10.01.2009

Door Carel Peeters

Afbeelding bij Universele ethiek

Gaat 'de menselijke natuur' ons vertellen wat we mooi en lelijk moeten vinden?

Het feit dat Darwin in februari tweehonderd jaar geleden is geboren en dat het in november honderdvijftig jaar geleden zal zijn dat On the Origin of Species verscheen, zal tot gevolg hebben dat nog eens bevestigd wordt wat de afgelopen twintig jaar gemeengoed is geworden: dat Darwins evolutietheorie de herwaardering inluidde van de menselijke natuur. Tot ver in de jaren tachtig werd de mens tamelijk algemeen als kneedbaar en maakbaar beschouwd, behalve natuurlijk door conservatieven. De ontdekking van het DNA, de nieuwe genetica en de biotechnologie hebben ervoor gezorgd dat iedereen nu weet dat alles al in de natuur van 'de genen' is vastgelegd.

Dat was wat de evolutionaire psychologen in de geest van Darwin al langer beweerden: de mensheid heeft in de prehistorische oudheid een gemeenschappelijke voorouder en dat betekent dat mensen veel gemeen hebben, hoe groot de cultuurverschillen ook zijn. Waaruit die universele menselijke natuur zoal bestaat heeft Donald E. Brown ooit aan de hand van vijfhonderd 'universalia' beschreven (als bijlage te vinden in Steven Pinkers boek Het onbeschreven blad). Overal komt 'berouw' voor, overal wil onrecht rechtgezet worden, overal wordt samengewerkt, overal wordt gehuild, overal wordt aan kunst gedaan, enzovoort.

Er is inderdaad veel gemeenschappelijk aan de menselijke natuur en er ligt veel in vast, maar door de overweldigende aandacht voor de evolutietheorie, sociobiologie, biotechnologie en evolutionaire psychologie begint de in de genen vastliggende menselijke natuur nu wel erg te domineren. Het nieuwe lievelingswoord is dan ook 'instinct' - typisch iets dat verankerd is in de menselijke natuur, maar waarvan het berucht onzeker is in welke mate het precies zijn werk doet. We hadden al Het taalinstinct van Steven Pinker en Het morele instinct van Jan Verplaetse, nu verschijnt The Art Instinct van Denis Dutton (Bloomsbury).

Jan Verplaetse onderscheidt in zijn boek vijf moreel geladen instincten (hechtingsmoraal, geweldsmoraal, samenwerkingsmoraal, reinigingsmoraal en beginselenmoraal), maar de beginselenmoraal die rationeel is en de uitwassen van de fysieke moraal (het instinct) kan corrigeren, blijkt de baas. Zijn boek had beter Het rationele instinct kunnen heten, gezien het belang dat hij hecht aan de rationele beginselenmoraal.

Denis Duttons bewering dat de menselijke natuur een aangeboren kunstinstinct bezit zal niet op veel tegenstand stuiten. De impuls om iets te maken dat niet alleen nuttig is en voor een verfraaiing of intensivering van het bestaan zorgt, is al aanwezig sinds de grottekeningen. Wel is het vreemd dat Dutton, en Steven Pinker in zijn boek Het onbeschreven blad, het kunstinstinct een uiterst conservatieve inhoud geven. Ze baseren zich allebei op een onderzoek waaruit blijkt dat mensen op heel verschillende plaatsen in de wereld allemaal de voorkeur geven aan glad geschilderde landschappen in groen en blauw, met dieren, kinderen en vrouwen. Deze voorkeur zou teruggaan tot de paradijselijke toestand die de mens aantrof toen hij ontstond in de Afrikaanse savannen.

Dat kan zo zijn, maar dat betekent wel dat de universele menselijke esthetiek uit clichés bestaat. Dutton en Pinker zien daar helemaal geen bezwaar in. Zij vinden dan ook dat deze universele esthetiek de laatste honderd jaar teveel is genegeerd: sinds het modernisme in 1910 zich meester heeft gemaakt van de kunst zou dit basale kunstinstinct niet meer aan zijn trekken zijn gekomen en zijn verdrongen door 'elitekunst'. Pinker: 'In de schilderkunst werd de realistische afbeelding vervangen door grillige vervorming, en verkleuring, en vervolgens door abstracte roosters, vormen, vegen en spatten.'

Dit is het gevaar van alle aandacht voor Darwin en de evolutiepsychologie: dat 'de menselijke natuur' gaat vertellen wat we mooi en lelijk moeten vinden.

 

The Literary Saloon