Carel Peeters' literaire kroniek 15.10.2010

Nadat de Engelse acteur Lawrence Olivier op de vraag van een journalist had geantwoord dat Marilyn Monroe ‘een briljant comédienne’ was, leverde zij even later het bewijs van zijn gelijk. Ze gaven samen in 1956 een drukbezochte persconferentie in New York omdat ze in de The Prince and the Showgirl zouden gaan spelen, een film op basis van het toneelstuk The Sleeping Prince van Terence Rattigan. De film, over een revuemeisje dat verliefd wordt op een Midden-Europese prins, was een idee van Marilyn. Ook dat Lawrence Olivier haar tegenspeler zou moeten zijn (‘Hij is altijd mijn idool geweest’).
Terwijl journalisten iedereen verveelden met saaie vragen aan Olivier over zijn salaris en zijn relatie met Amerikaanse collega’s, deed Marilyn ondertussen haar jas uit. Ze leunde daarbij wat voorover en brak een van de dunner dan dunne bandjes van haar jurk. Consternatie en veel geklik van camera’s was het gevolg, maar ook was de atmosfeer van de bijeenkomst op slag opgeklaard: ‘she had made it fun’, zoals de fotografe Eve Arnold later schreef. Er werd ontspannen gelachen. Iemand had een veiligheidsspeld.
Dit ‘ongelukje’ was door de comédienne Marilyn Monroe van te voren bedacht. Eve Arnold had haar nog even voor het begin van de persconferentie gesproken: voor de spiegel had Marilyn haar met een knipoog gezegd ‘Just watch me’. Arnold, die zich altijd verre hield van zulke persconferenties, bleef nog even toen het gebeurd was, verrast en geamuseerd door Marilyns ‘cleverness’.
Dit keer was Monroe niet te laat. Dat ze altijd en overal te laat kwam had niets te maken met sterallures. Vanaf ongeveer 1950 zorgde haar verschijning altijd voor een lichte opschudding en werd van haar verwacht dat ze elk moment volledig de actrice Marilyn Monroe was, geen moment ongezien. Voor haar was haar publieke verschijning net zo’n rol als het spelen voor de camera. Haar eeuwige angst om niet aan de verwachtingen van mensen te voldoen zorgde ervoor dat ze heel wat moest overwinnen voor ze echt te voorschijn kwam. Ze moest zich erop instellen en op voorbereiden. Maar als ze er was, was ze ‘totally committed’, schrijft Arnold.
Wat er nu te zien en te lezen is in Ik ben alleen, het boek dat gemaakt is van haar dagboekaantekeningen, briefjes, brieven en gekrabbel in notitieboekjes, is wat er vooraf ging aan zulke openbare verschijningen als met Olivier. Deze aantekeningen laten de rafelige achterkant van de perfecte voorkant zien zoals we die kennen van de duizenden foto’s in tientallen boeken over Marilyn Monroe.

Die duizende foto’s van Marilyn Monroe waarop ze staat als de personificatie van de ideale vrouw komt in schril contrast te staan met aantekeningen en losse zinnen op een lege pagina als ‘having a sense of myself’ – alsof ze voortdurend bezig was om te proberen bij zichzelf en haar gevoelens te komen – en dat was ook zo. Een pagina eerder staat er in dezelfde geest: ‘Voel wat ik zelf voel in mezelf – dat probeert zich er bewust van te worden/ook wat ik in anderen voel/me niet te schamen voor mijn gevoelens, gedachten – of ideeën’. Dat het grammaticaal soms niet helemaal klopt, hoort bij deze krabbels, die zijn alleen maar bedoeld om een afdruk te zijn van wat er in haar opkomt. Het zijn geen ‘gedichten’, zoals wel wordt gezegd. Ze wil geen mooie zinnen schrijven, ze volgt de dwingende impulsen van haar gedachten.
De in facsimile afgedrukte pagina’s uit de notitieboekjes zijn een bijna onleesbare wirwar van zinnen en krabbels. Maar ze zijn wel consistent. Het is een zinnig rommeltje, ze wil iets onder woorden brengen en zichzelf iets duidelijk maken. Het is adembenemend dichtbij en authentiek. En dramatisch wanneer duidelijk wordt hoe groot de kloof is tussen haar werkelijkheid en haar verschijning: in haar jeugd heeft Monroe geen enkele vorm van stabiliteit of zelfvertrouwen opgedaan, is alleen maar opgescheept met schuldgevoelens. Ze is zichzelf voortdurend aan het voorhouden zich niet te schamen voor wat ze voelt, denkt en vindt (‘geen spijt hebben dat ik gezegd heb/wat ik gezegd heb als het voor mij echt waar is’).
- 'Het lijkt wel of ik een hele bovenbouw zonder fundament heb opgebouwd. Maar aan de fundamenten wordt nu gewerkt.’
Het was niet onbekend, maar dit boek getuigt er nog eens van, dat Monroe een duidelijk idee had van wat ze in artistieke zin eigenlijk wilde. Dat was iets meer dan de rol van dom blondje spelen. Onder al de glamour was ze op zoek naar iets heel anders, en daar had een duidelijke intuïtie van: in haar boekenkast stonden boeken van Flaubert, Beckett, Steinbeck, Hemingway, Kerouac, Joyce, Somerset Maugham, Dostojewski, Whitman, Camus en Conrad. Ze zocht het gezelschap van schrijvers als Karen Blixen, Carson McCulllers, Truman Capote, Edith Sitwell en Arthur Miller natuurlijk. Haar keuze om zich onder de hoede van toneelpedagogen Lee en Susan Strasberg te stellen, was bedoeld om een andere en betere actrice te worden. Tegen een journalist sprak ze eens de prachtige zin: 'Het lijkt wel of ik een hele bovenbouw zonder fundament heb opgebouwd. Maar aan de fundamenten wordt nu gewerkt.’
Monroe had de nieuwsgierigheid en de verwondering die kenmerkend is voor iemand die de wereld echt wil leren kennen. En dan merkt dat het lastig is om de dingen te leren kennen zoals ze in werkelijkheid zijn: ‘de dingen op zich’. Het bewustzijn van dit verschil tussen het zijn en het kennen is altijd het begin van de permanente zoektocht naar hoe het echt in elkaar zit. Op dat spoor zat Monroe. ‘De werkelijkheid te kennen’, schrijft ze in 1956, ‘dingen zoals ze zijn dan/ niet te weten/en zo min mogelijk/illusies te hebben’.
Het boek begint met een verrassend volwassen en intelligent stuk van zes volgetypte pagina’s uit 1943 (Monroe is dan achttien jaar) over zichzelf en de verhouding met de man met wie ze in 1942 per vergissing was getrouwd. Het boek eindigt ongeveer met een lange brief aan haar psychiater Ralph Greenson waarin ze gedetailleerd beschrijft wat haar is overkomen in een gekkenhuis waarin ze op advies van haar psychotherapeute Marianne Kris was beland. Het zijn allebei fascinerende getuigennissen van haar intelligentie, verwarring en gespletenheid. ‘Ik weet’, schrijft ze aan Greenson, ‘dat ik nooit gelukkig zal zijn, maar ik weet dat ik wel vrolijk kan zijn.’ Monroe’s vrolijke ongeluk.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
