Carel Peeters' literaire kroniek 05.03.2010
De Schrijversgalerij in het vernieuwde Letterkundig Museum is een surrealistisch tafereel van briljante, beroerde, middelmatige, naïeve, schitterende en onmogelijke portretten van briljante, beroerde, middelmatige, naïeve, schitterende en onmogelijke schrijvers. Zoals je in de zeventiende eeuw Constkammers had waarin de schilderijen schots en scheef en vijf rijen dik naast en boven elkaar hingen, zo hangen ze nu in het Letterkundig Museum.
Bij elkaar is het een portret van een gekkenhuis, zoals Maria Barnas zegt in de inleiding van het boek waarin ze allemaal zijn afgedrukt. Het zijn literaire portretten, dat wil zeggen dat de gelijkenis over het algemeen minder belangrijk is dan het tot zijn recht komen van de hand van de schilder.
Literatuur is de verwerking van de werkelijkheid door een levendige geest die er geen realisme van maakt. De schilder wist wat hij tegenover zich kreeg: net als hij iemand die de wereld ziet door gekleurde ogen.
Daarom zijn de met opperste vrijmoedigheid gemaakte portretten van Frits Woudstra zo ruim vertegenwoordigd (7 keer): de gelijkenis is steeds op de rand, maar er staat tegenover dat met louter kleurige strepen, lijnen, golven en stippen van waterverf een mengsel van vervreemding en herkenning ontstaat.
Je ziet er in wie het moet zijn (Vasalis, Etty Hillesum, Slauerhoff) ook al kost het moeite. Woudstra is de Fritzi ten Harmen van der Beek van het literaire portret. Daar tegenover staan de hyperrealistische portretten die Sylvia Willink van Marten Toonder maakte en Maarten Welbergen van Louis Ferron. Het contrast kan niet groter zijn.
Het lijkt er op dat grote schrijvers grote schilders aantrekken. Geert van Oorschot kreeg voor de ruwe bolster van zijn kop Hans Bayens. Ina Boudier Bakker is misschien niet de grootste schrijfster, maar door het schilderij van Isaac Israëls zou je dat gaan denken. De bedachtzame Albert Verwey kreeg de bescheiden maar briljante expressionist Henri le Fauconier voor zich. De Groningse dichter J.C. Noordstar en de mij niet bekende Herman Poort kregen Jan Wiegers voor zich, de expressionist en leider van de Groningse groep De Ploeg. Het inmiddels beroemde portret dat Paul Citroen van Menno ter Braak hangt hier nu ook. Alphons Freijmuth schilderde twee keer Willem Frederik Hermans, een keer softfocus, een keer gekweld.
Liam Laimböck schilderde Maarten ’t Hart heel strak in geometrische vormen, wat hem heel braaf maakt, en dat past niet bij hem. Wel bij Gerrit Kouwenaar, en die kreeg dan ook de perfecte portrettist in Hendrik Valk. Hoe zou Ine Laurant erbij komen om Hugo Brandt Corstius te schilderen als een Romeinse senator?
Waarom heeft Martin Bril, die niet bekend staat als iemand die van fantastische literatuur hield, een wervelwind van etherische strepen boven zijn hoofd op het schilderij van een onbekende maker? Groter verschil tussen de portretten die Jan Vanriet en Fritzi ten Harmsen van der Beek van Remco Campert maakten bestaat niet. Vanriet schilderde een bankdirecteur.
De Lucebert van René Wong is een stilgevallen man die niets van de experimenterende Vijftiger heeft. Dezelfde René Wong maakte wel weer een hele mooie Roland Holst. De lezende Victor van Vriesland door Kees Verwey is, zoals men zegt, ‘goed getroffen'. De mond van Joost Zwagerman door Peter Klashorst is van iemand anders. Het overhemd staat bij Ad Zuiderent nooit zo ver open.
Het kinderportret van Johan Polak met zijn broer Rob is veredelde zigeunerkunst. Het mag een prestatie heten dat ene ‘Van der Vegt’ Simon Vinkenoog met zo’n onkarakteristiek treurig gezicht heeft kunnen schilderen. De helemaal in roze tinten geschilderde Jan Siebelink van Clare van Stolk is een veel te gesoigneerd heer (ook al houdt hij van dure schoenen).
De hoeveelheid, de verscheidenheid, bizarre. onverwachte en verrassende van deze krankzinnige verzameling roept een en al commentaar op. Bijna elk portret vraagt er om. Zou de literatuur hier dan toch leven komen, ook al is het een museum?
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
