Sander Thoenes-lezing: persvrijheid in China
Op donderdag 27 september organiseerden Vrij Nederland en de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) voor de achtste keer de Sander Thoenes-lezing in De Balie in Amsterdam om de journalist Sander Thoenes te herdenken, die op 21 september 1999 door Indonesische militairen werd doodgeschoten op Oost-Timor. Thoenes werkte in Indonesië als correspondent voor Vrij Nederland en de Financial Times. De Sander Thoenes-lezing heeft als terugkerend thema ‘persvrijheid en democratie'. Deze keer werd de lezing gehouden door Garrie van Pinxteren, jarenlang correspondent voor NRC en NOS in China, waar de autoriteiten het niet zo nauw nemen met de persvrijheid.
In de achtste Sander Thoenes-lezing zet Garrie van Pinxteren uiteen hoe en waarom de Chinese overheid de persvrijheid in China aan banden legt. Kunnen de Olympische Spelen, die volgend jaar in Peking worden gehouden, het breekijzer vormen voor een doorbraak op het gebied van mensenrechten en persvrijheid in China?
27-09-2007
Door Garrie van Pinxteren
Ik ben in China nooit in levensbedreigende of zelfs maar gevaarlijke situaties terechtgekomen. Het meest vergaande wat ik heb meegemaakt is dat plaatselijke politiemensen mij niet wilden laten gaan totdat ik mijn notitieboekje en mijn geluidsmateriaal had afgegeven. Daarbij ging het er uiterst hoffelijk aan toe. Ik kreeg een uitgebreid banket voorgeschoteld met een stevig glas bier, ik werd met alle égards behandeld. Je zou al etend en drinkend bijna nog sympathie krijgen voor die mannen die ook alleen maar hun werk deden, en begrip voor een land dat nu eenmaal zijn eigen nationale belangen goed moet beschermen. Kleine onaangenaamheid was alleen dat ik echt niet weg mocht totdat ik mijn materiaal had ingeleverd.
Is buitenlandse berichtgeving, vooral uit landen die geen democratisch, open systeem kennen, niet per definitie gekleurd en vertekend, simpelweg omdat je niet anders kunt dan beperkt verslag uitbrengen van de werkelijkheid? Dat je vooral in ondemocratische landen beperkt bent in wat en hoe je iets kunt verslaan, is zonder meer waar. Dat heb ik ook in China gemerkt. Ik heb bijvoorbeeld nooit eigen onderzoek gedaan naar de berichten rond marteling van aanhangers van de Falun Gong. Deels omdat ik niet verwachtte dat het me zou lukken om in China met aanhangers van de verboden beweging te spreken. Maar deels ook omdat ik voor zoiets ongewis en lastigs mijn positie als correspondent niet in gevaar wilde brengen.
De macht en de mogelijkheden van een journalist in landen met een repressief systeem zijn beperkt. Maar dat maakt het werk van een journalist in een autoritaire staat nog niet onbetekenend, integendeel. Alles wat hij of zij desondanks kan onthullen, is misschien wel van groter belang dan wat een journalist in een open en divers systeem kan opschrijven. Poolse vrienden zeiden vroeger, toen er nog een Oostblok bestond, dat in het Westen alles gezegd kon worden maar niets van belang was, terwijl in het Oostblok niets gezegd mocht worden maar alles van belang was.
Mijn verblijf in China heeft me ervan overtuigd dat onafhankelijke journalistiek een groot goed is, hoe beperkt onze mogelijkheden ook zijn. Juist in landen waar persvrijheid geen gegeven is, hebben wij een belangrijke rol te spelen. China wordt economisch, politiek en militair steeds belangrijker. Door de beperkte persvrijheid is de stem van de overheid, maar ook die van ondernemers en van andere groepen die baat hebben bij China’s economische hervormingen, veel luider te horen dan de stem van de groepen die lijden onder China’s huidige bewind of die er kritisch tegenover staan.
Je hoeft geen dissident te zijn om schade te ondervinden van het gebrek aan persvrijheid. Zo kwam ik in Peking in contact met een groep mensen die onder de meest erbarmelijke omstandigheden langs de spoorwegen aan de zuidrand van de stad woonden. Ze waren van het platteland naar de stad gekomen om hun beklag te doen over de onteigening van hun land door plaatselijke autoriteiten. Ze hoopten bij de centrale overheid in Peking hun recht te halen. Maar de overheid was nauwelijks ontvankelijk voor hun klachten. Ze hadden allemaal stapeltjes groezelige fotokopieën bij zich om hun zaak te onderbouwen. Die papieren wilden ze me graag toestoppen, maar dat probeerde de politie zo veel mogelijk te verhinderen. Als deze mensen meer toegang tot de Chinese en de westerse pers zouden hebben, dan zou er meer druk ontstaan op de nationale en de plaatselijke autoriteiten om hun klachten in elk geval een keer serieus te bekijken. Dat zou de willekeur van plaatselijke overheden beperken.
Huisarrest
Is het onder deze omstandigheden goed dat de Olympische Spelen nu in China worden gehouden? Kunnen de Spelen, zoals sommigen zeggen, het breekijzer vormen voor een doorbraak op het gebied van mensenrechten en persvrijheid?
Ik denk het niet. Er zijn tot nu toe geen tekenen dat de komst van de Spelen de persvrijheid in China voor Chinese journalisten heeft vergroot. Er is eerder sprake van een verkleining van hun speelruimte. Dat hoeft ook eigenlijk niemand te verbazen, als je kijkt naar China’s gedrag in het verleden. De Chinese overheid houdt de pers altijd strakker in de hand in de aanloop naar belangrijke officiële gebeurtenissen. Dat is ook nu weer te zien in de aanloop naar het Partijcongres in oktober. Bij gezichtsbepalende gebeurtenissen mogen de media veel minder en worden dissidenten onder huisarrest geplaatst of tijdelijk naar buiten de stad verbannen.
Toch lijkt er voor buitenlandse journalisten wel iets verbeterd. In de periode rond de Spelen mogen zij spreken met alle Chinezen en Chinese organisaties die daar toestemming voor geven. Dat is anders dan vroeger. Toen moest de overheid eerst toestemming geven voordat je welke Chinees dan ook mocht interviewen.
In de praktijk kunnen de nieuwe regels, die nu al zijn ingegaan, nog heel onverwacht uitpakken. Bij mijn laatste bezoek aan Peking in augustus vroeg ik mijn NOS-collega Wouter Zwart naar zijn ervaringen met de nieuwe regels. Hij vertelde een verhaal dat hilarisch zou zijn als het niet tegelijk zo droevig en frustrerend was. Hij wilde een reportage maken over migranten die uit het binnenland van China naar Peking trekken op zoek naar een nieuwe toekomst. Hij reed daarvoor met ze mee in de trein van de West-Chinese stad Chengdu naar Peking. Toen hij op het station rondliep met een camera, kwamen alle stationswachten meteen in actie. Ze verhinderden hem om te werken. Hij duwde ze de nieuwe regels van de centrale overheid onder hun neus, maar dat hielp niet. Daarop belde hij met de autoriteiten in Peking. Die kregen het voor elkaar dat hij toch mensen mocht interviewen. Maar alleen mensen die zelf wilden meewerken, natuurlijk. Toen hij terugkwam bij de trein, hadden de stationswachten ondertussen ook niet stil gezeten. Ze hadden de migranten zo bang gemaakt voor de gevolgen van het praten met een buitenlandse journalist, dat bijna niemand meer iets durfde te zeggen.
De nieuwe regels hebben als groot voordeel dat je niet meer per definitie in overtreding bent als je iemand interviewt. Dat geeft buitenlandse journalisten meer wettelijke bescherming. Nadeel blijkt wel dat je ook nooit meer duidelijke toestemming krijgt van de overheid om iets wél te doen. In de praktijk zijn er ook weinig Chinezen die het risico willen nemen om op eigen gezag iets te zeggen. Ze zijn bang dat het achteraf toch op represailles van de overheid komt te staan als ze iets verkeerds zeggen.
Propaganda-apparaat
En er is nog een veel fundamenteler reden waarom de Spelen niet zullen leiden tot grotere persvrijheid. In haar rapport van 7 september van dit jaar trekt Sophie Richardson, directeur Azië van Human Rights Watch, de intenties van de Chinese overheid in twijfel. ‘Het lijkt erop dat de Chinese overheid persvrijheid eerder ziet als een vijand dan als een waakhond op het gebied van de openbare veiligheid en de sociale stabiliteit.’
Ze raakt daarmee aan de kern. Ik denk niet dat de Chinese overheid gelooft dat persvrijheid goed is voor China. Bij een sterke staat hoort een sterk propaganda-apparaat, en dat is de centrale taak van de media in China: zij moeten bij de eigen bevolking en in het buitenland zo veel mogelijk steun kweken voor het beleid van de overheid. De partij werkt daartoe met interne directieven: voorschriften aan de media waarover ze wel en niet mogen berichten, en over wat de inhoud van de berichten moet zijn. Chinese burgers zijn eerst en vooral onderdanen. Ondergeschikten ook. Zij verhouden zich tot de autoriteiten als kinderen tot hun ouders. De ouders dienen in het belang van hun kinderen te handelen. Maar je kunt het kinderen niet toevertrouwen om op grond van alle beschikbare informatie zelfstandig tot een verstandige keuze te komen. Daarvoor zijn ze te onervaren en te onkundig. Je kunt ze daarom ook maar beter afschermen van informatie waar ze niets mee kunnen en waar ze alleen maar onrustig van worden.
Het is een illusie om te denken dat de Olympische Spelen een wezenlijke verandering in de houding van de Chinese overheid teweeg zullen brengen. Integendeel: rond de Spelen zal de controle op de Chinese media veel strenger zijn dan normaal, omdat zij juist in die tijd hun rol als boodschappers van de Chinese overheid foutloos en met verve moeten vervullen. Van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) valt op dat gebied geen heil te verwachten. Ook het IOC is gebaat bij enthousiasme, harmonie en zo veel mogelijk aandacht voor sport en zo min mogelijk voor de controversiële aspecten van de Spelen.
Chinese maatstaven
Ik geloof niet dat China stapje voor stapje toegroeit naar een vrije pers, op dezelfde manier waarop het land zich stapje voor stapje heeft omgevormd van een centraal geleide, op communistische leest gestoelde economie naar een economie die zowaar behoorlijk op een vrije-markteconomie begint te lijken. Tenminste: niet onder de huidige regering.
De huidige Chinese leiders streven daar helemaal niet naar. Deng Xiaoping (1904-1997) zette de economische hervormingen eind jaren zeventig in met het doel om de communistische eenpartijstaat in China te versterken, niet om die te verzwakken en zeker niet op die om te vormen naar een meerpartijendemocratie naar westers model. China heeft, kort gezegd, helemaal geen vrije pers nodig om aan de eigen, Chinese maatstaven voor een modern land te voldoen.
Ik heb af en toe iets gezien van hoe de overheid de media aanstuurt. In 1998 ben ik naar China gekomen voor een veel comfortabeler baan dan die van journalist. Ik werkte in de buurt van Shanghai op een kantoor dat was opgezet om de Nederlandse export naar China te bevorderen. Bij de opening van dat kantoor was ook de vice-gouverneur van de provincie aanwezig. Hij zat als hoofdgast naast me, en werd tijdens het banket gestoord door een bescheiden naast hem neerknielende journalist. Die vroeg hem om het stukje goed te keuren dat hij over de opening van het kantoor had geschreven. De vice-gouverneur pakte zijn pen, kraste hier en daar wat in de tekst, vulde wat aan, en gaf het stuk aan de journalist terug. Die leverde de herziene versie in bij zijn krant. Braver kun je het niet hebben.
Kritische verhalen
Toch, en dat is heel verrassend, zijn het juist Chinese journalisten die met de meest interessante, kritische en onthullende verhalen komen over wat er in China gebeurt. Toen ik in China zat, kreeg ik de echt mooie ideeën voor verhalen altijd van mijn Chinese assistent. Hij spreekt geen Engels en hij haalt zijn informatie louter uit de Chinese staatsmedia. Maar hij kwam met het verhaal van arme boeren die door de plaatselijke regering waren overgehaald om hun geld te steken in de exploitatie van oliebronnen. Toen de olie eenmaal was gevonden en de olieprijzen stegen, werden zij met grof geweld gedwongen om hun bronnen tegen verlies terug te verkopen aan de overheid.
Hoe kunnen zulke kritische verhalen in de Chinese staatspers belanden? De eerste verklaring is dat de overheid wil dat bepaalde misstanden naar buiten komen. De onthullingen in de media en de verontwaardiging bij het publiek maken het de overheid namelijk makkelijker om bepaalde misstanden ook echt aan te pakken. De Chinese overheid kan namelijk veel makkelijker functioneren als de bevolking haar politiek steunt. Als de overheid bijvoorbeeld iets moeilijk grijpbaars als de handel in vrouwen of de abortus van meisjes-embryo’s wil tegengaan, dan geeft ze vaak permissie of zelfs opdracht aan de pers om daar zeer kritische verhalen over te schrijven.
Ook kunnen verschillende groeperingen binnen de overheid er baat bij hebben om met bepaalde verhalen de interne besluitvorming een bepaalde richting op te duwen. Dat is denk ik wat er gebeurde met het verhaal van de olieboeren: sommige krachten in Peking vonden dat de boeren niet onteigend mochten worden, en zij hoopten met de verslaggeving de besluitvorming terug te draaien. Zonder succes overigens.
Een derde reden is dat de staatsgecontroleerde media steeds minder geld krijgen van de overheid. Dat leidt tot een vaak ongebreidelde commercie. Het wordt belangrijk om met primeurs te komen die het publiek prikkelen en aantrekken. Een verhaal over de ontvangst van het Ethiopische staatshoofd door de Chinese president doet dat doorgaans niet. Daardoor zijn er veel media die willens en wetens langs de rand schurken van wat nog officieel toelaatbaar is en wat niet. Dat levert vaak interessante, zij het niet altijd betrouwbare, journalistiek op.
De vierde reden is dat journalisten domweg gehecht zijn aan hun vak. Het is waar, veel journalisten raken door het gebrek aan persvrijheid hopeloos gecorrumpeerd. Ze laten zich betalen voor hun berichtgeving, en er circuleren veel verhalen over journalisten die zich in een conflict laten inhuren door één van beide partijen om diens kant van de zaak in de media te krijgen. Maat er is gelukkig ook een belangrijke groep journalisten die wil berichten wat er in hun land echt aan de hand is. Zij komen door hun werk achter misstanden die bij het brede publiek niet bekend zijn. Opvallend is dat de meeste journalisten tijdens de opstanden op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 de kant van de studenten kozen, en massaal opriepen tot een vrije pers.
En die Spelen? Daar moeten we vooral niet te veel van verwachten. Het wordt vast niet de grote doorbraak naar democratie en persvrijheid waarop sommigen hopen. Dat is onze droom misschien, maar zeker niet die van de Chinese overheid. De Olympische Spelen zijn een groot, zeer commercieel sportfestijn dat wij aan China hebben gegund omdat we China’s aanbod niet konden of wilden afwijzen. China krijgt daarmee de gelegenheid om zich van zijn goede, moderne en machtige kant aan de wereld te tonen. Het wordt vast een weergaloos festijn. Aan ons de taak om niet alleen dat feestgedruis hoorbaar en zichtbaar te maken, maar om ook de mensen aan het woord te laten die op dat feest niet welkom zijn.
Op basis van haar ervaringen als correspondent schreef Garrie van Pinxteren eerder dit jaar het boek China. Centrum van de wereld. Eind september vertrekt ze als correspondent voor de NOS naar China.