van iemand die een grote invloed heeft gehad op het denken van Badiou: de marxistische filosoof Louis Althusser (1918-1990). Die verweet hem de zaken onnodig ingewikkeld te maken door zijn filosofie te larderen en te onderbouwen met een enorm wiskundig apparaat. Hij noemde dat Badiou’s ‘Pythagorisme’. In de nu verschenen vertaling van zijn vorig jaar verschenen Tweede manifest voor de filosofie (het eerste verscheen twintig jaar geleden) komen geen wiskundige formules voor, maar Badiou verwijst wel voortdurend naar zijn boeken waarin ze wel voorkomen, zoals Logiques des mondes.
Wanneer Badiou beweert dat een filosoof zijn eigen problemen schept, betekent dat ook dat hij zijn eigen taal bedenkt. Dat hoeft niet meteen een bezwaar te zijn, behalve wanneer het een taal is waarvan de woorden nog maar een dunne relatie onderhouden met de werkelijkheid en vooral onderling communiceren. Hoofdstuk 3 van het Tweede manifest begint zo:
‘Om het verschil tussen een triviaal lichaam en een waarheidslichaam, of subjectiveerbaar lichaam, te denken en dus het verschil tussen het verschijnen van een waarheid en het verschijnen, als object van de wereld, van enigerlei multipliciteit, moeten we wel goed de differentiatieprotocollen begrijpen waardoor de logische identiteit van die wereld geconstitueerd wordt. Als het verschijnen het vatten is van de vanuit de leegte ontologisch gedefinieerde multipliciteiten, dan moet de binnenwereldse singulariteit, zoals het proces van een waarheid dat is, kunnen worden gedefinieerd volgens louter logische criteria die behoren tot het formalisme van de regulering van de verschillen, of meer in het algemeen van de betrekkingen tussen multipliciteiten.’
Badiou gaat ervan uit dat de lezers van zijn Tweede manifest zijn eerdere werk kennen en weten waar de hier opduikende begrippen als multipliciteit, waarheidslichaam, logische identiteit, differentiatieprotocollen voor staan. De vraag is wel: is dit nog wel filosofie, of is het filosofisch knutselen? Staat hier in ingewikkelde bewoordingen niet iets heel gewoons? Badiou is erg zuinig met het verbinden van concrete voorbeelden aan zijn abstracte redeneringen, maar wanneer hij het doet valt het op hoe triviaal dat uitpakt.
Het ‘subjectiveerbaar lichaam’ is het kernbegrip van het Tweede manifest, schrijft Badiou. Begrijp ik het goed, dan is het subjectiveerbare lichaam een mens waarin een persoonlijke overtuiging kan ontstaan. Is die overtuiging er, dan hebben we te maken met een ‘waarheidslichaam’: iemand is ergens vast van overtuigd. Dat waarheidslichaam komt in werking wanneer er gekozen moet worden, tussen dit of dat (en dat moet van Badiou, er is geen tussenweg). Wat ik hier ‘overtuiging’ noem, heet bij Badiou zonder meer ‘waarheid’, voor minder doet hij het niet.
Badiou’s Tweede manifest is een ingewikkeld knutselwerkje dat geschreven is om zeggen dat hij gedwongen is (‘in het huidige, verwarde en verfoeilijke tijdsgewricht’) te zeggen dat er ‘eeuwige waarden’ zijn, in de politiek, de kunst, de wetenschappen en de liefde. Badiou zegt het zelf niet zo ronduit (dat had de gewoonheid ervan kunnen onthullen), maar die eeuwige waarden zijn in de politiek: de gelijkheid, in de kunst: de vernieuwing, in de wetenschap: de wiskunde en in de liefde: dat bij verliefdheid de wereld een totaal ander aanzien krijgt. Daar had Badiou geen heel Manifest voor hoeven schrijven.
*Het gesprek tussen Badiou en Finkielkraut werd door de Groene Amsterdammer vertaald in het nummer van 11 februari 2010
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
