Carel Peeters' literaire kroniek 26.04.2010
Boeken of tentoonstellingen met titels als ‘Napoleon en de vrouwen’, ‘Nietzsche en de vrouwen’ beloven meestal niet veel goeds. Het is iets voor biografen die over het leven van een staatsman of kunstenaar schrijven en daarbij helemaal vergeten dat ze ook nog gewerkt hebben.
Het regeren of het schrijven van boeken valt bij het thema vrouwen helemaal in het niet. Maar er zijn uitzonderingen. Met Constantijn Huygens is het anders: als er iemand in aanmerking komt voor een boek of tentoonstelling over zijn relatie met vrouwen dan is hij het. Die tentoonstelling, Vrouwen rondom Huygens, is er nu tot 27 juni, en zelfs in tweevoud: in het Stadsmuseum Leidschendam-Voorburg en, daar vlakbij, in Huygens’ buitenhuis Hofwijck.
Als secretaris van drie Oranjes in de zeventiende eeuw was Huygens (1596-1687) een werelds man, calvinist weliswaar, maar wel de meest oncalvinistische calvinist die Nederland ooit gekend heeft. Zijn vader was al secretaris van Willem van Oranje geweest, Constantijn werd het van stadhouder Frederik Hendrik. Dit gespreide bed vulde hij aan met een reeks eigenschappen, talenten en ambities die in combinatie met elkaar iets bijzonders opleverden: hij had een scherp inzicht in staatszaken, kon goed onderhandelen, bezat goed ontwikkelde sociale vaardigheden, was breed geïnteresseerd in wetenschap en kunst, was dichter, componist, musicus, schrijver, taalvirtuoos, sprak en schreef vele talen. En, niet onbelangrijk, hij had een levendige geest met een satirische inslag. Hij kon zichzelf en zijn positie, hoezeer hij er ook aan gehecht was, met de nodige ironie bezien. Hij werd er eenennegentig jaar mee.
Huygens had heel dubbele ideeën en gevoelens voor vrouwen, maar de zestien vrouwen die in de tentoonstelling te zien zijn hebben vooral van zijn positieve ideeën over hen geprofiteerd. Het waren dan ook vrouwen met talenten en persoonlijkheden: zoals Amalia van Solms, de vrouw van Frederik Hendrik, die niet van de poes was en met wie de verhouding niet altijd makkelijk verliep.
Maria Casembroot, de klaveciniste, met wie hij veel samen speelde. Béatrix, hertogin van Lotharingen, met wie hij een warme vriendschap onderhield, maar die van haar kant niet helemaal belangeloos was. De zangeres Utricia Ogle, die hij ‘Ghij tooverende vogeltje’ noemde.
De in Voorburg wonende schilderes van bloemstillevens Maria van Oosterwijck, over die hij menig lofdicht schreef. En natuurlijk Anna Maria van Schurman, de geleerdste vrouw van Nederland die als enige vrouw aan de universiteit van Utrecht mocht studeren, maar wel achter een gordijn zodat de mannen niet afgeleid zouden worden. Toen ze zich aansloot bij de sekteleider Jean de Labadie schreef hij in dichtvorm een felle ‘heusche vermaaning’ om haar te bewegen ervan af te zien.
- Men vermoedt dat Huygens’ ideeën over vrouwen werden beïnvloed door zijn ervaringen met zijn eerste verliefdheid
Met geamuseerde bewondering en verbazing bekeek Huygens ook al jong (in 1619) de talenten van de zusjes Anna en Maria Tesselschade Roemer Visscher, dochters van de gefortuneerde graanhandelaar van de Geldersekade. Ze hadden contact met Jacob Cats, P.C. Hooft en Vondel en leefden met hen mee, kwamen bij elkaar op bezoek, schreven gedichten voor en over elkaar. Huygens schreef een gedicht voor haar toen Tesselschade op één dag haar man en oudste dochter verloor; zij gaf hem via P.C. Hooft goede raad toen in 1637 zijn Susanne in het kraambed overleed: ‘hij stel zijn leed te boek, zo heeft hij ’t niet t’onthouwen.’
In tegenstelling tot deze intensieve en hartelijke contacten met talentvolle en intelligente vrouwen beschouwde Huygens vrouwen in het algemeen, geheel volgens de geest van de tijd en het conventionele calvinisme, als ‘de weker mens’lijkheid’, zoals hij het in zijn lange gedicht Hofwijck noemt. De man had de ‘overhand’ in het leven. Eva was uit een rib van Adam ontstaan. Hoe wonderlijk ook, Huygens accepteerde dat gewoon, als een waarachtig sprookje. Zijn vier zoons die hij met zijn ‘Sterre’ Susanne van Baerle kreeg voedde hij anders op dan zijn enige dochter Susanne. In het verslag dat hij van haar opvoeding maakte schrijft hij dat hij soms dacht dat er in haar een ‘Schurman’ zat (de geleerde vrouw Anna Maria van Schurman), maar het was nooit zijn bedoeling iets anders van haar te maken dan ‘een geschickt ende niet ignorant meisken.’ Susanne werd opgevoed om te trouwen, de jongens om publieke functies te gaan vervullen. Toen een hij ‘boertig’ gedicht schreef onder de titel <>’T Vrouwe-Lof werd dat allerminst een lofdicht. De ondertitel luidde ‘Alias Mans Handt Boven’ en een paar regels eruit zijn: ‘Vrouwtje wil je lof verkrijgen/Snoert je bakkes en leert zwijgen.’
Men vermoedt dat Huygens’ ideeën over vrouwen werden beïnvloed door zijn ervaringen met zijn eerste verliefdheid op Dorothée van Dorp. De liefde was wederzijds, maar de brieven die ze hem schreef stopten plotseling. Hij was gekrenkt en verzuchtte dat de wispelturigheid van vrouwen in hun aard lag. Toch was het contact met Dorothée hiermee niet ten einde: er ontstond een duurzame epistolaire vriendschap, waarbij ze elkaar aanspraken als ‘Song’.
In het enige toneelstuk dat Huygens in 1653 schreef, Trijntje Cornelis, is Trijntje niet bepaald een representant van de weke menselijkheid. Ze komt in grote moeilijkheden, maar ze staat uiteindelijk haar mannetje. Alle vrouwen waarmee Huygens contact had waren uitgesproken karakters en talenten: ze hadden allemaal iets van Trijntje. Huygens, zou je generaliserend kunnen zeggen, hield alleen maar niet van domme vrouwen. Hij kent geen beter gezelschap dan wanneer hij ‘vrouwenschoon met mannelijke rede vergezeld ziet.’

Huygens verloor na tien jaar huwelijk in 1637 zijn Sterre, maar hertrouwde nooit in de vijftig jaar die hij daarna nog leefde. Op het meesterlijke dubbelportret (in het Mauritshuis) dat Jacob van Campen van Susanne en Huygens maakte kijkt ze om de hoek van Huygens’ gezicht naar de toeschouwer. Naar aanleiding van een schets voor dit schilderij schreef Huygens een gedicht (hij schreef over alles gedichten): ‘Schilder, die ons vol genoegen, zo getroffen heeft in ’t voegen, trek er één vel overheen: man en vrouw en zijn maar één.’ In een van de twee brieven die van Susanne aan Huygens bewaard zijn gebleven schrijft ze over die eenheid dat ze wenst ‘nooit van zo’n aangename ziekte genezen te worden.’ Hoe goed Huygens vriendschappen met al die vrouwen daarna ook waren, hij heeft deze ziekte met haar nooit willen genezen.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
