Carel Peeters' literaire kroniek 14.05.2010

Door Carel Peeters

Een ‘festival’ hoeft niet meteen een uitbundige feestelijke aangelegenheid te zijn, maar dat er enig plezier bij te pas komt mag niet worden uitgesloten. Die plezier-kant maakt dat een festival over het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee (tot en met zondag in De Balie in Amsterdam) zo bijzonder: als er iets aan zijn romans ontbreekt dan is het wel plezier.

Althans, dat vond Martin Amis, toen hij in maart in een lang interview op de website van het Engelse tijdschrift Prospect zei dat men tegenwoordig graag denkt dat ‘gloomy books’ serieuzer zijn. De hele stijl van Coetzee, bijvoorbeeld, zei hij, ‘is predicated on transmitting absolutely no pleasure.’ Amis had een van zijn boeken gelezen en dacht: ‘he’s got no talent’. Niet alleen zou de Nobelprijswinnaar Coetzee helemaal geen talent hebben, ‘but the denial of the pleasure principle has got a lot of followers.’

Dit tamelijk terloops geuite apodictische oordeel over Coetzee heeft het voordeel dat je je onmiddellijk afvraagt of het plezierprincipe (bij Freud het ‘lustprincipe’ genoemd) bij Coetzee wel zo totaal afwezig is, of dat het misschien een heel ander gedaante heeft aangenomen. Er ontstaat door zo’n uitspraak ineens een wereld van verschil tussen deze schrijvers. Ook krijgt een even interessante als lastige kant van Coetzee (zijn onmiskenbare gloomy-kant) ineens met een hard oordeel te maken, terwijl het weliswaar een problematische kant is, maar ook alles bevat waar Coetzee zijn betekenis aan ontleent. En fascinerend maakt. Coetzee heeft van beschamende zelfbekentenissen en pijnlijke waarheden grote literatuur gemaakt, in de orde van Dostojewski of Strindberg.

- Met elke zin maakt hij van zichzelf een nog onaangenamer figuur, een klootzak eerste klas

Coetzee kan zijn lezers hele ongemakkelijke gevoelens bezorgen, waardoor je hem niet in je hart sluit en zelfs irritant kunt vinden. Maar dat ongemak is waar het hem natuurlijk om gaat. En de lezer kan zich wel ongemakkelijk voelen, maar het betekent wel dat Coetzee er in geslaagd is iets aan te snijden dat echt pijnlijk is, niet alleen voor het personage in de roman, maar ook voor het bewustzijn van de lezer. De onhandigheid en ongevoeligheid van Coetzee’s alter ego (min of meer) in Portret van een jongeman is zo groot en schrijnend dat die eigenschappen bijna vanzelf allegorische vormen aannemen, waardoor ze voor de onhandigheid en ongevoeligheid gaan staan waarvan iedereen wel iets in zich heeft. Misschien niet zo extreem, maar herkenbaar genoeg.

Wanneer de jonge, tweeëntwintig jarige ‘Coetzee’ in Portret van een jongeman de vriendin van zijn nichtje heeft ontmaagd stuurt hij haar ’s morgens met veel verwijten, en zonder haar nog te groeten, met een taxi weg. Na die scène lees je even niet door. Maar deze beschamende gebeurtenis is wel door hemzelf opgeschreven in de voor Coetzee zo kenmerkende koele, onaanraakbare stijl. Met elke zin maakt hij van zichzelf een nog onaangenamer figuur, een klootzak eerste klas.

- Net als haar vader knarst de lezer met zijn tanden

In allerlei variaties is dat de hele teneur van de roman: ‘Coetzee’ is met de hooggestemde ambities om dichter en schrijver te worden vanuit zijn gehate Zuid-Afrika naar Londen gegaan, maar is één brok gespannenheid en gebrek aan geloof in zichzelf. Hij weet ondertussen perfect onder woorden te brengen wat hij wil, wat hij niet wil, wat hij verkeerd doet, waar het aan ligt. En hij is wel zo clever dat hij denkt dat al zijn kleine mislukkingen toch op een of andere manier hun nut hebben, al was het maar als ‘ervaring’, en dat is altijd goed voor een schrijver.

Wanneer het werk van Coetzee ‘gloomy’ is, dan is het wel lucide gloomy. Daarmee duikt meteen iets van plezier op: luciditeit betekent immers dat ergens scherp en onthullend licht op wordt geworpen, en dat is heel bevredigend. Dat zorgt voor een soort plezier. Coetzee is een ongenadig schrijver die zichzelf, zijn personages en zijn lezers in pijnlijke situaties brengt. In In ongenade wordt de boerderij van de dochter van de hoofdpersoon overvallen en zijzelf verkracht. Ze blijkt zwanger, maar ze wil geen aangifte doen. Ze ziet het als een schuldaflossing voor wat de blanken de zwarte bevolking heeft aangedaan. Net als haar vader knarst de lezer daarbij met zijn tanden.

Coetzee maakt altijd alles gecompliceerder, alsof de roman als genre daarvoor bedoeld is. Hij laat nooit één kant zien: hij zorgt voor dilemma’s en die krijgen hun diverse vertolkers. In Elizabeth Costello geeft hij de gelijknamige vrouw in de vorm van lezingen alle ruimte haar ideeën over de wereld, de mens en de dieren te uiten. Maar alles wat Costello zegt wordt voorzien van het tegengeluid van haar schoondochter (‘Ze raaskalt’).

Coetzee’s koele manier van schrijven verschilt hemelsbreed van Martin Amis’ stilistische capriolen. Dat hij niet voor plezier zou zorgen bestrijd ik. Het is wel bitter plezier.

[reageren]

The Literary Saloon