Carel Peeters' literaire kroniek 21.06.2010

Door Carel Peeters

Willem Elsschot wordt meer en meer de personificatie van de respectabel ogende windhandel. Hij schreef er Lijmen, Het been en Kaas over. Wat hij daarin beschrijft is wat hij als Alfons de Ridder dagelijks zelf deed.

Nu onlangs zijn zakelijke archief door de stad Antwerpen is aangekocht en is toegevoegd aan de collectie van het Vlaamse Letterkundig Museum (het ‘Letterenhuis’) krijgen we nog meer inzicht in de manier waarop Alfons de Ridder te werk ging als directeur/compagnon van publiciteit- of reclamebureaus die tijdschriften en boeken uitgaven met een hoog nutteloos gehalte, maar waarin wel een overmacht aan advertenties werd opgenomen, precies zoals in het Wereldtijdschrift dat in Lijmen optreedt.

Prachtige namen kregen die tijdschriften, waarbij het de vraag was of het een Revue Universelle of een Revue Générale moest worden. Het werd La Revue Continentale Illustré. In Dicht bij Elsschot, de door Wieneke 't Hoen samengestelde catalogus voor de tentoonstelling die tot 31 december in het Letterenhuis in Antwerpen te zien is (uitgegeven door Athenaeum), staan indrukwekkende afbeeldingen van het briefpapier van die firma’s. ‘La Propagande Commerciale’ heeft als logo een wereldbol met een wereldomvattende strik er omheen. Op het helgele briefpapier worden alle activiteiten die de firma onderneemt genoemd, van het maken van jaarboeken, adresboeken, agenda’s tot, niet te vergeten vanwege de lucrativiteit, de reclame op de kiosken voor kranten en tijdschriften, zowel op de stations als op de openbare weg. Die kiosken werden ook weer lichtelijk misleidend ‘Bibliothèques des Gares’ genoemd.

René Leclercq aan madame W. De Ridder (schoondochter Marcelle Mangematin) over het Livre d'Or, 22 november 1930
René Leclercq aan madame W. De Ridder (schoondochter Marcelle Mangematin) over het Livre d'Or, 22 november 1930

Een van de lucratiefste projecten van La Propagande Commerciale was de uitgave van het gedenkboek ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van België in 1930. Alfons de Ridder/Willem Elsschot mobiliseerde al zijn contacten om de status van het 728 pagina’s tellende gedenkboek te verhogen. Marcelle, de vrouw van zijn zoon Walter, was een française met goede contacten in hogere kringen. Dat leidde ertoe dat het gedenkboek Livre d’Or du Centenaire de l’Indépendance Belge 1830-1930 onder bescherming van koning Albert kwam te staan, wat dan ook meteen op het briefpapier werd vermeld. Op dat briefpapier staan zoveel namen van leden van het ere-comité dat er amper ruimte over is voor de te schrijven brief. Voor de gelegenheid houdt de firma La Propagande Commerciale ook nog kantoor in de Rue Royale 83 te Bruxelles.

Al eerder bekend, maar ook nu weer in alle opzichten komisch om te zien, is het kasboek dat Alfons de Ridder in 1933 bijhield van de advertentiefuik die onder de naam Almanak der Kroostrijke gezinnen werd uitgegeven. Het bleef niet bij een Nederlandstalige uitgave, ook de franstaligen werden bediend met Almanach des Familles Nombreuses. (Elsschot had zelf zes kinderen).

- Volgens Elsschot moest je in België Frans of Engels spreken om serieus genomen te worden, aan de Vlaming zat ‘een luchtje’

Elsschot, die in 1904 zijn diploma aan het Institut Supérieur du Commerce in Antwerpen haalde, was door en door een zakenman. Handel was handel. Hij schrok er niet voor terug om een gedenkboek te maken voor iemand waar hij helemaal geen bewondering had, zoals voor de ‘aartsbisschop van Mechelen en metropoliet van België’ Désiré-Joseph Mercier. De man was strenge katholiek, conservatief, enorm populair onder Franstalige patriotten, terwijl Elsschot een gedreven Vlaming was. De man was fel tegen het invoeren van het Nederlandstalig onderwijs, terwijl Elsschot daar een hartstochtelijk voorstander van was. Het boekwerk verscheen in drie uitvoeringen, ‘voor elk budget een’. Toen er na de festiviteiten nog exemplaren over waren werden die door kleine aanpassingen tot ‘Gedenkboek’ gemaakt, zodat die gebruikt konden worden bij het overlijden van de kardinaal twee jaar later.

Elsschot was zo begaan met de Vlaamse zaak dat hij in 1919 ‘De toestand der Vlamingen’ schreef, een stuk dat hij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant wilde publiceren, maar dat niet werd opgenomen. Volgens Elsschot moest je in België Frans of Engels spreken om serieus genomen te worden, aan de Vlaming zat ‘een luchtje’: ‘Wie nu zijn kinderen nog in ’t Vlaamsch durft op te voeden, bedrijft een misdaad. Ik erken dan ook gaarne dat ik met mijn zes erfgenamen vreeselijk in de nesten zit, want de vijf jongsten kennen geen gebenedijd woord Fransch. Al dat kleine grut loopt in ’t vlaamsch te schreeuwen en ruzie te maken dat je ’t op de straat hooren kan. ’t Is schande.’

Tot de reeks komische feiten in het leven van Willem Elsschot behoort ook de benoeming van Alfons de Ridder in 1920 tot Ridder in de Orde der Kroon. Hij had toen alleen nog maar Villa des Roses gepubliceerd. In Dicht bij Elsschot blijkt eens te meer dat Elsschot wel een burgerlijke uitstraling had door zijn driedelige donkere pak, zijn grote gezin en zijn beroep, maar in feite een enfant terrible was. Hij was van jongsaf onverwacht dwars. Als achttienjarige schreef hij:

’K heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen
aan al de passies van een menschenleven;
ik heb den beker huilend hoog geheven
en aangegaapt met lippen gulzig open.

Zie ook:

Op de Vlaamse website van omroep één staat een filmpje waarin op de achtergrond familiefilms een bewegende Elsschot laten zien. Zo ook in een item op het VRT journaal

Wieneke 't Hoen, schrijfster van het boek Dicht bij Elsschot, schreef eerder over de vriendschap tussen René Leclercq en Willem Elsschot: 'Notre pauvre amitié'

[reageren]

The Literary Saloon