Carel Peeters' literaire kroniek 11.10.2010

Door Carel Peeters

Peter Sloterdijk
Peter Sloterdijk

Een titel als Filosofische temperamenten. Van Plato tot Foucault schept verwachtingen. De schrijver gaat er dus vanuit dat filosofen een temperament hebben en dat ze dat niet achter houden, maar tot een onderdeel van hun filosofie maken. Dat een filosoof zijn temperament laat meespelen in het denken ligt allerminst voor de hand. Filosofen worden verondersteld na te denken over van alles en nog wat, maar daarbij niet speciaal in de gaten te houden of hun temperament daarbij wel tot zijn recht komt. Dat ligt meer in de lijn van dichters. Filosofen gaan objectiever te werk: dat waarover ze denken is het belangrijkste, daar moet helderheid over komen, niet over hun eigen gemoedsgesteldheid.

Het is al vrij snel duidelijk dat Peter Sloterdijk, de schrijver van Filosofische temperamenten, het niet zo nauw neemt met de titel van zijn nieuwe boek. De door hem ‘vignetten’ genoemde korte stukken over negentien filosofen als Plato, Bruno, Descartes, Kant, Hegel, Schopenhauer, Nietzsche, Marx, Wittgenstein, Sartre en Foucault waren oorspronkelijk inleidingen bij teksten van deze filosofen uitgegeven door de Duitse uitgeverij Diederichs.

Het moesten geen al te diepgravende verhandelingen worden, want de bedoeling van de reeks boeken was nu juist dat men weer de oorspronkelijke teksten van de filosofen zou gaan lezen, en niet zou blijven steken in ‘de ondoordringbare sluiers van commentaren en commentaren op commentaren’, zoals Sloterdijk schrijft.

Maar deze vignetten zijn ook niet de manier. Zoals wel vaker is Sloterdijk ook nu weer afwisselend helder en duister, feitelijk en wazig. Er zit een wereldvreemde kant aan zijn manier van schrijven die maakt dat hij te makkelijk vanuit zijn eigen hoofd voor zich uit schrijft. Je zou het autistisch filosoferen kunnen noemen, te weinig denkend aan het goed begrip van de lezer. In het stuk over Hegel staat ineens: ‘Alle jong-hegelianen zijn ontologische irredentisten.’ Het ligt al niet voor de hand dat je weet wat een jong-hegeliaan is, maar wat mag een ‘ontologisch irredentist’ wel zijn? Je ziet het autisme ook aan de hardnekkigheid waarmee Sloterdijk nieuwe woorden smeedt, liefst de onbegrijpelijkste neologismen, zoals ‘ideeën-ecologische tegenstelling’ in het stuk over Leibniz, of ‘op geschiedprofetisch vlak’ in dat over Fichte. Profetische geschiedenis? In het stuk over Kant wordt de mens een ‘hyperbolisch huisdier’ genoemd ‘dat zich om zijn eigen teelt moet bekommeren.’ De mens een overdreven huisdier?

- Het slaat helemaal nergens op om Pascal, de kluizenaar van Port Royal, een ‘secretaris’ van wat dan ook te noemen.

Wanneer Sloterdijk het werkelijk over het temperament van filosofen had willen hebben, dan zou er veel meer psychologie aan te pas zijn gekomen. Nu gaat het eenvoudig over wat hij zoal denkt bij een filosoof, weinig to the point, nauwelijks pregnant typerend. Integendeel, hij zorgt voor louter mist wanneer hij over Pascal schrijft: ‘Pascal valt ook binnen het gezichtsveld van radicale revisionistische belangen, die eropuit zijn over het geheel genomen noodlottige ontwikkeling van de platonistisch-christelijke ideeëngeschiedenis vanuit vitalistisch of subjectkritische basisvoorstellingen deconstructief te overdenken.’

Ik denk dat hier staat dat Pascal gebruikt kan worden door het type filosofen als Nietzsche die zo min mogelijk over het leven wilden theoretiseren, het liefst zo praktisch mogelijk te werk gingen en het leven onder ogen wilden zien, wat in het geval van Pascal betekende dat de menselijke grootheid en de menselijke ellende elkaar in evenwicht hielden. Zoiets.

Wanneer Sloterdijk het werkelijk over het temperament van filosofen had willen hebben, wat heel interessant had kunnen uitpakken, dan had hij meer filosofen moeten nemen die dicht bij het leven staan, zoals Augustinus, Pascal, Schopenhauer of Nietzsche. Anders dan Descartes, Kant, Leibniz, Hegel of Husserl zijn dat filosofen die hun karakter, persoonlijkheid, ontwikkeling en temperament tot gelding laten komen, en ook aan permanente zelfreflectie doen om zichzelf te onderzoeken. Dit zijn werkelijk filosofische temperamenten: er is een wisselwerking tussen de wereld en henzelf. Ze staan niet onaangedaan tegenover de wereld, ze zetten zichzelf bij het denken op het spel.

Friedrich Nietzsche
Friedrich Nietzsche

Sloterdijk heeft al zoveel over Nietzsche geschreven dat het hem toch zou moeten lukken om een pregnante schets van zijn persoon en denkbeelden te geven. In plaats daarvan vallen we met de deur in huis wanneer hij het meteen over Nietzsches ‘esthetische wereldbeschouwing’ heeft, alsof iedereen dan meteen weet wat er bedoeld wordt. Een esthetische wereldbeschouwing veronderstelt afwezigheid van ernst en ethiek, en daar kun je bij Nietzsche toch moeilijk van spreken. Nietzsche wilde een herwaardering van de kunst en esthetiek omdat de christelijke ethiek het wat hem betreft had verbruid door de menselijke waardigheid uit de besteden aan een Christus aan het kruis en van hem verlossing te verwachten. Niet zo’n nederig en serviel geloof wilde hij, maar een creatieve, kunstzinnige exploratie van het bestaan, als een glorieuze plaatsvervanger en antwoord op de ongevraagde rampen en ellende. In De geboorte van de tragedie schrijft hij: ‘Kunst alleen is in staat die gevoelens van weerzin ten opzichte van de gruwelen en de absurditeit van het bestaan om te vormen tot voorstellingen waarmee te leven valt: de voorstelling van het verhevene, zijnde de kunstzinnige beteugeling van het gruwelijke, en die van het komische, zijnde de kunstzinnige ontlading van de weerzin van het absurde.’

Sloterdijk zegt dat Nietzsche eerder een ‘psychagoog dan een psycholoog’ is. Het lelijke neologisme ‘psychagoog’ betekent denk ik dat Nietzsche zijn eigen psyche als een pedagoog inzet om mensen iets duidelijk te maken. Maar de vraag is of je Nietzsche ooit wel een ‘pedagoog’ zou kunnen noemen. Het is bekend dat Sloterdijk maar al te graag filosofeert met woorden en begrippen afkomstig uit onfilosofische contreien (het militaire vocabulaire is bij hem zeer geliefd, het woord ‘mobiliseren’ in het bijzonder), maar Nietzsche als opvoedkundige opvoeren is net zo vreemd als wanneer je Immanuel Kant een Dionysisch temperament zou toekennen. Pascal noemt hij ‘de eerste onder de filosofische secretarissen van de moderne wanhoop’. Het slaat helemaal nergens op om Pascal, de kluizenaar van Port Royal, een ‘secretaris’ van wat dan ook te noemen. Dan zou je het over Sloterdijk kunnen hebben als de bestuurvoorzitter (CEO) van de BV Filosofische Mantelzorg.

[reageren]

The Literary Saloon