Carel Peeters' literaire kroniek 22.10.2010
De vraag ‘wilt u een kunstwerk kiezen waaruit hoop en vertroosting spreekt en vertellen waarom’ gaat ervan uit dat men van kunst verwacht dat ze hoop en vertroosting biedt. Rob Riemen, de oprichter en directeur van het Nexus Instituut, de organisatie die een paar keer per jaar interessante conferenties organiseert waarop door schrijvers, filosofen en wetenschappers gediscussieerd wordt over alle aspecten van de cultuur, stelde deze vraag voor aflevering 55 van het tijdschrift Nexus over Hoop en vertroosting.
Schrijvers, denkers, acteurs en wetenschappers die een gedicht, romanfragment, een schilderij of een muziekstuk kiezen dat voor hoop en vertroosting zorgt, daar kan toch niets mis mee zijn? Op de bijdragen zelf, afkomstig van onder andere Wende Snijders, Ernst van de Wetering, Marlene Dumas, Hans Croiset, Cynthia Ozick, Ton Koopman, Marjolijn Februari en Fritz Stern, is niets aan te merken, maar in het begeleidende essay van Rob Riemen wordt op een manier over kunst geschreven waar niet iedereen zich bij thuis zou kunnen voelen.
De veronderstelling dat een kunstwerk hoop en vertroosting zal bieden is tegelijk tendentieus en een gemeenplaats. Naar kunstwerken wordt doorgaans niet gekeken om er verdrietig van te worden (al kan het daar wel op uitlopen), dus zit er impliciet iets van troost in het kijken naar kunst, het luisteren naar muziek of het lezen van een boek. Maar dat is heel iets anders dan ervan uitgaan dat kunst er is om hoop en vertroosting te bieden. Het zou wel eens kunnen zijn dat je helemaal geen reden hebt om van kunst hoop of vertroosting te verwachten, omdat je nergens voor getroost wilt worden. Die hoop en vertroosting gaan ervan uit dat de aarde een tranendal is. En ook al zou dat echt zo zijn, dan nog zou je daarvoor wel eens niet getroost willen worden, bijvoorbeeld omdat je een stoïcijn bent, omdat je een koude kikker bent of iemand die niet voor sentimenteel wil doorgaan.
Rob Riemen schrijft: ‘Kunst kan ons iets laten zien wat we niet eerder hebben gezien. Kunst kan ons waarheid tonen, ervaringen van anderen invoelbaar laten zijn. Zij kan ons een volmaaktheid tonen, opdat wij ons bemoedigd weten de kloof tussen wat er is en wat er zou moeten zijn, tussen werkelijkheid en waarheid, te overwinnen. Zo schenkt zij hoop en vertroosting.’
En verderop: ‘Deze levenshouding – want een levenshouding is het om het schone en het eeuwige niet te willen vergeten, je leven te wijden aan wat wezenlijk is, wat blijft, en te beseffen dat kunst er is om waarheid te tonen, hoe pijnlijk zij soms ook is, ervaringen te laten delen, ogen te openen voor wat niet direct zichtbaar is, ongekende schoonheid gewaar te worden.’
En naar aanleiding van het schilderij De romanlezeres van Van Gogh: met haar laat hij zien ‘wat een boek is, wat lezen is. En dat is de gewaarwording van echt vrij zijn, in een andere wereld verkeren waartoe de bestaande – met al zijn lawaai, stoornis, trivialiteit en onzin – geen toegang heeft. Het is de ervaring van het goede, nimmer teleurstellende gesprek; vragen stellen en antwoorden krijgen; delen van je diepste ervaringen en emoties. Er is een vriendschap, ware liefde.’
Ook al is wat hier staat geen grote onzin, de manier waaróp is die van een seculiere priester: kunst op een bijna religieuze manier gezien, compleet met het ‘delen’ van je diepste ervaringen en emoties. En er zou sprake zijn van ‘ware liefde’ tijdens het lezen. Ook duikt de waarheid weer op, waar waarachtigheid meer op zijn plaats zou zijn. Van lezen maakt Riemen een antiseptische aangelegenheid, ver van de lawaaiige buitenwereld, verschoond van de daar gedebiteerde onzin. Kunst wordt hier weer het verhevene en het ontstegene, het domein van het schone en eeuwige, terwijl het triviale en banale ook een onderdeel van kunst en leven is.
- Ontroering is een aangenaam-schokkende bevestiging van iets
Van deze priesterlijke omgang met kunst is in de bijdragen zelf niet veel te merken. Opvallend is dat Bach zes keer wordt genoemd in de vierenveertig reacties, waarvan twee keer de Matthäus Passion (onder meer door Barber van de Pol), en verder Der Kunst der Fuge, de Goldbergvariaties, Cantate 82 (door Ton Koopman) en de Cellosuite nr 5. Schubert en Rembrandt worden allebei twee keer genoemd. In de meeste bijdragen (waarin fragmenten gekozen worden van o.m. Tsjechow, Rilke, Antje Krog, Elsschot, Auden, Salinger, Camus, Kafavis) gaat het uiteindelijk niet zozeer om hoop of troost, maar om ontroering, en dat is een emotie aan gene zijde van hoop of troost: er wordt iets gelezen, gezien of gehoord dat treffend uitdrukt wat de kijker, lezer of toehoorder vagelijk vermoedde.
Ontroering is een aangenaam-schokkende bevestiging van iets. Zoals bij de dichter/presentator Wim Brands, die in een kunstwerk van Ilya en Emilia Kabakov ineens zichzelf ziet. We zien een hoog gebouw met daarop een lange ladder die in de lucht steekt. Daarop staat weer een man:
Ik kijk naar Kabakovs man. Staand
op een ladder, zijn armen ten hemel.
En ik denk dat ben ik.
Reikend naar mijn verre vader.
Laat dit dan mijn gebed zijn:
If equal affection cannot be,
Let the more loving one be me.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
