Carel Peeters' literaire kroniek

Waarin Tony Judt wordt herdacht

9 augustus 2010
Leestijd:

Een van de vele aangename kanten van de zaterdag overleden Engelse/Amerikaanse historicus Tony Judt was dat hij de geschiedenis ongedwongen tot leven wist te brengen. In elk essay of hoofdstuk van een boek duikt wel een saillant historisch voorbeeld op dat het onderwerp waar hij het over heeft in een verrassend licht zet. In het kader van de rampzalige privatiseringen van de jaren negentig herinnerde hij eens aan iets dergelijks in de achttiende eeuw: de ‘tax farming’, waarbij de overheid het innen van belasting uitbesteedde, wat men nu ‘outsourcing’ noemt. Gevolg was dat er aanzienlijk minder belasting binnen kwam en de inners zo rijk werden als tegenwoordig de directeuren van half geprivatiseerde woningcorporaties.

Of Judt herinnert aan een vergeten politicus die in zijn tijd iets heeft gepresteerd dat niet vergeten had mogen worden. Zoals William Beveridge, een econoom in de geest van John Maynard Keynes die in 1942 de basis legde voor het Engelse sociale verzekeringsstelsel. Dat is iemand naar Judts hart. Hij brengt hem in herinnering omdat hij de rol van de staat in de juiste verhoudingen zag: niet als bediller, maar als zorgend voor essentiële collectieve voorzieningen. Beveridge was een soort Drees die er voor zorgde dat werklozen niet aan de twijfelachtige genade van het kapitalisme werden overgeleverd.

Ook boeiend aan Judt was zijn gebrek aan aanstellerij, iets waar bijvoorbeeld zijn collega John Gray weinig last van heeft. Die zal niet nalaten in elk stuk dat hij schrijft wat ongrijpbare, maar harde generalisaties te debiteren om zijn ongebroken parmantigheid te tonen. Judt was aangenaam vrij van dit soort kritische ijdelheid. Ook al schreef hij het laatste jaar over de fatale spierziekte die hem was overkomen, hij was doorgaans weinig op zijn eigen ziel geconcentreerd. Dat had ook gevolgen voor zijn visie in het algemeen. Hij had weinig affiniteit met de generatie van de jaren zestig die het persoonlijke politiek maakte, zeker als dat tegelijk betekende dat een groot deel van die generatie in de jaren tachtig en negentig willige conformisten werd en zich lieten meeslepen door het neo-liberalisme dat het sociale evenwicht in gevaar bracht (en de financiële wereld in het verderf stortte).

Toen Judt begin jaren negentig van Cambridge naar Amerika verhuisde en aan New York University les ging geven, kreeg zijn kijk op Europa een verrassend nieuw reliëf. Hij ging zich ineens Europeaan voelen. Dat hield in dat hij de aardige kanten van Europa in vergelijking met Amerika beter ging zien. Het was ook de tijd van de ondergang van de Sovjet Unie en dat betekende dat in het Westen steeds minder waardering ontstond voor de rol van de staat, als reactie op wat het communisme gedurende veertig jaar met staatsbemoeienis had aangericht.

- Judt raakte in Amerika geregeld in conflict door zijn kritiek over de rol van Amerika in Irak en Afghanistan

Hoe intellectuelen omgingen met communisme en staatsbemoeienis bestudeerde Judt toen vooral aan de hand van het Franse voorbeeld. Hij studeerde in de jaren zeventig in Parijs en publiceerde in 1979 een boek over de sociale geschiedenis van Frankrijk aan de hand van de Provence (Socialism in Provence 1871-1914: A Study in the Origins of the Modern French Left). In 1990 volgde daarop Marxism and the French Left: Studies on Labour and Politics in France 1830-1982, en in 1992 Past Imperfect: French Intellectuals, 1944-1956, het boek waarin hij de lankmoedige houding van onder meer Sartre ten opzichte van Stalin bekritiseerde. Judt had dan ook sympathie voor de in die tijd vanwege zijn anticommunisme weinig in de gratie zijnde liberale socioloog en politiek commentator Raymond Aron, zoals bleek uit het boek uit 1998 The Burden of Responsibility: Blum, Camus, Aron, and the French Twentieth Century.

Deze onderdompeling in de Franse sociale en intellectuele geschiedenis was een goede ondergrond voor de grote greep (meer dan duizend pagina’s) op de geschiedenis van Europa na de Tweede Wereldoorlog die hij in 2005 deed in Postwar, in het Nederlands vertaald als Na de oorlog. Dit boek maakte Judt tot de scherpzinnigste historicus van de moderne tijd (‘a masterpiece of historical scholarship’ noemde John Gray het genereus). Dat werd hij temeer omdat hij geen extreme ideologische sympathieën had, anders dan vergelijkbare historici van de twintigste eeuw als Eric Hobsbawn. Wat niet betekent dat Judt geen uitgesproken standpunten ontwikkelde. Hij raakte in Amerika geregeld in conflict door zijn kritiek over de rol van Amerika in Irak en Afghanistan. Nog meer problemen haalde hij zich aan door zijn kritiek op de Amerikaanse gevoeligheid als het om Israël ging. Judt, die zelf ooit in Israël werkte en zionist is geweest, vond het onverdraaglijk dat Israël zich ontwikkelde tot een eigengereid land dat elke kritiek op zijn politiek onmiddellijk afdeed als antisemitisme.

Judt noemde zichzelf ‘een universeel sociaal-democraat’. En de sociaal-democraat was ‘een hybride soort’, omdat hij voor onbekrompen vrijheid is, maar tegelijk wil dat de staat zorgt voor het welzijn door middel van collectieve voorzieningen. Judt maakte er in Na de oorlog, De vergeten twintigste eeuw en zijn recent verschenen Het land is moe geen geheim van dat de staat wat hem betreft in ere hersteld moet worden na het debâcle dat het neo-liberalisme en het neoconservatisme aanrichtten in de financiële wereld. De crisis die in 2008 begon bevestigde eclatant het gelijk van de critici van het ongeleide kapitalisme. ‘Vroeg of laat’ schreef Judt, ‘valt het ongebreidelde kapitalisme ten prooi aan zijn eigen excessen en zal het zich voor redding tot de staat wenden.’ Aldus geschiedde.

Heel bevredigend is dat Judt de geschiedenis en schrijvers van vroeger steeds productief maakte. Hij profiteerde graag van de inzichten van bewonderde voorgangers: George Orwell vanwege zijn nuchtere sociale kijk op het dagelijks leven, Adam Smith vanwege zijn afkeer van de serviele bewondering die mensen voor rijken hebben, Karl Popper vanwege zijn theorie van kleine stapjes voorwaarts (‘piecemeal engineering’), de conservatief Edmund Burke om zijn overtuiging dat van het verleden te leren valt, De Tocqueville vanwege zijn observatie dat mensen onbewuste conformisten zijn: ze vinden dat iedereen moet zeggen wat hij wil, behalve als het om een afwijkende mening gaat. En natuurlijk John Maynard Keynes, de econoom die in Het land is moe het vaakst wordt geciteerd omdat hij voor een pretentieloze solidariteit tussen mensen is.

Na de ‘zelfzuchtige tijden’ van de jaren negentig tot 2008 die in het teken hadden gestaan van een andere econoom, Friedrich Hayek, is voor Judt weer de tijd van Keynes aangebroken, de tijd van een gemengde economie. De tijd ook van iemand als William Beveridge.

In 2006 interviewde Tomas Vanheste Tony Judt voor Vrij Nederland (red.) 'Ik ben een Europese patriot'

[reageren]

Over Carel Peeters

Carel Peeters (1944) werkt sinds 1973 bij Vrij Nederland en stond aan de wieg van de Republiek der Letteren.

Carel Peeters' literaire kroniek

Carel Peeters

Waarin in een pamflet van Rob Riemen ‘hedendaags fascisme’ wordt gesignaleerd

In zijn wekelijks satirische strip in Vrij Nederland voelt Pieter Geenen de schommelingen in de politieke stemming goed aan. Vorige week liet hij een man bij de dokter komen. Wat was de klacht? ‘Dokter, ik begin aan Wilders te wennen! Er zit sleet op mijn verontwaardiging over Wilders.’ Dat is goed gezien. Er heeft inderdaad een soort domesticatie van het gedachtegoed van de Partij voor de vrijheid plaats. Dat is ook helemaal niet zo gek. Door hun prominente aanwezigheid in de Tweede Kamer, de kranten en de televisie krijgen de leden van PVV-fractie iets vertrouwds, het worden bekende gezichten. Ze nemen zelf ook een iets mildere houding aan (ze domesticeren zelf ook), omdat ze anders snel onmogelijk worden, zeker op de televisie. Ze kunnen zich die mildere houding ook permitteren met zoveel zetels in de kamer.

Carel Peeters' literaire kroniek

Carel Peeters

Waarin het geheim van Harry Mulisch te vinden is in de diepte van zijn oppervlakkigheid

Om te weten waar de allesdoordringende drijfveer vandaan kwam waarmee Harry Mulisch schreef zal men de eerste pagina’s van het hoofdstuk ‘Zelfportret met tulband’ in Voer voor psychologen (1962) moeten lezen.

Carel Peeters' literaire kroniek

Carel Peeters

Waarin Teylers Museum een verrassende collectie Engelse satirische tekeningen opduikt

Op St James Street nummer 27 in Londen was rond het jaar 1800 dagelijks hetzelfde tafereel te zien: mensen verdrongen zich voor de etalage van Hannah Humphrey’s winkel in satirische prenten om de dagelijkse nieuwe tekening te zien, niet zelden afkomstig van James Gillray.

Waarin Simon Schama op zoek is naar poëtische feiten

Carel Peeters

Waarin vergeefs de vraag gesteld wordt of de verrechtsing iets betekent in de literatuur

Carel Peeters

Dit is goed! Ik ontvang graag wekelijks verhalen in mijn inbox

E-mailadres *
Ja, ik wil graag de VN Nieuwsbrief ontvangen

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal