Carel Peeters' literaire kroniek 30.08.2010

Door Carel Peeters

Bohumil Hrabal
Bohumil Hrabal

Begin jaren zeventig, tijdens de Russische bezetting van Tsjechoslowakije, bezochten Milan Kundera en zijn vrouw een ziekenhuis in de buurt van Praag om daar een arts te bezoeken die gold als ‘vriend van alle dissidenten’. Ze troffen daar een journalist, net als zij weggejaagd uit zijn baan, met wie ze in de auto terugreden. Tijdens de rit kwam het gesprek op Bohumil Hrabal, de geestige, fantasierijke en geliefde Tsjechische schrijver. ‘Hij was’, schrijft Kundera in zijn essaybundel De ontmoeting, ‘door en door apolitiek, iets wat veel wilde zeggen onder een regime waarvoor “alles politiek was”: door zijn apolitieke houding dreef hij de spot met de wereld waarin de ideologieën woedden.’ Hrabal was onbruikbaar voor het communistische regime. Hij werd met rust gelaten, waardoor hij hier en daar nog een boek kon publiceren.

De journalist begon Hrabal met heftige verwijten te overladen: hoe kon hij accepteren dat boeken van hem werden uitgegeven terwijl die van zijn collega’s werden verboden? Hij vond Hrabals gedrag verwerpelijk. Hij vond hem zelfs een collaborateur. Daar dacht Kundera heel anders over. Niet minder heftig zei hij: ‘Wat absurd om van collaboratie te spreken als de geest van Hrabals boeken, met hun humor en verbeelding, volledig haaks staat op de mentaliteit van het regime dat ons wil verstikken in zijn dwangbuis! Een wereld waarin je Hrabal kunt lezen is volkomen anders dan een wereld waarin zijn stem niet te horen zou zijn. Eén enkel boek van Hrabal bewijst de mensen en hun geestesvrijheid een grotere dienst dan wij allemaal met onze grote gebaren en onze gewichtige protesten!’ Het gesprek in de auto veranderde snel in een hatelijke ruzie. Wat begonnen was al een toevallige ontmoeting van schijnbaar solidaire lotgenoten, eindigde in scheiding der geesten.

Zoals Hrabal door en door apolitiek kon zijn, zo zou men ook door en door a-actualiteit kunnen zijn.

Dat Kundera zo verontwaardigd reageerde omdat iemand als Hrabal een collaborateur werd genoemd wil zeggen dat het in Kundera’s ogen heel goed mogelijk is dat iemand, bijvoorbeeld een schrijver, ‘door en door apolitiek’ is. Dat is zo interessant omdat er ook tegenwoordig vanzelfsprekend vanuit wordt gegaan dat schrijvers en kunstenaars over alles hun mening klaar hebben. Elke uitzending van het onvolprezen radioprogramma Kunststof begint met een rondje langs de actualiteit. Daarbij wordt er nooit rekening mee gehouden dat de schrijver of kunstenaar wel eens helemaal niet geïnteresseerd kan zijn in de actualiteit. Zoals Hrabal door en door apolitiek kon zijn, zo zou men ook door en door a-actualiteit kunnen zijn. Die schrijver of kunstenaar heeft al zijn aandacht dan liever bij wat hem het meeste aangaat, en wil zich niet laten afleiden.

Op dezelfde manier gaat men er vanuit dat iedereen zich voor politiek interesseert. Het is natuurlijk uitstekend je voor politiek te interesseren en het is maar goed dat het gebeurt, maar het is geen vanzelfsprekende plicht, zoals het dat in communistische landen was. In een democratie is ook ruimte om gezond wereldvreemd te zijn.

Milan Kundera
Milan Kundera

Anders dan Aristoteles in de vierde eeuw voor Christus in zijn Politica dacht is de mens dus niet zomaar een politiek dier. In Het politieke dier, het boekje met bijdragen van onder meer Frank Ankersmit, Bas Heijne, Midas Dekkers en Luuk van Middelaar dat de Historische Uitgeverij heeft uitgegeven naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van de Politica, wordt er min of meer vanuit gegaan dat Aristoteles gelijk heeft. Met iemand die apolitiek is wordt helemaal geen rekening gehouden. Terwijl die instelling heel goed een waarschuwing kan vertegenwoordigen om niet álles met de ogen van de politiek te zien.

Aristoteles draaide er niet om heen: iedereen (behalve de slaven natuurlijk) moest zijn aandeel hebben in de ‘polis’, zo niet dan was je ‘een beest of een god’: ‘Wie niet in staat is deel te nemen in een gemeenschap, of daaraan geen behoefte heeft omdat hij zichzelf genoeg is, maakt geen deel uit van een polis, en is dus ofwel een beest of een god.’ Frank Ankersmit zet terecht uiteen dat Aristoteles hiermee in de hedendaagse politieke verhoudingen een ‘communitarist’ zou zijn geweest, zoals de christen-democraten dat zijn: die willen zich een onderdeel van een gemeenschap voelen. Dat veronderstelt een permanente betrokkenheid van de burger bij staat en politiek: ‘In permanent overleg met zijn medeburgers moet de burger voortdurend nadenken over hoe de staat vervolmaakt moet worden opdat alle burgers zich daarbinnen kunnen vervolmaken.’

Iemand die zichzelf niet zo’n politiek dier voelt, een dichter, schrijver, uitvinder, dromer of een zwerver, valt er dan buiten. Dat noemen we ostracisme, verbanning uit de gemeenschap. Je een onderdeel voelen en willen voelen van een grotere gemeenschap, het communitaire gevoel, is sluipend algemeen geworden. Iedereen is nu overal een onderdeel van. Vluchten kan niet meer.

[reageren]

The Literary Saloon