Carel Peeters' literaire kroniek 05.07.2010
Geen interessantere en gedrevener briefschrijver in de literatuur dan Moses Herzog, de hoofdpersoon van Saul Bellows roman Herzog (1964). Verlaten door zijn vrouw, eenzaam bivakkerend in zijn stille huis bevindt hij zich elke dag op de rand van een zenuwinstorting. Wat hem overeind houdt is zijn manie om zijn oververhitte geest te ontladen door mensen brieven te schrijven. En niet alleen vrienden en kennissen, maar ook de president van Amerika, The New York Times, zijn advocaat, zijn promoter, zijn psychiater, zelfs aan de Duitse filosoof Martin Heidegger om hem te vragen wat hij toch bedoeld kan hebben met ‘de val in het alledaagse’.
Gemeenschappelijk aan al die brieven is de overspannen toon van iemand die alles hoog zit, maar ook de scherpzinnigheid. In zijn lucide mentale toestand lijkt Herzog op de hoogte van alle cruciale menselijke dilemma’s en ook van wat anderen daarover hebben gedacht. Herzog weet hoe anderen de vraag ‘hoe te leven?’ beantwoorden, maar zelf kan hij het niet, ook al is hij een geducht belanghebbende. Hij buigt zich dwangmatig over de ‘Filosofie van het risico’.
Wanneer je als romanschrijver zulke scherpzinnige brieven kunt schrijven, hoe zouden je echte brieven er dan uit zien, geschreven in het gewone leven? Uit de helaas nogal eenzijdig op Bellows leven (1915-2005) gerichte biografie van James Atlas weten we dat hij door vier huwelijken een paar keer in de positie van Herzog heeft verkeerd, maar dat heeft toch niet geleid tot de manie van Herzog. Bellow was zelf geen enthousiast briefschrijver. ‘Ik kan mezelf opwerken tot het schrijven van een roman’, schreef hij, maar brieven, ‘real-life communications, are too much for me.’
Er zijn niettemin brieven genoeg, al zullen we op een uitgave ervan nog even moeten wachten. Maar toch niet meer al te lang nu The New Yorker in het nummer van 26 april al een aardig voorproefje heeft gepubliceerd aan collega schrijvers als Philip Roth, Bernard Malamud, William Faulkner, John Cheever, Martin Amis en critici als Lionel Trilling en Alfred Kazin. In deze brieven, de eerste is van 1942, de laatste van 2004, is geen overspannen Herzog aan het woord, maar wel een robuust-overgevoelige Bellow, speciaal als het gaat om zijn metier, het schrijven.
Er zijn niet veel mensen ‘in the trade’, schrijft hij op de quasie-streetwise manier van Herzog, waar hij een boodschap aan heeft. Hij heeft alleen iets met ‘the real thing’, met echte schrijvers. Hij weet precies hoe die er uit ziet, ook al wordt hij niet erg specifiek. ‘The real thing’ is bijvoorbeeld Philip Roth, aan wie hij in 1957 een eerste briefje schrijft om zich te verontschuldigen dat hij zijn verhaal ‘Expect the Vandals’ niet eerder gelezen had, aangezien het hem erg beviel, ‘strongly’. In 1969, wanneer Roth hem een briefje heeft geschreven om hem te complimenteren met Mr Sammler’s Planet, herinnert Bellow hem er aan dat hij twaalf jaar geleden meteen zag ‘that you were the real thing’: ‘When I was a little kid, there were still blacksmiths around, and I’ve never forgotten the ring of a real hammer on a real anvil’.
- ‘The real thing’ is bijvoorbeeld Philip Roth, aan wie hij in 1957 een eerste briefje schrijft om zich te verontschuldigen dat hij zijn verhaal ‘Expect the Vandals’ niet eerder gelezen had, aangezien het hem erg beviel, ‘strongly’.
‘The real thing’ was voor Bellow niet Erza Pound, de Amerikaanse dichter die de verschrikkelijkste fascistische connecties aanging en zijn jodenhaat de vrije loop liet. Hij belandde na de oorlog in een gekkenhuis, ter vervanging van de gevangenis. Maar zelfs dat vond William Faulkner te vernederend voor Pound. Hij pleitte in 1956 bij zijn collega-schrijvers voor het vrijlaten van Pound. Daar moest je bij Bellow niet mee aankomen als het om iemand ging die graag had gezien dat de joden (Bellows ‘kinsmen’) werden vernietigd. Hij schrijft Faulkner dat het helemaal geen verschil maakt dat Pound toevallig een dichter is. Als een boer of een schoenmaker had geschreven wat Pound in zijn Pisan Cantos had geschreven, zou hij voor gek verklaard zijn. Maar wij zouden Pound moeten gaan verdedigen?: ‘a fine mess!’ besluit hij.
Maar Bellow kan ook heel genereus zijn. Hij schrijft verschillende brieven om zich te verontschuldigen als hij iets verkeerds heeft gezegd. Of hij bedankt de criticus Lionel Trilling voor zijn essay over het boek dat in 1953 voor een doorbraak in zijn schrijverschap zorgde, The Adventures of Augie March. Trilling was de ideale lezer waar elke schrijver op hoopt. De hoofdpersoon Augie March is verstrikt in een ‘onafhankelijkheidsoorlog’, precies waar Bellow zichzelf al sinds 1944 in bevindt. In dat jaar schrijft hij over het idee achter zijn roman Dangling Man in een brief aan Alfred Kazin dat de roman gaat over ‘de onmogelijkheid om in deze wereld vrij over je eigen lot te beschikken’. Dat is een belangrijk thema in alles wat hij zal schrijven: het verschil tussen ‘de wereldvreemde scherpzinnigheid en eigenzinnigheid’ van zijn personages en de ‘wetten’ van de rest van de wereld. Hij gelooft daarom ook nog steeds in authenticiteit, schrijft hij aan Trilling naar aanleiding van diens boek Sincerity and Authenticity. Ook al hebben T.S. Eliot en Walter Benjamin gedecreteerd dat het over is met de authenticiteit, voor Bellow is het meer ‘een stemming’ in een bepaalde tijd dan iets permanents.
In deze kleine verzameling van zo’n twintig brieven gaat het steeds ergens over. Bellow is zijn hele leven de schrijver gebleven die hij in al 1948 was: iemand die zichzelf een standaard heeft gesteld om te bereiken: ‘I am working toward something and have not yet arrived.’
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
