Carel Peeters' literaire kroniek 21.05.2010

Door Carel Peeters

Toen Vladimir Nabokov in 1943 een onbekende vlinder ving schreef hij het gedicht On discovering a Butterfly. Hij kon zijn geluk niet op. Hij had wel eens eerder zo’n onbekende ‘rakker’ gevangen, althans waarvan hij dacht dat hij nog nooit beschreven was, maar dat bleek dan al snel wel het geval te zijn.

Vanaf zijn tiende, toen hij nog in Rusland woonde, was Nabokov erop uit om ooit een door hem ontdekte vlinder naar hem genoemd te krijgen. In het gedicht schrijft hij 'I found it and I named it (...) and I want no other fame'. Nabokov zou zijn finest hour als lepidopterist twee jaar later echt beleven toen the grand old man of American lepidoptera James McDunnough de door hem gevonden vlinder de naam Eupithecia Nabokovi gaf.

Het is deze vlinder die de hoofdpersoon van de gelijknamige roman Pnin te zien krijgt, maar die hij niet kan benoemen: ‘Jammer dat Vladimir Vladimirovitsj er niet is’, zegt Pnins vriend Chateau, ‘die had ons alles kunnen vertellen over deze aandoenlijke insecten.’

Eupithecia
Eupithecia

Dat Nabokov eigenlijk geen andere faam wilde dan die van een kundig vlinderkenner geeft aan hoe belangrijk het vlinderen voor hem was. Toen hij in de jaren vijftig in Amerika aan de universiteit les gaf waren de zomermaanden ‘van hem’, zoals hij zei: de tijd om vlinders te gaan vangen, zoals de ochtenden als kind in Rusland ook al van hem waren voor het vangen van vlinders. Dan liet iedereen hem met rust. Van 1941 tot 1948 was hij bovendien als Research Fellow parttime verbonden aan het Harvard Museum of Zoology. Hij was daar de curator voor de vlinders.

Er zijn meerdere foto’s waarop we Nabokov als vlindervanger in actie zien. De beroemdste is de foto die op het boek staat waarin alles bij elkaar staat wat Nabokov over vlinders heeft geschreven: Nabokov’s Butterflies. Het is de foto waarop het is alsof hij de fotograaf in zijn net wil vangen, zo dicht is die hem genaderd. Op al die foto’s van Nabokov als vlinderaar zien we hem met zijn legendarische lange korte broek. En wat altijd opvalt: de passie en gretigheid die uit zijn gezicht spreekt. Die gretigheid wordt een metafoor voor alles wat hij deed en schreef. In Speak Memory, in het zesde hoofdstuk dat over zijn hartstocht voor vlinders gaat, schrijft hij: ‘Ik heb weinig ervaren aan emotie of verlangen, ambitie of prestatie, dat in rijkdom en kracht kon tippen aan de opwinding van entomologisch speurwerk.’

Nabokov's Butterflies
Nabokov's Butterflies

Maar nu is de ultieme foto van Nabokov als vlinderaar tevoorschijn gekomen, gepubliceerd in The New York Review of Books van 13 mei bij een artikel over Nabokovs vertalingen van drie eeuwen Russische poëzie. Het is de ultieme vlinderfoto, omdat hij daarop staat met zijn vrouw Vera, hier nu ook gewapend met vlindernet. Ze bevinden zich op het pad van een donker bos. In prachtige symmetrie hebben ze allebei een groot vlindernet in hun hand, de een wijst naar links, de ander naar rechts. Allebei, Nabokov iets meer dan Vera, gespitst op wat er zomaar voor hun neus kan komen fladderen. Het gezicht van Nabokov drukt een koele hartstocht uit. Hij gaat te werk zoals hij ook te werk ging bij met schrijven: het ging hem altijd ‘om de versmelting van de precisie van poezië en de sensatie van zuivere wetenschap’.

Natuurlijk vertegenwoordigden de vlinders voor Nabokov iets van de eeuwigheid ('wars pass, bugs stay', schreef hij), maar hij was ook niet vrij van zelfspot. Wanneer ze de weg kwijt zijn zegt Lolita tegen Humbert Humbert in Lolita: ‘Vraag het aan die idioot daar met dat vlindernet’.

[reageren]

The Literary Saloon