Interview 26.09.1998

Door Rudie Kagie

Dat hij het mysterie koestert, had hij tevoren al per fax uit zijn woonplaats New York laten weten: 'Ik lieg veel, dat weet u toch? Clinton keek het Amerikaanse volk in de ogen en loog, dat stond in de krant. Ik heb Hanneke, Sonja, Paul en Wim in de ogen gekeken en gelogen en toch ben ik geen president.'

Hij had gewaarschuwd dat het huren van een privédetective meer over zijn drijfveren zou onthullen dan een vraaggesprek. Alle standaardantwoorden staan trouwens al vermeld in zijn essaybundel De troost van de slapstick. Ja, onthult hij in dat boek, er is iemand van wie hij houdt. En nee, hij slikt, spuit of rookt geen stimulerende middelen om zijn productie op peil te houden. Verder nog vragen?

Het grootste raadsel rond Arnon Grunberg blijft zijn onuitputtelijke energie. 'Het is ongelooflijk,' meldt Pablo van Dijk van Pablo van Dijk Kunstedities vanuit New York, die in hoog tempo zes bibliofiele boekjes van de auteur uitgaf. 'Er is nog niet één exemplaar verkocht, maar inmiddels heeft hij alweer vier nieuwe manuscripten ingeleverd, waaronder een schitterende gedichtenbundel. Dat stapelt zich op en het is allemaal van hoog literair gehalte. Ik heb in mijn leven ruim honderdvijftig bibliofiele boeken van dichters, schrijvers en kunstenaars uitgegeven, maar zo'n fenomeen als Grunberg heb ik nooit eerder meegemaakt. Ik begrijp niet waar hij de tijd vandaan haalt.'

Maar een fractie van wat hij schrijft komt Nederlandse lezers van zijn romans en columns (in NRC Handelsblad en de VPRO-gids) onder ogen. Bij de Zweedse uitgeverij Brombergs Bok Förlag verschijnt dit najaar een op verzoek geschreven bundel liefdesbrieven. Korte verhalen publiceert hij tegenwoordig ook rechtstreeks in het Engels (New York Times Magazine en Swissair Gazette).

In het Schauspielhaus Düsseldorf ging afgelopen zaterdagavond zijn hilarische, tweetalige toneelstuk You are also very attractive when you are dead / Du bist auch sehr attraktiv wenn du tot bist in première. Het Nederlands Filmfestival Utrecht begint deze week met Het 14e kippetje, het speelfilmdebuut van Hany Abu-Assad. Vanaf 1 oktober in de bioscoop. Grunberg schreef het scenario, dat dezer dagen ook als boek in de winkel ligt. Zijn eerste roman Blauwe maandagen is in elf vertaalde versies beschikbaar; een internationale ontvangst van hetzelfde kaliber is weggelegd voor de tweede roman Figuranten. Hij is veel onderweg, maar tijdens een tweedaagse tussenstop in New York - op reis van Bolivia naar Zwitserland - ziet hij nog kans een verzoek om een ontmoeting te beantwoorden. Per fax natuurlijk, zijn favoriete communicatiemiddel. Hij stemt in met een ontmoeting in Düsseldorf. 'Bent u een relatief gelukkig mens?' vraagt hij zich in de brief af. 'Ik ben relatief ongelukkig, al ken ik wel veel momenten van euforie, maar die doen ook pijn.' En: 'Neemt u kleine cadeautjes voor me mee naar Düsseldorf? Een geroosterd amandeltje dat nog over is van de kerst? Een zeepje ontvreemd uit een hotel? Een knikker die ooit eigendom was van een behoeftig kind? Alles is welkom, als het maar mooi verpakt is. Iedereen heeft liefde nodig, maar dat is geen excuus, vindt u niet? Ik moet aan het werk. Velen rekenen op mij qua geld, en ik ben een verantwoordelijk, ja bijna Pruisisch mens.' In een postscriptum schrijft hij dat hij enige zorg heeft over het maken van een foto, dat doorgaans bij zo'n vraaggesprek is inbegrepen. 'Een röntgenfoto van mijn tanden of zo is weer eens wat anders. Of kan ik niet exclusief voor Vrij Nederland een zelfportret schilderen.'

De auteur heeft zijn intrek genomen in hotel Stern aan de Sternstraße, op vijf minuten loopafstand van het Schauspielhaus. Van de plastic tas met volgens afspraak mooi ingepakte geschenken die direct na de begroeting aan de hotelbalie van het papier worden ontdaan, kan de oranje, vogelvormige kitschkaars hem het meest bekoren. 'Dat cadeautje was voor mij het hoogtepunt van de dag,' zal hij zeggen als we vijf uur later afscheid nemen. Op zijn beurt heeft Grunberg het beloofde zelfportret geschilderd. Hij gaat naar zijn kamer om het te halen en daalt kort daarop de trap af met een over een raamwerk gespannen linnen doek dat half zo hoog is als hijzelf. Drie maanden lang volgde hij in New York een teken- en schildercursus, mede met het oog op de bibliofiele uitgaven die hij zelf wil illustreren. 'In de schilderkunst vind ik wat ik in de literatuur mis: diepgang,' zette hij in zwierige letters onder de kleurrijke contouren van het hoofd, waarin vooral vanwege de pluizige krullenbol Grunberg te herkennen is. 'Dit is het begin van een cyclus,' kondigt de schrijver aan. 'De tekst bij het volgende doek dat ik ga maken, luidt: "In de schilderkunst vind ik wat ik in de literatuur mis: originaliteit." Op die manier kan ik hier lang mee voort.' Nee, het betreft hier geen proeve van action painting. Met de vervaardiging van het kunstwerk was hij úren bezig. En wie het als een grap beschouwt, moet bedenken dat er een serieuze overweging aan ten grondslag ligt. 'Een grap om de grap zegt me helemaal niets.

Als er geen gedachte achter zit, is het wat mij betreft zinloos. Veel dingen beginnen bij mij met een grap, maar dan voer ik het consciëntieus uit. Als ik zeg dat ik een galafeest voor mijn schuldeisers in het Hotel Okura ga organiseren, dan dóé ik het ook. Ik vond dat een mooie geste, ik heb iedereen daar keurig betaald. Als ik in een column aankondig dat ik een jaarlijkse Grunbergprijs van vijfentwintighonderd gulden heb ingesteld voor Onleesbaar Schrijven, dan houd ik me daaraan. Dit jaar werd die voor het eerst uitgeloofd, dat wordt een terugkerend evenement. Bij mij is alles een grap: mijn boeken, mijn leven, mijn columns. Maar elke grap dient een doel. Zoals dat kutzwager-diner, dat vind ik een goed plan. Ik wil graag de ex-mannen ontmoeten van de vrouw met wie ik naar bed ben geweest. Nadat ik daar een column over had geschreven, kreeg ik twee brieven. Een oudere heer schreef: ik wil niet in details treden, maar ik ben een kutzwager van u. Ik ben heel benieuwd naar wat ik nog meer ontdek, dus dat kutzwager-diner komt er. Met het maken van sommige grappen moet je trouwens oppassen. Je ontmoet een dame, je vraagt voor de grap of ze met je wil trouwen en voordat je het weet, zit je eraan vast.'

Al vóór zijn komst naar Düsseldorf zaaide hij daar enig misverstand. Grunberg had per fax vanuit New York laten weten dat hij zich zou laten vergezellen door twaalf verloofdes. 'Het Schauspielhaus had dat keurig doorgegeven aan het hotel. Het kon niet, zei het hotel, onze kamers zijn niet berekend op één man en twaalf verloofdes. Moest ik wéér uitleggen dat het een grap was. Vroeger kreeg ik vaak te horen: doe nou eens gewoon. Uit de gekste hoeken krijg ik dat nog steeds te horen. Iemand van mijn uitgeverij schreef me eens: wordt het geen tijd dat je eens normaal gaat doen? Dat vond ik heel grappig, want dat werd destijds op school ook tegen mij gezegd. Sommige dingen blijven terugkomen.'

Het schilderij blijft achter in het hotel, omdat het zo'n gesjouw is. Later op de dag zullen we het weer ophalen, maar eerst is het tijd voor een Duitse lunch. Buiten, op straat, vertelt Grunberg dat de directie van het Sternhotel niet erg gecharmeerd was van zijn kunstzinnige activiteiten. Voor een schildersezel was in zijn bagage geen plaats, dus het bureaublad in de hotelkamer diende als ondergrond toen hij het penseel ter hand nam. 'Ik had er een krant onder gelegd, maar er is toch blauwe verf op de muur terechtgekomen. Ik heb nog geprobeerd die vlek wit te schilderen. Dat lukte niet. Het werd ontdekt en je weet hoe Duitsers zijn. Ze hebben meteen het Schauspielhaus gebeld. Ze wilden me van die kamer afgooien omdat ik het behang had ondergekliederd. Het Schauspielhaus heeft de boel weten te sussen met de belofte dat ik de schade zou vergoeden.'

Een taxi brengt ons naar Konditorei Heinemann in de Bahnstraße, pal om de hoek van de beroemde Königsallee. Grunberg komt hier graag als hij in Düsseldorf is; nergens zien de vitrines met taarten en pralines er feestelijker uit. Bij een karaf witte moezelwijn vertelt hij over het toneelstuk, dat over vier dagen in première moet gaan, maar naar zijn idee nog niet helemaal podiumrijp is. De 'doorloop' van de tekst verliep de vorige dag in ieder geval zó rampzalig, dat hij zwaar tegen de eerste voorstelling opziet.

Even speelde hij zelfs met de gedachte voortijdig af te reizen. 'Ik heb grote problemen met de regisseur,' licht hij toe. 'In februari hebben Ingoh Brux, de dramaturg, en ik geprobeerd de regisseur eruit te werken, maar dat is niet gelukt. We vonden dat hij niet veel kon, totaal geen fantasie heeft en niet in staat is om mensen te motiveren. Hij slaagt er niet in om spanning in het stuk te brengen, het is dodelijk saai om naar te kijken. De regisseur werd erg zenuwachtig van mijn opmerkingen. Dat is zo hoog opgelopen, dat ik niet meer rechtstreeks met hem mag praten. Als ik iets tegen de regisseur wil zeggen, dan moet dat via Ingoh, die dat doorgeeft. Ik had al een faxverbod. Op een gegeven moment kreeg ik in New York een fax waarin stond dat ik Brian Michaels geen faxen meer mocht sturen. Die man werd gek van me.'

De staat Israël bestaat dit jaar een halve eeuw. Gestimuleerd door aantrekkelijke subsidieperspectieven kwam het Schauspielhaus op het idee daar met acht Duitse en acht Israëlische vierdejaarsstudenten van de theaterschool een toneelstuk over te maken. Grunberg werd een jaar geleden gevraagd de tekst te schrijven. Aanvankelijk had hij er weinig trek in; hij vermocht het nut van zo'n bilaterale productie naar aanleiding van de verjaardag van Israël niet in te zien. Waarom niet, was zijn volgende gedachte, toen hij hoorde dat het stuk niet per se over de broederschap tussen beide volkeren of het trauma van de Tweede Wereldoorlog hoefde te gaan. 'Ik ben met die groep Duitse acteurs een maand naar Israël gegaan. Met iedereen die mee zou doen zaten we in hotel Metropole in Tel Aviv. Met elke toneelspeler had ik een afspraak gemaakt voor een interview van anderhalf uur, dat op video werd opgenomen. Gewoon: wie ben je, waar kom je vandaan, vertel eens iets over je achtergrond. Op grond van hun antwoorden vroeg ik door; een deel van het materiaal heb ik gebruikt bij het schrijven van mijn tekst. Een meisje verklaarde dat haar grootvader eigenhandig tachtig joden had omgebracht; haar ouders vonden nog steeds dat opa juist had gehandeld.'

'Eigenlijk is het stuk erg om te lachen,' vindt Grunberg. 'Een black comedy, die zich afspeelt in een nachtclub die Israël heet en die wordt gerund door Coby, de nachtkoningin van Düsseldorf. Er zijn maar drie klanten en verder een heleboel meisjes die wachten op klanten. Ik moest achttien rollen invullen, dan is zo'n nachtclub natuurlijk ideaal. Sommigen klaagden dat ze te weinig tekst hadden. Ingoh belde me op in New York en vroeg of ik er voor twee actrices nog een paar zinnen bij wilde schrijven, want die voelden zich diep ongelukkig.'

De theateropdracht was een gevolg van de Duitse uitgave van Blaue Montage. De keus was snel gemaakt. Er zijn niet heel veel jonge, Europese auteurs die dialogen zo levensecht op papier krijgen en, mooi meegenomen tegen de achtergrond van het Duits-Israëlische 'project', bovendien van joodse origine zijn. De Duitse regisseur Peter Lilienthal (die met David een Gouden Beer won in Berlijn) vroeg Grunberg om dezelfde reden het scenario te schrijven voor een filmkomedie die zich moet afspelen in Florida, Coney Island en Atlantic City. Ook filmregisseur Hany Abu-Assad las Blauwe maandagen in één ruk uit en wist dat hij de auteur had gevonden voor het vrolijke script waar hij naar op zoek was. Zijn film Het 14e kippetje draait vanaf volgende week in de bioscoop.

Grunberg: 'Ik houd van dialogen, ook in verhalen en romans. Sommige romanciers kunnen redelijk goede boeken schrijven, zonder dat daar een overtuigende dialoog in voorkomt. Ik heb altijd affiniteit met theater gehad; lang geleden droomde ik ervan om toneelspeler te worden. Het leuke van schrijven voor film of toneel is dat je veel kunt weglaten. Je hoeft niets uit te leggen; alles wat gezegd wordt, spreekt voor zichzelf. Mijn scripts staan niet vol regieaanwijzingen. Maar dat had ik voor het Schauspielhuis beter wel kunnen doen, want nu blijkt dat de regisseur een aantal scènes volkomen verkeerd heeft begrepen. Aan Het 14e kippetje heb ik achteraf aanwijzingen toegevoegd, zoals "hij lacht", omdat het Nederlands Fonds voor de Film alleen een volledig scenario wilde subsidiëren. Ik ben één dag bij de opnamen aanwezig geweest. Hany stond erop dat ik een klein rolletje zou spelen, dus ik figureerde als een meneer die in een papierwinkel werkt. Van die ene opnamedag heb ik geleerd dat filmen hoofdzakelijk een kwestie van wachten is. Hany stuurde me in eerste instantie een script dat hij zélf geschreven had. Hij wilde weten wat ik ervan vond. Ik schreef hem heel vriendelijk terug dat ik vond dat de dialogen beter moesten, maar dat ik dat mezelf niet zag doen. Daarop belde hij op met de vraag of ik een heel nieuw script voor hem wilde schrijven. Hij kwam naar New York. Hany is een Palestijn met een Israëlisch paspoort die in Haarlem vliegtuigbouwkunde studeerde, maar al tien jaar films maakt. Wat ik zo charmant van hem vond, was dat hij nadat hij mijn script had gelezen, direct zei: dat gaan we over een paar maanden verfilmen.

Het heeft lang geduurd voordat hij de financiering rond had, maar uiteindelijk is het hem gelukt. Werken met iemand als Hany is bijna vriendschap. Je hebt een tijdlang intensief contact en maakt plezier met elkaar, maar het is geen échte vriendschap. Als het werk erop zit, is het contact voorbij. Veel mensen verkijken zich daarop. Die verkeren in de illusie dat ik bevriend met ze ben. Ze zijn teleurgesteld en zeggen dingen als: vorig jaar faxte je me zo vaak, nu hoor ik niets meer van je, wat is er aan de hand? Naar mijn gevoel ging het dan om een goed zakelijk contact, maar dat blijkt de ander niet zo op te vatten. Sommige dingen moet je niet eeuwig laten voortduren.'

Het geroezemoes aan belendende tafeltjes zwelt aan. Het wordt spitsuur, nu winkelend Düsseldorf massaal middagpauze komt vieren bij Konditorei Heinemann. Een onzichtbaar vioolkwartet houdt met Weense walsjes de stemming op peil. Grunberg bestelt nog een karaf moezelwijn. We praten over de waarde die hij aan vriendschap toekent. Hij heeft nauwelijks nog contact met leeftijdgenoten die hem kenden uit de tijd van het Amsterdamse Vossius Gymnasium, dat hij elf jaar geleden voortijdig verliet. 'Vriendschap beschouw ik als een vorm van altruïsme. Als het saai wordt, kun je er beter mee kappen; nieuwsgierigheid drijft je weer naar iemand anders toe.'

In New York leidt hij een betrekkelijk ontworteld bestaan; de enige Nederlander die hij daar geregeld treft is bibliofiel uitgever Pablo van Dijk.

Hij zegt: 'Voor een schrijver is het goed om een beetje onthecht te zijn, denk ik. Of het ook helpt voor het leven, weet ik niet. Nu kan ik alles schrijven wat ik wil, zonder dat ik me daar 's avonds in het café of op familiefeestjes voor hoef te verantwoorden. Het is aangenaam om in New York te zitten en via de fax de respons te vernemen op wat ik geschreven heb. Ik vind het heerlijk dat ik daar niet middenin hoef te zitten. De respons is er wel, maar blijft op veilige afstand. Ik heb een leuk leven. 's Morgens tik ik een stukje, daarna maak ik een wandeling, ik ga lekker eten. 's Middags tik ik nog wat en als ik moe ben ga ik slapen. Soms zijn er ook kleine, ingewikkelde dingen, maar laten we niet in de privésfeer treden. Ik ben in Amsterdam geboren en er naar school gegaan, maar ik had altijd het gevoel dat ik er niet zou blijven wonen. Misschien heeft het met mijn ouders te maken, die voortdurend zeiden dat we op een dag zouden verhuizen omdat Amsterdam niet onze definitieve bestemming was. Ik ben twee jaar geleden naar New York gegaan omdat ik nieuwsgierig was hoe lang ik het daar zou uithouden. Ik had niets met Amerika. Sommige mensen zijn gefascineerd door dat land, ik totaal niet. Ik wil gewoon zo weinig mogelijk verplichtingen. Geen hypotheek, niet iemand om me heen die zegt dat ik het huis moet dweilen. Ik verlang niet naar het huwelijk en wat kinderen betreft zeg ik altijd: zo'n vader als ik zou zijn, kun je niemand aandoen. Over het algemeen houd ik er niet van om thuis bezoek te ontvangen. Dat wordt me al gauw te privé. Het liefst zou ik een aparte studio hebben waar ik met mensen kan afspreken.'

De gedachte dat hij in de vertrouwde omgeving van zijn werkkamer optimaal tot schrijven komt, heeft hij van zich afgezet. Dat was een van de conclusies die hij tot zijn verbazing aan zijn reislust te danken had: dat hij in staat is onder de meest oncomfortabele omstandigheden gedisciplineerd de teksten af te leveren waar iemand aan de andere kant van de wereld op zit te wachten. Een draagbare computer in zijn bagage beschouwt hij als ongewenste ballast. Liever schaft hij zich ter plekke een schrijfmachine aan, die hij bij zijn vertrek achterlaat. Op de rand van een ledikant, op het vliegveld, op de achterbank van een bus - het maakt niet meer uit, hij kan overal werken. In Düsseldorf liet het Schauspielhaus een elektrische Remington op zijn hotelkamer bezorgen, waar hij zijn columns voor NRC Handelsblad en de VPRO-gids op tikte en, zodra dat nodig bleek, aanvullende teksten voor het toneelstuk.

'Sind Sie Boris?' Een serveerster buigt zich met vragende blik naar de schrijver voorover. Ze heeft rode zenuwvlekjes in haar hals.

'Ja, ich bin Boris.'

'Telefon für Sie.'

Hij spoedt zich naar achteren. Als hij terugkomt, legt hij uit dat hij in publieke gelegenheden als Boris oproepbaar is. Die naam ligt soepeler in het gehoor dan Arnon, dat zelfs na twee keer spellen in het beste geval tot Aaron wordt verbasterd. Het Schauspielhaus wil dringend met hem overleggen over een zoveelste, urgent geachte ingreep in het script. Jammer dat de taxi die ons naar het theater vervoert niet over blauwe zwaailichten beschikt.

Via de artiesteningang spoeden we ons naar boven. In de bedompte, zwartgeverfde kantine, zonder ramen, hangt de zware geur van gebakken aardappelen. Grunberg neemt de lift naar de verdieping waar dramaturg Ingoh Brux kantoor houdt.

'Ich höre, die Hölle sei los,' zegt hij.

Dat valt mee. Brux kan het ook niet helpen, maar de regisseur heeft het zicht op de slotscène verloren. De man weet niet wat hij ermee aan moet en nu wil hij de passage domweg schrappen. Een aangepaste dialoog, die aan zijn bezwaren tegemoet komt, kan het probleem oplossen.

Beneden wacht inmiddels een verslaggeefster van de Rheinische Post op een kort interview met de schrijver.
Een halfuur later staat hij alweer in het café waar we hebben afgesproken. 'Die mevrouw van de krant had de tekst van het stuk gelezen. Ze vroeg zich af of de uitspraak "Your Wehrmacht is our Wehrmacht" voor sommige mensen niet iets te veel zou worden. Waarop ik heb geantwoord dat ik dat niet kan beoordelen. Ik weet niet wat ze in Düsseldorf gewend zijn.'
Afgelopen zaterdagavond kwam het antwoord, toen het stuk voor een uitverkochte zaal in première ging. Het applaus dat na de herziene slotscène losbarstte, duurde volgens lokale maatstaven uitzonderlijk lang. De Rheinische Post liet zich in superlatieven uit over de literaire kwaliteiten van de '27jährigen Niederländer jüdischen Glaubens Arnon Grunberg', al was het wél een waagstuk, zo frech als hij de broze betrekkingen tussen Duitsers en Israëliërs ten tonele had gevoerd. Volgens de recensente zal de zwarte komedie in de toekomst ongetwijfeld

Streit opleveren, zowel in Israël (waar de productie mogelijk op toernee gaat) als onder 'Juden in aller Welt'.
En dat terwijl Grunberg zo zijn best had gedaan om een ongecompliceerd, vrolijk stuk te schrijven dat voor de verandering eens níét over die verdomde oorlog ging.

The Literary Saloon