Carel Peeters' literaire kroniek 08.02.2010

Birgit Donker, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, overhandigde Henk Hofland alias S. Montag afgelopen zaterdag in de Amsterdamse Stadschouwburg het eerste exemplaar van De kronieken van S. Montag, een bloemlezing uit zo’n dertig jaar columns. Met een ode aan het columnistiek (de Nacht van de columnist heette de avond) werd ook het veertig jarig bestaan van de krant gevierd.
Aan het slot van haar toespraakje vroeg Birgit Donker aan Hofland of hij zijn ‘lievelingscolumn’ uit het boek wilde voorlezen. Dat was niet wat Hofland in zijn hoofd had. Op een toon die er geen misverstand over liet bestaan dat het woord ‘lieveling’ niet in zijn vocabulaire voorkwam, zei hij ‘Ik heb geen lievelingscolumn’, en begon met het voorlezen van het speciaal voor deze gelegenheid geschreven stukje.
Het gaat bij Montag/Hofland om de juiste woorden. Ze moeten bij hem passen, tot zijn ‘muziekje’ behoren, zoals Louis-Ferdinand Céline de eigen toon van een schrijver noemde. ‘Lieveling’ behoort daar niet toe, dat is Hofland te zoet. Wanneer het bij Hofland om iets emotioneels gaat kiest hij het liefst een zakelijk woord dat de emotie opzichtig verhult. Hij maakt er, om het met een oxymoron te zeggen, zakelijke pathetiek van. Hij geeft de emotie een harnasje.
- In Hoflands zakelijke pathetiek zit van alles verborgen
Het geheim van Montags muziekje is dat het vol zit met tactische overdrijvingen, in het negatieve en positieve: hij maakt iets kleiner of hij maakt iets groter. Hij is de meester van het overstatement en het understatement, hij is de meester van het eufemisme en de hyperbool. Dat groter en kleiner maken is zo effectief omdat het voor reliëf zorgt in columns die juist de wereld van kleinigheden bestrijken, van schijnbaar onbetekenende voorwerpen, waarnemingen en gebeurtenissen. Ze gaan over wat de oplettende voorbijganger Hofland heeft gezien.
Het eerste stuk (uit 1975) in De kronieken van S. Montag is in alle opzichten illustratief voor die zakelijke pathetiek. Het is een modelstukje over een heel klein onderwerp dat met opzet met ironisch grote woorden wordt beschreven: de bestrijding van de vliegjes die zijn fuchsia aantasten.
Het begint meteen in de eerste zin: die kamerplant heeft van hem een ‘massamoordenaar’ gemaakt omdat hij duizenden van die vliegjes moest doden. Hij bestrijdt het insect meteen met een ‘rigoureus’ middel (zeepsop met spiritus), maar dat brengt de plant niet minder dan ‘op de rand van de afgrond’. Dan wordt na ‘langdurig beraad’ besloten om een deel van de takken maar te snoeien. Met een ‘hartverwarmend’ resultaat. Maar het duurt niet lang of de beestjes zetten hun ‘heilloos werk’ voort. Wanneer hij een beestje onder de microscoop legt is wat hij ziet ‘geen pretje’, de vlieg heeft zelfs een ‘spookachtig aanzien’.
En zo gaat het door: insectenpoten roepen een ‘xenofobe weerzin’ op, de larf van de vlieg wekt ‘nog meer afkeer’. Het gaat hier om ‘de meest vraatzuchtige onder de minimonsters’, een beest met poten waaraan ‘weerhaken’ zitten. De vliegjes groeien uit tot ‘vijanden’; hele larvenkolonies maakt hij in een handomdraai tot ‘knekelvelden’.
Hij eindigt het stuk met conclusies omtrent zijn nobele toewijding aan de plant. Dat gebeurt weer met woorden uit de hoogste categorie, door mij gecursiveerd: ‘Altijd weer zijn het de perversies van onze toewijding die ons overvallen, waardoor we al te gretig capituleren, en die onze zwakke onschuld reddeloos vermoorden.’ Dit is Montags manier.
In Hoflands zakelijke pathetiek zit van alles verborgen. Er zit een ironie in, maar zeker niet te veel. Er zit melancholische agressie in. Die vliegjes zijn een metafoor voor de onophoudelijke plagen die aan het leven verbonden zijn. Door grote woorden te gebruiken worden ze symbolisch koud gemaakt. En het is een effectief stijlmiddel, zeker als het over ‘betrekkelijke kleinigheden’ gaat (titel van een Hofland-bundel uit 1976).
Hofland schiet graag met een kanon op een vlieg (vandaar dat de Dikke Bertha zijn favoriete vuurwapen is, het kanon der kanonnen). Bekend is dat Hofland graag aan een kleinigheid de ondergang van de beschaving afleest (een man die in zwembroek een wegrestaurant bezoekt). Maar een uiting van vakmanschap kan hem zijn geloof in de mensheid helemaal teruggeven. Voor een aardige uitvinding (zoals de TGV) is hij bereid zich weer aan ‘de wonderen der schepping te vergapen’. Het is de krachtige taal van een zachtmoedige overpeinzer.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
