Carel Peeters' literaire kroniek 01.10.2010

Door Carel Peeters

In het lange interview met Michel Houellebecq in het laatste nummer (260) van The Paris Review wordt hem gevraagd naar de schrijvers die indruk op hem hebben gemaakt. Hij noemt Baudelaire, Nietzsche, Schopenhauer, Dostojewski en Balzac. Bij zo’n rijtje horen, als het om Houellebecq gaat, ook dichters, en speciaal de romantische dichters Hugo, Vigny, Musset, Nerval, Verlaine en Mallarmé, ‘zowel vanwege de schoonheid van hun werk als vanwege hun angstaanjagende emotionele intensiteit.’

Maar misschien, zegt hij, was wat ik in mijn jeugd las nog wel belangrijker: Alexandre Dumas, Jules Verne, de sprookjes van Andersen en Pif le chien. Op zijn dertiende las hij Baudelaire en op zijn vijftiende Pascals Pensées. Dat was tijdens een schoolreisje in Duitsland. Hij werd toen pijnlijk getroffen door de passage waarin Pascal ‘de menselijke conditie’ verbeeldt in de aan elkaar geketende en ter dood veroordeelde mannen. Sommigen worden dagelijks in elkaar geslagen, gadegeslagen door de anderen. Ze zien hun eigen toestand in hun lotgenoten en kijken elkaar in angst en wanhoop aan, wachtend op hun beurt. ‘Dat is de menselijke conditie’. Het trof Houellebecq omdat het op dat moment tot hem doordrong dat zijn grootouders, door wie hij werd opgevoed, op een dag dood zouden gaan. Hij ontdekte wat doodgaan betekende.

Deze sombere kijk op de mens zet hij voort wanneer hem wordt gevraagd waarom hij zichzelf ooit ‘een Calvinistische klootzak’ heeft genoemd. Hij antwoordt met te zeggen dat dit komt omdat hij denkt dat er zoiets als goed en kwaad bestaat en dat de hoeveelheid daarvan altijd hetzelfde blijft: ‘Het morele karakter van mensen ligt vast, is tot hun dood onveranderlijk. Dat lijkt veel op de calvinistische predestinatie, waarin mensen verdoemd of verlost geboren worden, zonder er nog ooit iets aan te kunnen doen.’

In alles wat Houellebecq over de menselijke conditie zegt speelt het individu een onbeduidende rol: de wereld wordt bepaald door technologische veranderingen en door grote sociologische bewegingen waar de individuele geest geen invloed op kan uitoefenen: ‘you can’t do anything about major societal changes’. Hij kan het alleen maar aanzien en beschrijven. Hij is het eens met de opmerking van Balzac dat ‘het enige doel van de roman is de rampen te laten zien die ontstaan door de verandering van waarden. Balzac overdrijft op een amusante manier: ‘dat is wat ik ook doe: ik laat de rampen zien die veroorzaakt worden door het loslaten van waarden.’

- Neurologen komen er de laatste tijd achter dat beslissingen in ons brein al genomen worden voordat we ons daarvan bewust zijn

Mensen hebben geen invloed op grote sociologische bewegingen, maar Houellebecq heeft zelf ook niets te zeggen over zijn eigen personages: die gaan hun eigen gang, zegt hij. ‘Eigenlijk kun je niet je eigen verhaal vertellen. Je kunt wat onderdelen gebruiken, maar denk niet dat je het in je macht hebt wat je personage gaat doen als je honderd pagina’s verder bent.’

Kern van dit alles is dat de vrije wil helemaal nergens meer te bekennen is. Alles ligt al vast of de krachten die het leven bepalen zijn te groot voor een individuele ziel. Het begint erop te lijken dat steeds meer mensen er graag zo over denken. Er begint een nieuwe consensus te ontstaan over de machteloosheid van mensen, gestuurd als ze worden door drijfveren die zich aan hun controle onttrekken. De mens kiest of beslist niet zelf, er is al voor hem beslist en gekozen, door de genen, de erfelijkheid, door het onbewuste, door de tijdgeest, door geografische bewegingen, door de omstandigheden, door zijn emoties.

In een artikel naar aanleiding van de honderdvijftigste sterfdag van Schopenhauer in het oktobernummer van Filosofie Magazine worden zijn ideeën over de wil ook al met instemming weergegeven: ‘Wij gaan er vaak van uit dat de wil een zelfstandige, geestelijk vermogen is op basis waarvan wij doelbewust handelen. Maar de wil in schopenhaueriaanse zin onttrekt zich aan onze controle. Wij beschikken niet over de wil, maar zijn eraan onderworpen. We leven niet, maar worden geleefd door deze onbewuste, nietsontziende drang.’ In het gesprek in hetzelfde nummer met de essayist (en sinds kort romanschrijver) Piet Meeuse begint de zelfstandige mens ook al tamelijk uit het zicht te raken. Het leven zit niet erg logisch in elkaar, zegt Meeuse, ‘net zomin als de mens. We bestaan niet alleen uit rede, maar ook uit emoties en allerlei onbewuste drijfveren. Neurologen komen er de laatste tijd achter dat beslissingen in ons brein al genomen worden voordat we ons daarvan bewust zijn. Misschien overschatten we de invloed van het bewustzijn en het denken op onze beslissingen.’

In elk nummer vraagt de redactie van Filosofie Magazine aan zijn lezers om op een eenvoudige vraag te antwoorden met ja, nee, weetniet/geen mening. De nieuwe vraag is: bestaat de vrije wil?

[reageren]

The Literary Saloon