Carel Peeters' literaire kroniek 01.11.2010

Door Carel Peeters

De Egyptische god Thoth
De Egyptische god Thoth

Om te weten waar de allesdoordringende drijfveer vandaan kwam waarmee Harry Mulisch schreef zal men de eerste pagina’s van het hoofdstuk ‘Zelfportret met tulband’ in Voer voor psychologen (1962) moeten lezen. Daar is de ‘oerscène’ te vinden waar alles op terug te voeren is: op de dag dat hij voor zijn vader, na aanvankelijke aarzeling omdat hij nog maar vier jaar was, sigaretten mocht halen. ‘Een opdracht! Ik! Ik!’ Het wordt de opdracht van zijn leven, voor het eerst een zelfstandige daad, helemaal alleen: ‘Ik ben in de wereld, alleen, en van een opdracht voorzien: Lucky Strike! Het licht en het geluid van het asfalt stormen om mij heen, eindeloos zijn naar alle kanten de wegen en dingen, en daar doorheen weet ik mijn weg. Aan mij zal het niet liggen!’.

Wanneer hij met de sigaretten thuiskomt is zijn vader al naar zijn werk vertrokken. Dat valt hem wel op, maar hij staat er niet lang bij stil, overrompeld als hij is door de sensatie van de eerste zelfstandige daad. Dat was inderdaad een ‘lucky strike’. Hij brengt de sigaretten naar zijn moeder en met de tekkel Balda in zijn armen holt hij door het huis, roepend dat hij sigaretten heeft gehaald. ‘Met bonkend hart’ belandt hij tussen zijn speelgoeddieren op de grond van zijn kamer.

Voer voor psychologen is geen boek van een bescheiden schrijver, maar zulke fragmenten (waarvan er vele zijn, ook de pagina’s over de dood van zijn vader) zorgen ervoor dat het boek niet wordt gedomineerd door de creatieve hoogmoed van de schrijver die de psychologen van zich af wil houden, zoals met de sindsdien gevleugeld geworden zin aan het slot van het voorwoord: ‘En nu – het voer staat opgediend, H.H. psychologen! Vandaag eten wij mensenvlees. Mahlzeit! Dat jullie er geen indigestie van mogen krijgen, kannibalen met je vegetariërziel.’ Mulisch hield de psychologen wel buiten de deur, maar haalde in plaats daarvan een groot aantal mythologische personages binnen. Die zijn niet helemaal gespeend van psychologische betekenis.

Harry Mulisch’ bijdrage aan de Nederlandse literatuur is dat hij de diepte van de oppervlakte heeft laten zien in een groot aantal romans, en speciaal in Het stenen bruidsbed, De aanslag, Twee vrouwen en De ontdekking van de hemel. Het zijn romans met een kraakhelder verhaal dat vol diepte en betekenis blijkt te zitten. Alle echte literatuur, heeft hij gezegd, komt uit een hermetische onderwereld, ‘hoezeer van deze wereld zij er ook uitziet’. Hij was zijn eigen psycholoog (en mytholoog) toen hij die herinnering aan het kopen van sigaretten ophaalde. Zo’n herinnering heeft onder zijn oppervlakte een lading. Daar zat de bron van Mulisch’ soevereine instelling en van ‘de opdracht’ die hij zichzelf gaf een belangrijk schrijver te worden.

- De ontdekking van de hemel is ook een roman waaruit blijkt dat Mulisch niet alle zegeningen van de jaren zestig is blijven koesteren.

Mulisch zocht altijd naar oerbronnen. Zoals hij wist dat zich bij het halen van sigaretten op zijn vierde jaar het begin van zijn zelfstandigheid bevond, zo wilde hij ook de bronnen van het schrijverschap kennen en kwam hij uit bij de Egyptische god Thoth. Hij voelde zich verbonden met de mysterie van het schrijverschap, verpersoonlijkt in Thoth. Het schrijverschap was niet alleen maar zijn talent, moeite en verdienste: het had ook een oorsprong buiten hem, verbonden met de lyrische mythen van de wereld.

Voor Thoth had het woord nog een magische kracht. Die wilde Mulisch terug. Hij droeg de beeltenis van Thoth om zijn hals, schrijft hij in Grondslagen van de mythologie van het schrijverschap (1987). Thoth is dan wel een god, maar goden waren voor Mulisch, met de woorden van die karakteristieke oppervlakkigheid, ‘een soort contactsleutels’: daar zet je iets mee in beweging, ze vertegenwoordigen een diep psychologisch of mythologisch verschijnsel. De Griekse goden vormden voor hem een ‘Helleense sleutelbos’ die toegang gaf tot een wereld waar hij naartoe werd getrokken, speciaal in het gezelschap van Oedipus, Orpheus en Eurydike, met alles waar ze voor staan.

De ontdekking van de hemel (1992) werd de apotheose van zijn oeuvre en een van de beste romans van de twintigste eeuw. Hier komt Mulisch’ oppervlakkige diepte samen met een ongekende stilistische eenvoud. Er worden in deze roman opmerkelijke maar gewone levens geleid, en toch draait het om wereldhistorische thema’s. Het gaat om individuen en om veranderingen in de wereld met bijbelse proporties. Het gaat om vriendschap en om wetenschappelijke passie, het gaat om het modernste (de astronoom Max is op zoek naar de ‘oersingulariteit’) en het oudste (de archeoloog Onno bestudeert de discus van Phaestus). En het gaat om de onttovering van de wereld door de techniek. En om de Tien geboden. ‘De ontdekking van de hemel’ is dat de mensen de Tien Geboden niet meer respecteren. Daarom moeten die terug naar de hemel. En dan speelt op de achtergrond ook nog het harmonische en disharmonische in de muziek een essentiële rol, in het dagelijkse leven en in de filosofie van de wereld.

Het bijzondere van De ontdekking van de hemel is het soepel samenkomen van literatuur, filosofie, moraal, esthetiek, beroepspassie, geschiedenis, mythologie en graalzucht. De zorg over de steeds groter wordende rol van de techniek (‘Hoe meer techniek, hoe minder menselijkheid’) gaat in de roman samen met de verpulvering van het ‘sociaal contract’ in de wereld, waarbij de Gouden Regel (‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’) niet meer serieus wordt genomen:

De ontdekking van de hemel is ook een roman waaruit blijkt dat Mulisch niet alle zegeningen van de jaren zestig is blijven koesteren. De roman gaat ook over de teloorgang van de ‘inwendige politie’, ‘die remming, dat bonkende hart’ waarmee Onno als jongen pas na vijf minuten wachten de bal durfde te pakken van het grasveld waarop het verboden was te lopen. Wat het bonkende hart is voor Onno, zijn de ‘ketenen’ voor Max als het gaat om vrijheid en geluk: die zijn daarvoor onmisbaar. Veel van wat Mulisch in zijn boek uit 1966 over de geschiedenis van Amsterdam rond die tijd, Bericht aan de rattenkoning, verdedigde, liet hij los in De ontdekking van de hemel, al heeft zijn kritiek op de regentenmentaliteit altijd stand gehouden.

Mulisch bezat wat hij de puber Quinten in de roman geeft: een ‘vreemde helderziendheid’. Daardoor kon hij de eenvoudigste dingen en gebeurtenissen een speciale lading geven, zoals de jongen met zijn bonkende hart: die gaat staan voor het verdwijnen van de inwendige politie in een hele samenleving. Veel minder bekend is dat Mulisch’ soevereine instelling gepaard ging met de nodige zelfspot. Hij was niet iemand die anderen zijn denkbeelden zo graag wilde opdringen (zoals wel Willem Frederik Hermans). Hoe stellig hij ook kon zijn, het wemelt in zijn werk van de paradoxen (zoals ‘de diepte van de oppervlakte’). Hij onderschreef graag twee onverenigbare uitspraken van Goethe: ‘In de beperking toont zich de meester’. En: ‘Dat je niet kunt ophouden, dat maakt je groot.’

Drijfveer Mulisch

Geplaatst door: Isa van Harperen reacties

Volgens mij was de drijfveer van Mulisch niet de opdracht zelf, maar de macht die hij gewaar werd toen hij de opdracht kreeg. Het wees hem de richting naar onafhankelijkheid: bittere noodzaak gezien zijn omstandigheden. Een overlevingsstrategie die resulteerde in de grote hoogten van een volkomen selfmade man.

grootmeester

Geplaatst door: cees de groot reacties

anton heyboer is bekend vanwege het antwoord "MU"

dat is geen ja en geen nee ofwel ja, mits en nee, tenzij

mu´lisch is bekend vanwege zijn opstelling van 12 raadslieden waar hijzelf de beslisser is , de dertiende

dit betekent dat de man ook de vrouw is die beslist of zhij zwanger wil worden van ee groots idee

;-{ tribute to his good'acts'

Harry Mulisch

Geplaatst door: Carel Peeters reacties

Aan Isa van Harperen
Het volbrengen van de opdracht verleent hem machtsgevoel. Er was een opdracht voor nodig om dat gevoel te krijgen. Dat Mulisch wel degelijk een opdracht aan zichzelf heeft gegeven, terugdenkend aan de 'oerscène' van het halen van de sigaretten, blijkt uit de titel die hij aanvankelijk gaf aan wat De ontdekking van de hemel zou worden: De opdracht.

António Lobo Antunes

Geplaatst door: Victor Crebolder reacties

op het gevaar af enige afbreuk te doen aan de status van halfgod die HM reeds lange tijd heeft ben ik van de week voor de tweede keer begonnen (de eerste keer moest ik om allerlei redenen afhaken, een daarvan 'n zeker gebrek aan concentratie) aan het pas in 2007 vertaalde boek Alexandrino van de Portugees António Lobo Antunes. Die uit 1983 daterende pil overtreft zo'n beetje alles van iedereen wat ik tot nu toe gelezen heb (redelijk wat, niet giga).

ook al heb ik sinds kort een zekere eerbied voor HM weten op te brengen, enige bescheidenheid zou het Nederlandse literaire wereldje niet misstaan. ieder blind paard kan zien dat deze LA voor de eeuwigheid geschreven heeft, een niveau wat halfgoden uit de aard der zaak hoogstens tot halverwege weten te behalen.

probeer het eens, zodra u uit geherkauwd bent!

Uit de diepte ( in: De ontdekking van de hemel)

Geplaatst door: P N Hobma reacties

Helaas ben ik geen astronoom. Maar zou het kunnen zijn, dat Harry Mulisch dit stukje tekst, uit Ada's onderbewustzijn tijdens Quintens geboorte, opzettelijk zo heeft neergezet? misschien kan een astronoom het eens bekijken en zien of er misschien een bepaald sterrenbeeld is afgebeeld. Qua symboliek zou dat m.i. goed bij de tekst en de samenhang ervan passen!

Foutjes

Geplaatst door: Frank de Greef reacties

De Ontdekking van de Hemel is een schitterend boek. Laat ik dat voorop stellen. Er zitten echter een paar storende fouten in.

1. Mulisch weet niet hoe de pil werkt. Hilarisch in dit verband is de vraag van Onno op p. 265: "Ben je wel vaker te laat?" Een vrouw die de pil slikt, wordt altijd ongesteld na 21 dagen!

Mulisch weet niet dat ook vrouwen die de pil slikken, in verwachting kunnen raken. Dan hoeven ze de pil maar één dag niet geslikt te hebben - of zich niet realiseren dat ze hem niet (door)geslikt hebben. Dat is wat met Ada had moeten gebeuren. Had haar na het turbulente avondje en misschien een daiquiri te veel, 's morgens een kater laten hebben en een onsmakelijk vet ontbijt voorgezet. Ze moet overgeven en realiseert zich niet dat ze ook de pil uitbraakt die ze een half uurtje tevoren heeft ingenomen, staande voor de wastafel om zich op te frissen en/of op te maken. Zoals veel vrouwen doen.

De conceptie van Quinten is een dermate essentieel punt, dat het oerstom is om Ada in verwachting te laten raken doordat het bij de farmaceutische industrie "al net zo'n bende is als overal" (p. 265). Of door te suggereren dat Max' zaad zo sterk was, dat de werking van de pil te niet was gedaan (p. 879). Allemaal enorme onzin. Heel jammer, want Mulisch had zich er zo gemakkelijk uit kunnen lullen.

2. Op het moment dat Max de pasgeboren Quinten in de couveuse ziet liggen, weet hij meteen dat het zijn kind is. Mulisch schrijft: "Maar het opvallendst waren de ogen" (p. 425). Pas op het eind van het boek weten wij - de lezers - dat de moeder van Max net zo'n bijzondere ogen had: "- dat onbeschrijflijke lapis lazuli..." (p. 875). Max echter had zijn moeder meegemaakt tot hij een jaar of zeven, acht was, en: "Zijn moeder kon hij zich nog goed herinneren..." (p. 122), waarop een behoorlijk gedetailleerde beschrijving van zijn moeder volgt. Max had zich dus ook haar heel bijzondere, bijkans unieke ogen moeten herinneren. Foutje van Mulisch.

3. De beschrijving van de dood van Helga is kennelijk een haastklus geweest. Op p. 585 wordt het even afgeraffeld. Haar stembanden waren doorgesneden 'vermoedelijk door een verslaafde,' maar Mulisch laat haar wel naar een telefooncel kruipen aan de overkant van de kade. Waarvoor? Ze kon toch niet praten!? Bovendien had ze zelf telefoon in huis (Onno belde haar op om samen naar de maanlanding te kijken). En als je er zo slecht aantoe bent en niet meer kunt praten, bel je de buren uit bed. Bovendien zijn drugsverslaafden mensen die stelen, liegen en bedriegen, maar het zijn nu juist geen geweldsmisdadigers die Helga 'meedogenloos' zouden hebben bewerkt. Klopt allemaal geen donder van.

Er zitten nog veel meer foutjes in het boek, maar dit zijn mijns inziens de drie belangrijkste.

Verder is en blijft het een heerlijk boek.


Mulisch Megalo Maan

Geplaatst door: Bauke Jan Douma reacties

De astronomie in dat boek klopt niet. De scene beschreven aan het strand op Cuba bijv. KAN helemaal niet, en dat betreft dan nog slechts de schijngestalten van onze eigen maan.

[reageren]

The Literary Saloon