Carel Peeters' literaire kroniek 12.04.2010

Door Carel Peeters

In Grenzen aan de vrijheid, het essay dat Ian Buruma schreef voor de Maand van de filosofie, draait alles om een woord dat tot een bepaalde familie van woorden hoort die allemaal op twee manieren gebruikt kunnen worden: de ene keer staat het voor iets heel positiefs en constructiefs, de andere keer staat het voor iets negatiefs en voor slappe knieën en verval. Zo’n woord is bijvoorbeeld ‘compromis’: de ene keer is het een eerbare uitkomst van hopeloze patstelling, de andere keer is het zoveel water in de wijn gedaan hebben dat je niet meer van wijn mag spreken.

‘Pragmatisch’ is ook een woord uit die familie: de ene keer is het een heel verstandig besluit om verder niet moeilijk te doen en te nemen wat je nu kunt krijgen, de andere keer is het een gelikte ‘move’ om uit een netelige situatie te raken. En ‘hypocrisie’: de ene keer is het afschuwelijk gehuichel, de andere keer een verfijnde taxatie die maakt dat doen alsof je neus bloedt voor iedereen en alles het beste is. Andere woorden van deze interessante familie zijn ‘opportunisme’, ‘concessie’, ’schipperen’ en ‘ambivalentie’.

En ‘marchanderen’, het woord waar het in Buruma’s essay om draait. Buruma weet heel goed dat het in eerste instantie helemaal geen positieve klank heeft. Maar daarom heeft hij het wellicht juist gekozen, zich beroepend op de oorspronkelijke betekenis van marchanderen zoals die in de koopmanswereld gold: die van loven en bieden, geven en nemen.

Dat Buruma marchanderen met een zekere wellust gebruikt komt door Frits Bolkestein. Die wendde het zo’n vijftien jaar geleden heel erg negatief aan toen hij in een toespraak zei dat over bepaalde liberale principes (gelijkheid, vrijheid van meningsuiting, scheiding van kerk en staat) ‘niet valt te marchanderen, ook niet een klein beetje.’

- Natuurlijk laat Buruma zich op zijn beurt niet zo makkelijk door mij op de vingers tikken

Bolkesteins zo parmantige stellingname dat over bepaalde liberale principes niet valt te marchanderen wordt door Buruma eenvoudig weggeblazen. Hij schrijft: ‘De werkelijkheid is dat er in de geschiedenis niet anders is gedaan dan marchanderen over bovenstaande principes, en dat is ook goed zo. Samenlevingen veranderen voortdurend en dat proces gaat altijd gepaard met marchanderen.’ Buruma geeft dan het sterke voorbeeld van de scheiding tussen kerk en staat. Die is in Nederland in de praktijk helemaal niet zo absoluut, zoals te zien aan artikel 23 van de Grondwet waarin is vastgelegd dat de staat het ‘bijzonder onderwijs’ zal bekostigen, dat wil zeggen: alle scholen op religieuze grondslag. Als het om de vrije meningsuiting gaat blijkt die in de praktijk ook niet zo onbegrensd te zijn: ‘Een grappenmaker op de tv of een stukjesschrijver in de krant kan zich veroorloven dingen te zeggen die tot een ernstige crisis zouden leiden als de koningin of de premier ze zou uitspreken. Advocaten kunnen niet vrijuit spreken over hun cliënten, doktoren niet over hun patiënten.’

Toch zou het vreemd zijn als Bolkesteins parmantigheid zo makkelijk door Buruma van tafel geveegd zou kunnen worden. Dat kan niet waar zijn. Dat Bolksteins zich zoals gebruikelijk apodictisch uitdrukte is duidelijk. Bovendien moet zijn toespraak in de context gezien worden: als reactie op de pogingen van de islam om de vrije meningsuiting te beknotten, onder meer door de fatwa tegen Salman Rushdie. Maar dat neemt niet weg dat Bolkestein steviger staat dan Buruma denkt: samenlevingen veranderen wel voortdurend, maar principes veel minder. Er kan inderdaad niet gemarchandeerd worden met het principe van de gelijkheid, de vrijheid van meningsuiting en de scheiding van kerk en staat. Buruma ziet over het hoofd dat politici, zoals Bolkestein, niet met hun principes kunnen marchanderen. Dat in de praktijk gemarchandeerd zal worden, vooruit, maar niet om mee te beginnen. Je gaat niet met een compromis de onderhandelingen in. Je gaat met je eigen principe en standpunt de onderhandelingen in. Er is dus een verschil tussen principe en praktijk. Aan het principe hou je vast (zoals de neoliberalen aan de vrije markt, en de sociaal-democraten aan de geleide economie).

Natuurlijk laat Buruma zich op zijn beurt niet zo makkelijk door mij op de vingers tikken. Zijn essay gaat er over dat liberalen, neoliberalen en neoconservatieven de laatste jaren onwerkbaar veel gewicht hechten aan die principes en minder denken aan de praktijk. Ze verabsoluteren bijvoorbeeld vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Wat nog niet wegneemt dat je eerst een niet gemarchandeerd principe moet hebben om te kunnen loven en bieden, geven en nemen. Om te kunnen marchanderen.

mooi!

Geplaatst door: Natasha Gerson reacties

Mooi stuk, heldere overweging met genuanceerde (weer zo'n woord) conclusie! X

[reageren]

The Literary Saloon