Carel Peeters' literaire kroniek 09.07.2010

Door Carel Peeters

Het nieuwste nummer van het tijdschrift De Gids (4/2010) is gewijd aan de schrijver Herman Franke, maar het vorige nummer (3/2010) moet niet over het hoofd worden gezien. Dat gaat over vermeende veranderingen in de republiek der letteren, dat wil zeggen ‘de wereld van schrijvers en dichters’ in het algemeen en niet de gelijknamige rubriek in Vrij Nederland. Door de verschijning van internet, Google, Wikipedia, Hyves, sociale forums, blogs, interactieve internetsites van alles en over alles en iedereen zou de republiek der letteren een uitbreiding aan het ondergaan zijn die ervoor zorgt dat er nu gesproken moet worden van 're:publiek der letteren'. Re: staat dan voor interactief, reply, reactie. Een interactieve republiek der letteren.

Tenminste, er wordt sterk gesuggereerd dat de republiek der letteren allerlei veranderingen ondergaat, maar wie de verschillende bijdragen leest komt er snel achter dat hier sprake is van een hoge mate van zelfhypnose. Het idee is dat de republiek der letteren wel moet veranderen door al die technologische ontwikkelingen: door het feit dat de kennisverspreiding nog democratischer wordt, en dat nog meer mensen deel kunnen nemen aan de wereld van de kennis. De republiek der letteren zou, zo schrijft Noortje Marres in haar inleiding bij het nummer, uit zijn ‘quarantaine’ van wetenschap, kunst en literatuur moeten komen, want ‘de publieke ruimte laat zich niet meer tot die domeinen beperken.’

Maar de republiek der letteren bevindt zich helemaal niet in ‘quarantaine’ en hoeft helemaal geen veranderingen te ondergaan onder invloed van de technologische ontwikkelingen. Kenmerk van de republiek der letteren is haar republikeinse karakter, dat wil zeggen: een voor iedereen openstaande gemeenschap van vrije geesten ongeacht ras of stand, louter verenigd door ‘de adel van de geest’, ‘mente clarus nobilisque’, zoals Hans Bots in 1977 Spizelius citeert in zijn oratie Republiek der Letteren. Ideaal en werkelijkheid.

Geen van de medewerkers aan dit nummer van De Gids, behalve Michiel Leezenberg, heeft zich echt verdiept in de geschiedenis van de republiek der letteren. Ze zijn uitgegaan van het vage idee dat de republiek der letteren een enigszins elitaire aangelegenheid is (Noortje Marres), dat het gelijkstaat met de publieke opinie, zoals Frank Ankersmit vreemd genoeg denkt, of dat de republiek der letteren ‘een product is van de drukpers in de achttiende eeuw’, zoals Arie Altena schrijft.

Altena is de bedenker van de nieuwe schrijfwijze 're:publiek' omdat hij denkt dat er iets wezenlijk verandert door het online gaan van de geletterde cultuur. De grote verandering zou zijn dat er allerlei ‘slimme toepassingen’ zijn gebouwd ‘die de directe interactie bevorderen’. Dat ziet er in de praktijk zo uit: ‘De lezer (consument en producent) zit achter de schrijf-, lees-, en kijkmachine met de vingers op het toetsenbord, kijkt, leest en reageert met toetsenbordaanslagen. Lezen, browsen, zoeken en terugschrijven vormen een continue proces.’

Als dit de hele vernieuwing is die tot die nieuwe schrijfwijze re:publiek moet leiden, dan is dit een flagrant geval van de nieuwe kleren van de keizer. Het schrijven zal in de toekomst bestaan uit knippen en plakken van wat anderen geschreven hebben, aangevuld met wat eigen zinnetjes van de knipper en plakker.

- Ik denk dat je beter helemaal niet aan digitale literaire tijdschriften kunt beginnen.

Het artikel van Arie Altena, dat over het digitale literaire tijdschrift zou gaan, staat bol van de suggestie dat de computer voor ‘nieuwe leeswijzen’, ‘verschillende manieren van omgang met de tekst’ zorgt. Kern van de re:publiek is dat ‘iedereen kan gaan publiceren en zijn of haar teksten kan koppelen aan die van anderen.’ Wat zou dat inhouden, dat ‘koppelen van teksten aan die van anderen’, dat kennelijk zo essentieel is voor de ‘transformatie van de republiek der letteren in de re:publiek der letteren’? Betekent het samen artikelen schrijven, samen toneelstukken schrijven, samen een roman schrijven? Als het om dit ‘samen’ gaat, is er niets nieuws onder de zon: dat gebeurt al.

Het artikel van Altena leidt aan de digitale kletsziekte want driekwart ervan is een overbodige inleiding op een door hemzelf opgeworpen probleem dat hij niet zegt te kunnen oplossen: hoe kunnen mensen ertoe worden gebracht langere artikelen of essays te lezen op een digitaal literair tijdschrift? Hij denkt dat er ‘software format’ voor moet worden ontwikkeld. Ook denkt hij aan ‘zelfbeheersing’, dat men zich dus tot het lezen van die langere artikelen moet dwingen, als een soort straf. Ik denk dat je beter helemaal niet aan digitale literaire tijdschriften kunt beginnen. De website van een papieren literair tijdschrift is iets extra’s, een bonus, die kan het echte blad niet vervangen.

Het artikel van Noortje Marres waarmee dit nummer van De Gids begint gaat van een uit de lucht gegrepen voorstelling van de republiek der letteren uit. Ze denkt dat de republiek der letteren wordt gezien als een ideaal uit het verleden: ‘een geletterde cultuur als een verloren paradijs’. Ze ziet die republiek als ‘eendimensionaal’, een van de werkelijkheid losgezongen wereld, verheven boven de banale werkelijkheid: ‘Het abstracte ideaal van de republiek der letteren als een domein dat autonoom is ten opzichte van het politieke bestel en het zakenleven heeft daarmee veel van z’n verklarende kracht verloren.’

Dit is wel een heel vreemde voorstelling van zaken: de republiek der letteren omvat al lang alles wat denkt en schrijft, dus ook schrijvers van boeken over politiek, sociologie, kunst, religie. Iedereen die schrijft staat relatief autonoom ten opzichte van zijn onderwerp, en dat staat men ook meestal, anders zou men een soort collaborateur zijn.

Volgens Marres zou de republiek der letteren niet zo ‘autonoom’ moeten zijn. Ze zou zich dus met de politiek en het zakenleven moeten verbinden. Dan vergeet ze dat de republiek der letteren de eerder genoemde ‘adeldom van de geest’ vertegenwoordigt, dat wil zeggen dat er altijd spanning is en moet zijn tussen geest en macht. Kritiek op politiek en zakenleven is alleen mogelijk door (een zekere) afstand.

Marres doet het ook voorkomen alsof de republiek der letteren voor de hoge kunst staat. Ze geeft als voorbeeld het werk van Robert Darnton, die verschillende boeken heeft geschreven over de onderkant van de literatuur in de achttiende eeuw. Maar in deze aardige boeken deelt Darnton de boeken en de geschriften waar hij het over heeft niet meteen in bij de beste literatuur. Het is literaire sociologie die hij beoefent, geen literaire kritiek.

Marres wil graag dat de republiek der letteren alles omvat, ook schandaaljournalistiek, pornografie, roddel en politieke laster. Daar is geen enkel bezwaar tegen, als het goed gebeurt, als het de republiek waardig is. Elk genre heeft hoogtepunten.

Marres schrijft triomfantelijk dat ook geleerden in de achttiende eeuw ‘niet wars waren van “lage praktijken”: een van Rousseaus laatste brieven aan Voltaire bestond uit niet veel meer dan een aantal varianten op de opmerking “Meneer ik haat U”’. Het is typerend voor de sterke wens dan Marres dat tot de republiek der letteren ook ‘lagere praktijken’ worden gerekend. Rousseaus exclamaties richting Voltaire hebben helemaal niets te maken met hoog of laag: het zijn gewoon zijn woorden in zijn hoogoplopende conflict met Voltaire.

De republiek der letteren heeft nooit iets te maken gehad met rangen of standen, met hoge of lage cultuur. De republiek der letteren is in feite de republiek van geletterden, ze is van iedereen die kan lezen en zich op een zinnige manier kan uitdrukken. Ze omvat alle kunsten en wetenschappen, en alle literaire genres. Ze kan zelfs het twitteren omvatten, mocht dat op een zeker niveau gebeuren. Dat is in principe mogelijk, aangezien we in de literatuur al eeuwen een verwant genre hebben: het aforisme.

Een korte reactie op een haastig commentaar

Geplaatst door: Noortje Marres reacties

Een korte reactie op Carel Peeters’ bespreking van het vorige nummer van De Gids, De Re:publiek der Letteren, die de indruk maakt nogal haastig geschreven te zijn.

Zo staan er nogal wat tegenstrijdigheden in. Peters bekritiseert bijvoorbeeld een van de uitgangspunten van het nummer, het idee dat de Republiek der Letteren vaak erg nauw wordt opgevat, als iets dat zich tot de literatuur - en misschien de humaniora – beperkt. Volgens Peters bevindt de Republiek der Letteren zich helemaal niet in zo’n quarantaine. Maar in zijn eerste zin omschrijft hij deze Republiek zelf als “de wereld van schrijvers en dichters” (en niet: wetenschappers; vormgevers).

Jammer ook is de suggestie dat dit nummer simpelweg zou beweren dat de digitale media cultuur- en kennisverspreiding democratischer maken. Deze Gids probeert juist nuance aan te brengen in dit idee: digitale media bieden zowel een platform voor popularisering, voor nieuw technieken voor het ‘managen’ van de publieke opinie, als ook voor intellectueel en creatief experiment. Het interessante hieraan is dat de digitale cultuur hiermee indruist tegen simpele verhaaltjes over ‘een nieuwe golf van democratisering,’ of ‘een hoge cultuur onder druk.’

Maar helaas heeft of neemt Peeters voor dit soort nuances geen tijd of ruimte op zijn blog – een wrange ironie, want hiermee lijkt zijn commetnaar mij een typisch voorbeeld van het soort versnelling van de journalistiek waar dit nummer ook aandacht aan besteedt, in de bijdrages van Altena en Bommeljé – iets wat Peeters overigens niet opmerkt: Hij kiest ervoor om vast te stellen dat er “niets nieuws onder de zon” is.

Volgens Peeters, als ik het goed begrijp, is er helemaal geen probleem met de stand van de openbare cultuur, en heeft de republiek der letteren - nu en vroeger - niets te maken met rangen of standen, met hoge of lage cultuur. En zo neemt hij ook de tijd niet om de essays te bespreken die gaan over de opmars van het onderscheid tussen elitaire en populaire cultuur in Nederland, zoals in de essays van Loontjens, Schinkel, en Dijstelbloem – die elk de vraag aangaan hoe de verhouding tussen hoge en lage cultuur te denken voorbij een simpele tegenstelling tussen beide – of de ontkenning van dit onderscheid. Het is jammer, want het lijkt me precies een vraagstuk waarvoor een tijdschrift als VN een belangrijk forum zou kunnen bieden.



[reageren]

The Literary Saloon