Carel Peeters' literaire kroniek 17.09.2010
De verschillende gedaanten waarin de Griekse oppergod Zeus in verhalen opduikt maakt van hem de wonderlijkste god die ooit heeft bestaan. Om zijn zin te krijgen deed hij alles. Hij was een en al metamorfose. Hij veranderde in een zwaan om met Leda te kunnen slapen. Hij veranderde zich zelfs in een koe om daarmee Europa te ontvoeren. Bekend is ook dat hij zich als een slang vermomde en in die hoedanigheid in het bed ging liggen van Olympias, de vrouw van koning Philippus II van Macedonië. Dat was negen maanden voor de geboorte van Alexander de Grote in het jaar 356 v.Chr. Algemeen wordt aangenomen dat er verband is tussen Zeus’ aanwezigheid in Olympias’ bed en de geboorte van Alexander. Vandaar het verhaal dat Alexander een zoon van Zeus zou zijn.
Alexander was dus een godenzoon. En niet bij wijze van spreken, iemand die begiftigd is met vele talenten en bij wie alles een succes wordt. Nee, we moeten het ons als een keiharde realiteit voorstellen. Zo wilde hij het zelf, en zo wilde iedereen die hem bewonderde en vereerde: Alexander de Grote was een zoon van de god Zeus. Wie zich afvraagt hoe de conceptie dan in zijn werk is gegaan stuit op het verhaal van Zeus in de gedaante van een slang. Zo worden godenzonen geboren.
Hier ontstaat dus een probleem, waarvan je je scherp bewust wordt op de prachtige tentoonstelling over mythe en werkelijkheid van De onsterfelijke Alexander de Grote in de Hermitage in Amsterdam. Wie het verhaal over Zeus’ bevruchting van Olympias in de gedaante van een slang beschouwt als een mooi mythologisch sprookje doet ernstig tekort aan het realiteitsgehalte dat er aan moet worden toegekend en er altijd aan is toegekend.
Niet dat er geen twijfel over bestond. In zijn biografie over Alexander doet Robin Lane Fox er menige pagina over om te vertellen dat Alexander er zelf van overtuigd was dat hij een zoon van Zeus was, maar dat hij het wel steeds opnieuw bevestigd wilde zien. Zijn vader had hem al gezegd dat hij geen gewoon mensenkind was. Het orakel van Apollo in Didyma had gezegd dat hij een godenzoon was. Ondertussen identificeerde hij zich alvast met Achilles, daarna met Hercules, om zich tenslotte rijp te vinden voor Zeus’ zoon. In de woestijn van Egypte kreeg hij in het heiligdom Siwa dan uiteindelijk uitsluitsel toen de de priester hem daar begroette door te zeggen dat hij ‘de zoon van Zeus’ welkom heette.
Maar helaas, die begroeting kon verschillend uitgelegd worden. Robin Lane Fox: ‘de priester wilde Alexander in het Grieks aanspreken als ‘mijn zoon’ (o paidion), maar vergiste zich en zei in plaats daarvan ‘o paidios’, wat in de oren van de Macedoniërs klonk als de twee woorden ‘pai Dios’ of ‘zoon van Zeus’. Deze verspreking werd in de oudheid algemeen geloofd en als een gelukkig teken voor Alexander opgevat. Hij zelf werd bevestigd in zijn overtuiging van goddelijke komaf te zijn, en ontelbare onderdanen gingen daarin mee.
De mythe en werkelijkheid van Alexander waarover je wordt verondersteld na te denken als bezoeker van de tentoonstelling is geen antiek probleem dat zich meer dan drieëntwintig honderd jaar geleden afspeelt. Het is nog net zo reëel. Zoals men toen dacht, of wilde denken, dat Alexander echt een zoon van de god Zeus was, zo denkt men nu nog steeds dat Jezus een zoon van Maria is, terwijl ze nooit met een man in bed heeft gelegen: ze heeft ‘onbevlekt ontvangen’ zoals men zegt. De aartsengel Gabriël kwam Maria eenvoudig vertellen (de ‘annunciatie’) dat ze zwanger was van Jezus, dat was alles.
- Men wil in absurde zaken geloven, omdat men niet bereid is het wonderlijke te zien in wat er werkelijk is
Men gelooft in beide gevallen dus iets totaal onmogelijks. Als een gelovige hier over nadenkt stuit hij niet op een harde ondergrond waar staat geschreven dat een slang een vrouw niet kan bevruchten, en dat een vrouw geen zoon kan baren zonder met een man geslapen te hebben, dan wel (in hedendaagse termen), sperma in haar baarmoeder te hebben gekregen. Men springt daarentegen met een katholiek, protestant, anglicaans of islamitisch sprongetje over die onmogelijkheid heen en belandt in het land der sprookjes waar men gelooft in mirakelen, wonderen, onmogelijkheden. Maar het heet geen sprookjesland, het is voor die gelovige de werkelijkheid.
Dat is het aardige van het boek Lof der godloosheid, Een kleine filosofie van ongeloof en twijfel van Fernando Savater: het is een boek over de uitvluchten die gelovigen hebben gezocht om te ontkomen aan de onontkoombare realiteit, bijvoorbeeld dat een vrouw geen zoon kan baren door met een slang te slapen. Het komt er altijd op neer dat men de regie uit handen geeft, aan een god, paus, priester, de genade of ‘iets’, als het maar niet zijzelf zijn. Geloven is absurd. Men gelooft tegen beter weten in (‘Het geloof is geloven in datgene waarvan men weet dat het er niet is’ – Mark Twain). Men wil in absurde zaken geloven, omdat men niet bereid is het wonderlijke te zien in wat er werkelijk is.
Nu de religies weer in de gratie zijn, hebben de niet-gelovigen het zwaar te verduren. De suggestie wordt gewekt dat ongelovigen nergens in geloven. Wat geloven atheïsten? Heel veel, misschien wel meer dan gelovigen, want die hoeven niet alles zelf te bedenken wat ze geloven. Dat moet een ongelovige wel. Na bestudering van Darwin gelooft hij bijvoorbeeld dat de evolutietheorie heel dicht bij de waarheid komt. Hij ziet ook veel in Freud wanneer die zegt dat religies alles te maken hebben met neurose en angst, en met het uit handen geven van de verantwoordelijkheid. Gelovigen denken dat voor ongelovigen niets heilig is. Inderdaad, voor ongelovigen is niets heilig, omdat ‘heilig’ altijd verbonden is met geloven en onderwerping. Maar een ongelovige heeft wel een scala aan persoonlijke heiligheden.
Een van de manieren van geloven is te denken dat je meer bent dan je bent. Dat is heel menselijk, maar Alexander de Grote had die verleiding met al zijn talenten moeten weerstaan en niet in grootheidswaan moeten vervallen. Van een godenzoon bij-wijze-van-spreken, moest hij zonodig letterlijk een godenzoon worden. De daaraan verbonden eeuwige roem heeft hij wel gekregen, maar dat komt omdat niemand echt de balans durft op te maken van zijn verdiensten en vergissingen, van zijn goedgunstigheden en woedeaanvallen, van zijn zegeningen en talloze wreedheden. Geloof het of niet, dat zou wel eens negatief kunnen uitpakken.
Lof der godloosheid van Fernando Savater is uitgegeven door Bijleveld.
In het Allard Pierson Museum in Amsterdam is tot 20 maart 2011 de tentoonstelling 'Alexanders Erfenis'.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
