Carel Peeters' literaire kroniek 29.10.2010

Op St James Street nummer 27 in Londen was rond het jaar 1800 dagelijks hetzelfde tafereel te zien: mensen verdrongen zich voor de etalage van Hannah Humphrey’s winkel in satirische prenten om de dagelijkse nieuwe tekening te zien, niet zelden afkomstig van James Gillray. Met hem had zij een vaste afspraak. Natuurlijk heeft Gillray dit tafereel ook zelf getekend. Hij was de beste en ongenadigste satirische tekenaar van zijn tijd, al had hij in Thomas Rowlandson en Isaac Cruikshank bijna gelijkwaardige collega’s. Met William Hogarth als inspirator zorgden zij ervoor dat nu gesproken kan worden van The Golden Age of Caricature 1760-1830.
Dit was de tijd waarin de cartoonisten als prooi konden beschikken over een flink aantal illustere figuren en ingrijpende gebeurtenissen: de aandoenlijke koning George III, de Franse Revolutie, de republikein Charles James Fox, minister-president William Pitt, de conservatief Edmund Burke, de lachwekkende Prince of Wales, de Hollandse naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V (‘Cupido’), en natuurlijk Napoleon Bonaparte, onder satirici beter bekend als Boney. Hij was ‘a caricaturists’ delight’, twintig jaar onafgebroken een bron van inspiratie.
Nederland was niet helemaal afwezig tijdens deze bloei van de karikatuur in Engeland. Dat kwam door de aanwezigheid van Willem V, die zich na zijn vlucht uit Nederland in januari 1795 ophield in Kew Palace, ook wel Dutch House genoemd, en daarna in Hampton Court. Daar installeerde hij zich met de inhoud van de de achttien volgestouwde wagens met kisten goud, porselein, schilderijen, zilver en andere kunstvoorwerpen die hij nog had weten mee te nemen toen Pichegru met zijn Franse leger Nederland binnentrok. James Gillray maakte toen niet alleen zijn niets ontziende tekeningen van de Engelse politiek, maar werkte ook in opdracht, bijvoorbeeld voor Nederlanders die graag een satirische kijk op de Franse bezetting wilden hebben. Zo tekende Gillray op verzoek van Nederlanders ‘Het comité voor noodlijdenden’ waarop een gezelschap dikzakken zit te schransen terwijl de noodlijdenden zelf bij de deur worden weggejaagd. Natuurlijk maakte hij in het bijschrift menige taalfout: ‘Het committè van noodlydende’ staat er onder. Op een andere tekening uit 1796 zien we ‘Eenige der representanten van het volk van Holland’ verstopt in de takken van een roe.
Kenmerkend voor de bloeiperiode van de Engelse cartoon was de grenzeloze vrijmoedigheid van de tekenaars. Alles kon getekend worden, niemand werd gespaard. Harder, fantasierijker, bewerkelijker, kunstzinniger is er nooit meer getekend. De koninklijke familie kon winden latend worden getoond, al dan niet bloot. Er zijn nooit méér satirische blote billen getekend. De koningin werd gezien als een mager, half tandeloos scharminkel omdat zij en haar man George III er een sobere levensstijl op na hielden (in tegenstelling tot hun zoon, de Prince of Wales).
- De tuin staat vol met jonge boompjes waarin kleine Willempjes groeien
In 1797 was de opzichtige aanwezigheid van Willem V in Engeland aanleiding voor Gillray om een tekening van zijn zorgeloze leventje te maken. Van Willem V was bekend dat hij niet eenkennig was en bij verschillende vrouwen kinderen had. We zien hem hier in de gedaante van een blote Cupido na gedane arbeid in zijn tuin liggen uitrusten terwijl zwangere vrouwen boven hem zweven. De tuin staat vol met jonge boompjes waarin kleine Willempjes groeien. (Toen Willem V in 1958 werd bijgezet in de Nieuwe Kerk in Delft wilde prinses Wilhelmina daar niet bij zijn. Ze wilde niet aanlopen achter zo’n ‘sufferd’ die zijn land was ontvlucht).

De ets van Gillray is bekend omdat een Nederlander, Jan Gerard van der Wall, hem heeft nagetekend. Hij is nu te zien in het Prentenkabinet van Teylers Museum in Haarlem als onderdeel van de tentoonstelling The Madness of King George. Gebleken is dat Teylers Museum een collectie van vijfenveertig etsen van Engelse cartoonisten uit de bloeiperiode bezit, waaronder Gillrays en Rowlandsons. Die kwamen te voorschijn omdat Teylers Museum deel wilde nemen aan het Madness & Arts Festival in Haarlem (de tentoonstelling Vincent van Gogh, gek of geniaal? in Het Dolhuis is daar ook een onderdeel van).
Het is niet helemaal zeker hoe Teylers aan deze mooie collectie is gekomen. Een plausibele verklaring is dat ze via de broer van Hanna Humphrey, William, in het bezit van Teylers zijn gekomen. Die handelde niet alleen in prenten, maar ook in mineralen en porselein. Voor die mineralen had de toenmalige directeur van Teylers’ naturaliënkabinet, Martinus van Marum, belangstelling. Hij nam diverse keren fossielen en mineralen van hem af, schrijft Frans Grijzenhout in Teylers Magazijn. William Humphrey was in het voorjaar van 1802 in Nederland en schreef Gillray vanuit Amsterdam brieven waarin hij hem probeerde te verleiden om naar Holland te komen, onder meer omdat hij hier zijn werk goed zou kunnen verkopen. Humphrey doet alsof de bootreis over het Kanaal niet veel meer is dan het oversteken van de Thames. En als je er dan bent en van het platteland naar de stad gaat is het ‘like passing thro’ Paradise.’ Het hele land kan een ‘Vanity Fair’ worden genoemd en speciaal de kermissen van Amsterdam en Haarlem prijst hij aan. Voor de cartoonist is Holland een goudmijn, want Humphrey komt in Amsterdam dagelijks figuren tegen die er om vragen in een tekening vereeuwigd te worden.

Op veel van de etsen in Teylers Museum is George III te zien. Dat was een brave lobbes die veel goeds heeft betekend voor kunsten en wetenschappen (de geestige Duitse filosoof Georg Christoph Lichtenberg verbleef maanden onder zijn hoede in zijn paleis). Maar hij werd langzaam krankzinnig en moest in 1811 aftreden. Dat was ook het jaar waarin James Gillray, die hem zo vaak had getekend, zelf de tekenen van krankzinnigheid ging vertonen. Bovendien gingen zijn ogen sterk achteruit. De laatste twee jaar van zijn leven bracht hij onder de hoede van Hanna Humphrey door op de zolder van haar printshop, af en toen profiterend van de dagen dat hij helder was. Gillray zorgde ervoor dat Engeland nu bekend staat als The House of Caricature.
The Madness of King George is (net als Mythen van het atelier) nog te zien tot begin januari 2011.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
