Carel Peeters' literaire kroniek 13.08.2010
De Amerikaanse historicus van de achttiende eeuw Robert Darnton heeft een speciale neus voor het vinden van interessante archieven, vooral archieven waarin iemand in geen eeuwen zijn neus heeft gestoken. Die zijn vaak door historici over het hoofd gezien omdat het stof van de saaiheid hen al tegemoet waaide bij de gedachte er aan: archieven van bedrijven, dozen vol zakelijke correspondentie, bankafschriften, vergeten statistieken. Daarin wil Darnton het juist zoeken, aangezien hij zich speciaal interesseert voor de schijnbaar triviale kanten van de geschiedenis van de achttiende eeuw en van de Verlichting in het bijzonder.
Zo stuitte hij op het archief van de Zwitserse uitgever en drukker Société typographique de Neuchatel: ‘a historical goldmine of staggering richness’, zoals Darntons collega Simon Schama het noemt. Deze uitgeverij besloot in 1768 met twee partners in Parijs en Lyon een nieuwe uitgave te maken van de meer dan dertig delen beslaande Encyclopédie van Diderot en d’Alembert. Niet op het eerdere folio-formaat maar nu op kwarto.

De Encyclopédie van Diderot was een succes, maar uitverkocht. Dus werd het interessant, en mogelijk lucratief, hem te herdrukken, maar dan wel zo dat hij betaalbaar werd voor veel mensen. Een volkseditie voor de verspreiding van de verlichte ideeën. Dan moest hij door het hele land verkocht worden, waarvoor colporteurs aangetrokken moesten worden. De tekst moest bewerkt en bekort worden, vaak ook veranderd of verbeterd. Diderot wilde zich daar niet meer mee bemoeien. Het werd een groot, ingewikkeld project dat technisch en financieel helemaal uit de hand liep. Het bewaard geworden archief geeft een magnifiek inzicht in de manier waarop indertijd kennis bij mensen kwam. Je ziet de zakelijke kanten van een prestigieuze culturele onderneming, waarbij het niet altijd even netjes toe ging tussen de zakenpartners: ‘the line between crime and business’ was erg dun.
Dat Simon Schama in alles wat hij schrijft gestuurd wordt door het Freudiaanse lustprincipe is goed te zien aan het stuk dat hij schrijft over het boek van Robert Darnton over zijn vondst van het archief: The Business of Enlightenment. Het stuk komt voor in Schama’s nieuwe boek Scribble, Scribble, Scribble, dat als ondertitel Writings on Ice Cream, Obama, Churchill and My Mother heeft, wat onmiskenbaar aangeeft dat het over van alles en nog wat gaat. Deze twee historici liggen elkaar wel, allebei schrijven ze regelmatig in The New York Review of Books en andere kranten en tijdschriften als The New Yorker, The Guardian of The London Review of Books. Ze liggen elkaar vooral omdat ze het verleden allebei beschouwen als iets dat tot leven gewekt moet worden door een enthousiaste aanpak, of, zoals Schama over Darnton schrijft: ‘he brillantly succeeds in clothing the dry bones of history with living flesh.’
- ‘Poesy’ wilde toen zeggen: het suggereren van onwereldse zaken door een nauwkeurige waarneming van de wereldse
Die enthousiaste aanpak is een, het andere is een goede neus voor wat tot leven te wekken is. Een van afdelingen in Scribble, Scribble, Scribble bevat stukken over kunst (de anderen gaan over reizen, Amerika, democratie, historici, toneel en film, koken en eten). Daarin laat Schama zien dat hij een speciaal oog heeft voor de poëzie van de werkelijkheid, voor ‘the poetic fact’. In een briljante lezing over de Engelse negentiende eeuwse kunstcriticus John Ruskin en diens van haat doordrongen opvattingen over de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw, verdedigt Schama de Hollandse landschapsschilders tegen Ruskins ‘most savage denunciations’. Ruskin zag in Albert Cuyp, Jacob van Ruysdael en Jan van Goyen alleen maar handige schilders die de werkelijkheid mechanisch weergaven met wat goedkope lichteffecten. Ze hadden een totaal gebrek aan ideeën. Het was Ruskin te realistisch, te werkelijk, het moest in zijn ogen spiritueler, minder materialistisch. Die schilders zagen het schilderen ook als een vak, niet als een roeping. ‘Door hun pastorale landschappen’, schreef Ruskin, ‘verliezen we niet alleen alle geloof in religie, maar zelf de hele herinnering er aan.’
Het ontgaat Ruskin volgens Schama volledig dat de Hollandse schilders er juist in slaagden aan het schilderen van de werkelijkheid een poëtische glans te verlenen. ‘Poesy’ wilde toen zeggen: het suggereren van onwereldse zaken door een nauwkeurige waarneming van de wereldse. Ruskin blijft steken bij de geschilderde materie en ziet niet dat het schilderen van de buitenkant zo geraffineerd gebeurt dat er een hele binnenkant mee wordt gesuggereerd. De koeien van Paulus Potter waren voor Ruskin alleen maar vee dat op het punt stond verkocht te worden voor een goede prijs. De geschilderde schapen stonden daar alleen om te laten zien hoeveel wol ze zouden gaan opleveren.
Ruskins haat tegen de Hollandse schilders van de zeventiende eeuw stond in scherp contrast met de Franse critici van die tijd, Théophile Thoré, Alphonse Esquiros en Arsène Houssaye. Die wisten precies wat de Hollanders deden, zij zagen dat een boom op een duinheuvel bij Ruysdael niet zomaar een boom was, maar op dat moment even de boom der bomen waaraan door de schilders een subtiele poëtische glans werd onttrokken.
Het opsporen van het ‘poetic fact’, de poëzie die aan de werkelijkheid eigen kan zijn: dat is wat Simon Schama met enthousiaste nuchterheid steeds doet. Een mooi voorbeeld, en ook weer het resultaat van zijn enorme kennis en nieuwsgierigheid, staat in ‘Dutch Courage’, het stuk over een tentoonstelling over Hollandse portretten in de National Gallery in Londen. Waar let je op bij al die langskomende portretten die zelden een speciaal vrolijke uitstraling hebben? Alleen Schama ziet wat niemand ziet: een schilderij dat ‘een van de grote veranderingen in de geschiedenis van het huwelijk’ vastlegt: de gemeenschappelijke glimlach van man en vrouw op het schilderij van Isaac Massa en zijn vrouw Beatrix van der Laen van Frans Hals uit 1622. Zo’n genoeglijk paar, dat hun plezier in elkaar zo ongedwongen laat zien (Beatrix legt haar hand op Isaacs schouder) was nog niet eerder voorgekomen. Dit was het afscheid van het rigide formalisme, en de introductie van een levendig naturalisme. Deze door Schama opgemerkte ‘revolutie van de glimlach’ is zo’n poëtisch feit, even werkelijk als poëtisch.
In de inleiding van Scribble, Scribble, Scribble schrijft Schama met veel ironie over zijn niet te stuiten drang om, naast dikke geleerde boeken, ook met grote regelmaat deze nu gebundelde stukken voor kranten en tijdschriften te schrijven. Dat is, zegt hij, de Tiger in hem, de spring-in-het-veld uit Winnie the Pooh die niet kan stilzitten. Hij pent en pent maar door, na het einde van de regel komt er weer een regel (heerlijk!), en daarna komt er een hele alinea, waarna er (heerlijk!) weer een halve pagina komt om te vullen. Schama schrijft het wel allemaal in één keer op, maar hij heeft over alles wat hij schrijft eerst lang nagedacht. Dat is niet anders dan bij Edward Gibbon, de historicus en schrijver over de opkomst en de ondergang van het Romeinse rijk van wie hij de titel van zijn boek heeft. Die kreeg van de Duke of Gloucester te horen: ‘Another damned thick, square book! Always scribble, scribble, scribble! Eh Mr Gibbon?’ Mocht iemand hierdoor denken dat Gibbon de hele dag maar wat zat te krabbelen, dan hecht Schama er aan te vermelden dat Gibbon het schrijven allerminst makkelijk afging.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
