Carel Peeters' literaire kroniek 26.03.2010
De schilderijen die momenteel zijn te zien zijn op de tentoonstelling Kamers vol kunst in het Mauritshuis zijn visuele catalogi waar je lang met je ogen kunt dwalen. En veel herkennen. Zeventiende eeuwse schilderijen waarop de kunstverzamelingen van rijke en adellijke lieden zijn te zien, hebben de eigenschap dat ze je het schilderij binnen trekken, zoveel is bij de eerste aanblik te zien.
In die ‘Constkamers’ hangen kleine versies van nu beroemde schilderijen. Er ontstaat al snel een wedstrijdje met jezelf om zoveel mogelijk van die schilderijen te herkennen: Titiaan, Veronese, Giorgone, Rubens, Van Dyck, dat zijn de vertrouwde namen die opduiken. De ‘kunstkamer’ was een genre dat in Antwerpen vanaf het begin van de eeuw opbloeide. Elke centimeter heeft wel een verhaal of een curieuze achtergrond.
Zoals de Kunstkamer van Willem van Haecht uit 1630. Wanneer je het schilderij ‘leest’ om te zien wat er allemaal op te zien is, zal je op een gegeven moment getrokken worden naar een merkwaardig tafereel dat zich afspeelt in het doorkijkje aan het einde van de zaal die van onder tot boven vol hangt met schilderijen van Snijders, Titiaan, Van Dyck en Correggio. Daar zien we ineens een aantal menselijke figuren voorzien van ezelskoppen. Die zijn bezig schilderijen en beelden aan flarden te slaan. Terwijl op het schilderij verschillende mensen in alle rust met elkaar in gesprek zijn vliegen de stukken op de achtergrond in het rond.
Het contrast met de rijke kunstverzameling kan niet groter zijn dan met deze vreemde gewelddadigheid. Toch was dat contrast precies de bedoeling. Zulke geschilderde kunstverzamelingen waren meestal ook voorzien van figuren, voorwerpen en beelden met een diepzinnige allegorische betekenis. Het ging niet alleen om het tonen van een waardevolle collectie kunst. De verzameling stond ook ergens voor: voor een zelfbewust, representatief intellectueel en cultureel leven. Daarin hebben die ezels hun plaats.
Op zulke schilderijen komt vaak de kop van de stoïcijn Seneca voor. Dat duidt erop dat de verzamelaar een neostoïcijn is die, gecombineerd met een evangelisch christendom, de levenshouding aannam die aan het einde van de zestiende eeuw opkwam onder invloed van Justus Lipsius. Dat was een houding waarin de noodzakelijke gemoedsrust, de ‘tranquillitas animi’ het hoogste goed was. Maar ook de humanistische waardering voor wat mensen zelf tot stand brengen klinkt er in door. De kunstkamer bevatte naast schilderijen ook producten van het menselijk vernuft als instrumenten, curiositeiten, landkaarten en rijk verluchte boeken. Het was een museum in het klein, een encyclopedische afspiegeling van de schepping en van de scheppingskracht.
Het verwerven van kennis en inzicht, het zorgen voor de vruchten van de schepping en het streven naar het allerhoogste: daaruit bestond de energieke en praktische levenshouding van neostoïcijnse verzamelaars van wie de kunstkamers hier te zien zijn: Cornelis van der Geest, Peeter Stevens en hertog Leopold Wilhelm. Deze levenshouding hield een verheven opdracht in, waarbij alles wat dit ideaal tegenwerkte als slecht en vijandig werd opgevat. Die slechtheid moest ook ondubbelzinnig getoond worden, in contrast met de weelde en superieure vruchten van de deugd die de kunstkamers laten zien.
- Koning Midas kreeg ezelsoren aangemeten nadat hij had gezegd dat Pan, en niet Apollo, de mooiste muziek had gemaakt
De ezels die in het doorkijkje op de schilderijen kunstwerken vernielen zijn de exemplarische vertegenwoordigers van die slechtheid, de ‘Ignorantia’, de onwetendheid, de universele tegenstander van het redelijke inzicht, de ‘recta ratio’. Dat het mensen met ezelskoppen zijn gaat terug op het aloude verhaal van koning Midas die ezelsoren kreeg aangemeten nadat hij uit eigenwijsheid en onwetendheid had gezegd dat Pan, en niet Apollo, de mooiste muziek had gemaakt. Pan had alleen maar wat gepiep en gekraak voortgebracht. Daar waar in de zeventiende eeuw ezelskoppen op een schilderij te vinden zijn, is sprake van ‘bottigheyt’ en ‘onleersaemheyt.’
De schilders van de kunstkamers, Frans Franken de Jonge, Jan Brueghel de Jonge, David Teniers de Jonge, Jan van Kessel en Willem van Haecht moeten tamelijk zelfbewuste heren zijn geweest die hun handtekening op het schilderij zetten in de vorm van hun eigen persoon. Ze staan meestal zelf als een van de belangrijke figuren op de schilderijen, niet zelden naast en in gesprek met de kunstverzamelaar en opdrachtgever. Zoals David Teniers en Leopold Wilhelm, regent van de Zuidelijke Nederlanden voor Filips IV.
In een tijdsbestek van een kleine twee jaar (1651-1653) liet Leopold Wilhelm een stuk of tien grote voorstellingen van zijn kunstverzameling maken door Teniers. De meeste gaf hij weg aan bevriende vorsten, als zijn visitekaartje. Op de tentoonstelling is te zien hoe dezelfde Teniers de eerste geïllustreerde schilderijencatalogus in de kunstgeschiedenis maakte aan de hand van de verzameling van Leopold Wilhelm: voor dit Theatrum Pictorium liet hij veertien verschillende prentmakers 243 prenten maken aan de hand van door hemzelf gemaakte kleine kopieën van de schilderijen. Een enorm werk. Teniers was geen ezel.
Kamers vol kunst in zeventiende-eeuws Antwerpen door Ariane van Suchtelen en Ben van Beneden. Mauritshuis tot 27 juni. Meer over het neostoïcisme en de ezels: J. Briels, ‘De Antwerpse kunstverzamelaar Peeter Stevens (1580-1668) en zijn constkamer’, in het Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen, 1980.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
