Carel Peeters' literaire kroniek 03.05.2010

‘Het Rijksmuseum is er niet alleen voor kunsthistorici, maar voor een groot publiek’, zegt Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, in gesprek met Lien Heyting (Cultureel Supplement, NRC Handelsblad, 30 april). Dat is vreemd. Heeft iemand ooit gedacht dat het Rijksmuseum alleen voor kunsthistorici is? Toen Henk van Os directeur was? Toen Ronald de Leeuw directeur was? Niemand heeft dat ooit gedacht, behalve nu Wim Pijbes.
Dit is één van de tendentieuze veronderstellingen waarop Pijbes zijn nieuwe beleid voor het Rijksmuseum baseert. De conservatoren van het museum zullen daarin geen grote rol meer spelen. Pijbes presenteert zich letterlijk als ‘de chef’ van het museum. Alles zal voortaan zijn paraaf krijgen.
Bij het samenstellen van de tentoonstelling De keuze van Wim Pijbes, waarvoor hij 22 schilderijen uit de Gouden Eeuw selecteerde, kon hij de conservatoren al niet meer gebruiken. Die denken namelijk niet aan het publiek. Pijbes dacht wel aan de rondleiders in het Rijksmuseum: ‘In tegenstelling tot de conservatoren hebben zij direct contact met het publiek.’ De rondleiders, zegt Pijbes, ‘krijgen nooit vragen in de trant van: is dit schilderij van Jacob van Loo of van Quiringh van Brekelenkam?’ Nee, zulke rare vragen krijgen de rondleiders inderdaad niet. Of de mensen kunnen zelf wel zien wie het geschilderd heeft, of ze krijgen het vanzelf van de rondleiders te horen.
Wim Pijbes denkt dat de bezoekers van het Rijksmuseum helemaal niet willen weten wie het schilderij gemaakt heeft. Dat is al te veel ‘kunsthistorische informatie’ voor het publiek dat hem voor ogen staat. Pijbes gaat ervan uit dat veel bezoekers van het Rijksmuseum voor het eerst in een museum komen. Het is niet duidelijk waarop hij dit baseert, maar Pijbes heeft het nodig omdat dit ‘verantwoordelijkheid’ zou scheppen: ‘we zijn hier in de gelegenheid de culturele belangstelling van mensen te maken of te breken’. Dit lijkt mij te hoog gegrepen. De ‘verantwoordelijkheid’ die Pijbes zich aanmeet begint verdacht veel op nieuw paternalisme te lijken.
Omdat Pijbes de schilderijen nieuw en zonder kunsthistorische balast wilde bekijken (zie de Literaire Kroniek van 19 april) moesten er ook nieuwe tekstbordjes komen, door hemzelf geschreven. Voor die vernieuwing van de tekstbordjes vroeg Pijbes zich af: ‘wat vinden de mensen interessant en prettig om naar te kijken. Wat boeit ze, wat willen ze weten?’
- We hebben hier te maken met de authentieke hoogmoed van een autoritaire populist
Pijbes blijkt precies te weten wat het publiek boeit en wil weten. In ieder geval ‘geen schilderkunstige informatie’ en ‘kunsthistorisch jargon’ – ook al daar is op de tekstbordjes van het Rijksmuseum nooit veel sprake van geweest. De mensen schijnen te willen dat Pijbes Rembrandt ‘onze held’ noemt. Ze willen ook dat Pijbes geheel in de geest van onze eigen geldbeluste tijd in het Engels zegt dat Rembrandt het geld achterna ging toen hij vanuit Leiden naar Amsterdam verhuisde: ‘Art goes where the money flows.’ De tekst bij dit zelfportret van Rembrandt besluit hij met de woorden: ‘Die jongen komt er wel.’ Dat is wat het publiek volgens Pijbes wil weten, dat ‘die jongen’ er wel komt.
Pijbes legt er speciaal de nadruk op dat hij, de directeur van het Rijksmuseum, de keuze van die schilderijen heeft gemaakt, ‘niet een anonieme commissie die een canon van de Gouden Eeuw heeft vastgesteld.’ Hij doet hiermee alsof er ooit een anonieme commissie is geweest die een canon van de Gouden Eeuw heeft vastgesteld. Die is er nooit geweest. Alle tentoonstellingen in het Rijksmuseum (en in alle andere musea van Nederland) zijn door echte mensen met echte namen gemaakt, zoals altijd duidelijk in de catalogi is aangegeven. Pijbes heeft die niet-bestaande commissie nodig om een fictieve tegenstelling te creëren. En om zijn eigen ik te etaleren.
Pijbes wil duidelijk maken dat we met hem een directeur hebben die, zoals hij zegt, ‘gelooft in authentiek leiderschap’. We moeten goed weten: ‘Alles wat in het Rijksmuseum gebeurt heeft de goedkeuring van de chef.’
Gecombineerd met de ‘verantwoordelijkheid’ die de chef op zich heeft genomen voor het ‘maken of breken’ van de culturele belangstelling van de bezoekers van het Rijksmuseum, hebben we hier te maken met de authentieke hoogmoed van een autoritaire populist. Die weet altijd precies wat ‘de mensen’ willen. Pijbes maakt zichzelf, zijn taak en ‘verantwoordelijkheid’ hiermee zo breed dat het wel ten koste moet gaan van de inbreng, de kennis en het enthousiasme van de medewerkers van het museum. Pijbes noemde de bestaande tekstbordjes van zijn medewerkers al eerder fijntjes ‘grafteksten’, terwijl zijn eigen teksten uit niet veel meer bestaan dan uit platvloersheden, gemeenplaatsen en willekeurige informatie.
Een directeur die een stempel op een gerenommeerd museum wil drukken gaat bescheiden met zijn medewerkers aan het werk. Hij roept niet van de daken dat hij ‘de chef’ is en dat hij gelooft in ‘authentiek leiderschap’. Komt ‘die jongen’ er wel?
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
