Interview

Tom Lanoye: 'Gelukkig kan ik schrijven'

Door Annemiek Neefjes
3 oktober 1998
Leestijd:

De vorige maand werd Tom Lanoye veertig jaar. 'Ik heb altijd al gezegd: rond mijn veertigste begint het échte werk. Ik heb gelijk gekregen.'

Zijn proza (zoals Een slagerszoon met een brilletje en Kartonnen dozen), poëzie (Hanestaart; In de piste), toneel (het omvangrijke project Ten oorlog), columns (onder andere gebundeld in Maten en gewichten) en talloze solo-optredens (vorig jaar nog met de 'verbale garagerock' Gespleten en bescheten) beschouwt hij als zijn leerscholen. Aan Ten oorlog, een bewerking van Shakespeares acht koningsdrama's, werkte hij achttien maanden, van 's ochtends tot 's avonds laat en in de weekeinden, in samenwerking met regisseur Luc Perceval. Hij noemt het de afsluiting van zijn oefenperiode, zijn eigen eindexamen zogezegd. 'Voor Ten oorlog heb ik de vorm van de vijfvoetige jambe extreem serieus genomen. Die technische gebondenheid dwingt je tot nadenken over de ins en outs van ieder woord, de gevoelswaarde, de coloratuur.'

Vorig jaar maakte het theaterspektakel in een tien uur durende uitvoering een tournee, volgend jaar gaat het in reprise. Het eeuwenoude drama van macht, strijd en moord gaat óók over de 'heiligen en domme zwijnen' in de Belgische politiek (met een overwicht van zwijnen); regels van Shakespeare wisselen af met door Lanoye (soms grondig herschreven) zinnetjes uit popliedjes, strips, de film Reservoir Dogs van Quentin Tarantino en uit werk van zijn literaire helden, zoals Hugo Claus, Louis Paul Boon, Willem Elsschot, Paul Snoek en Guido Gezelle: 'O Stijveke, stijveke van de man: / al fokt gij tot twintig en meer. / Toch is er geen een die ophouden kan - / nog stijft gij en stijft gij nog meer.' Ten oorlog is Shakespeare én de Vlaamse politiek én Lanoyes literaire geschiedenis. 'Nu heb ik het schrijven onder de knie, het echte spel kan beginnen. Of misschien lukt het nu juist niet meer.'

Eén leraar in het bijzonder maakte Tom Lanoye vertrouwd met de boekencultuur: Anton van Wilderode. De beroemde dichter-priester gaf Nederlands aan het Sint Jozef Klein Seminarie in Sint-Niklaas. 'Hij leerde me Claus en Lucebert kennen; dat lijkt toch niet te rijmen met zijn zwarte kant, zijn extreem-rechtse sympathieën?

Hij was een korte, vrij brede, kale, beetje lispelende man, die een witte boord droeg en een kruisje op zijn revers, en een hoog, hees stemmetje had, Marlon Brando op het einde van zijn carrière, zo'n man komt binnen in de klas en leest voor uit de wereldliteratuur en je weet: over vijftig minuten begint het weekend, maar iedereen was muisstil en vol aandacht. Zoals hij voorlas, rustig maar met een grote innerlijke kracht, hij maakte de poëzie in zichzelf sterk, totáál anders dan ik zelf was met mijn voortdurende aandrang om aanwézig te willen zijn. Ik houd niet van priesters, maar voor hem voelde ik respect. Hij was zelf trouwens ook iemand die respect voor een ander opbracht, ook wanneer hij wist dat je zijn politieke en religieuze opvattingen niet deelde.'

Van Wilderode droeg wereldliteratuur aan. Hij las Hugo Claus' De verwondering voor, stukken uit Misdaad en straf van Dostojevski, hele hoofdstukken uit Kafka's Het slot, het Dagboek van een gek van Gogol, gedichten van Lucebert, Paul Snoek, Hans Andreus, Hugues C. Pernath, zoals Lanoye ze later nooit meer hoorde. 'En hij kwam met een beetje Vlaams-nationalisme, Wies Moens, Filip de Pillecyn, maar die naam zegt je waarschijnlijk niets.' Van Wilderode lapte het voorgeschreven leerprogramma aan zijn laars, maar de schooldirectie durfde niet in te grijpen, want hij had die status van beroemde dichter-priester.

De pure taalkracht van de voorgelezen literatuur wekte bij Lanoye de verschijnselen van de verliefdheid: van zwetende handen tot vervoering en een snellere ademhaling. 'Dat moedergedicht van Claus, huiveringwekkend mooi vond ik dat. Het viel buiten alles: buiten de normale grammatica, buiten de geijkte beelden. Dat iemand dat kan met taal, dat taal dat kan, dacht ik. "Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde." Die verbondenheid van het fysieke en aardse, van moeder en aarde. "Vader at patrijzen en Moeder was er niet / en ik en Joris spraken over moorden", zulke magische regels. Ik snapte lang niet alles, zocht die boeken in de bibliotheek op om ze opnieuw te lezen. De Oostakkerse gedichten van Claus las ik er op mijn knieën.'

Van Wilderode schreef zelf 'best mooie gedichten', zegt Lanoye, maar hij maakte ook redevoeringen en galmende liedteksten voor de IJzerbedevaart, de jaarlijkse bijeenkomst van Vlaams-nationalisten. Een enkele keer vergastte hij de klas op een wansmakelijke monoloog. 'Hij zei dingen als: "Racisme is een modewoord." Dan wéét je het wel, zéker in Vlaanderen. Of hij was verontwaardigd over de repressie van Vlaamsgezinden na de Tweede Wereldoorlog, zonder erbij te zeggen wat hun houding ín de oorlog was. Het verwerpelijke was natuurlijk dat hij dat soort dingen zei tegen kinderen in hun schwärmerische periode.

Achteraf begrijp ik niet dat ik niet één keer uit de klas ben gelopen. Mijn waardering voor hem was te groot, en mijn politieke besef nog te zwak. Bij ons thuis bestond, zoals bij goede middenstanders, mijn ouders hadden een slagerij, de mentaliteit van: politiek houd je binnenskamers, je verliest er alleen maar klanten mee.'

De verwarring in dat schooljaar was om nog een reden groot. Lanoye werd zich bewust van zijn homoseksualiteit, maar dat woord viel maar twee keer: een keer in negatieve zin en een keer als insinuatie. Hij geeft een voorbeeld van Van Wilderodes hardnekkige zwijgen erover. Van Wilderode behandelde 'Die Avond en die Rose' van Guido Gezelle (ook een dichter-priester-leraar), dat Gezelle aan zijn leerling Eugene van Oye had opgedragen. 'Wie dit gedicht níét leest als een liefdesgedicht, houdt zich van de domme. Van Wilderode zwamde over van alles, tot en met "Gezelle aanbad in deze knaap God", hij zweeg over de homo-erotische lading, terwijl ik zeer goed wist wat daar stond.'

Van Wilderode maakte in Lanoye níét de schrijver wakker, want 'ik wist altijd al dat ik schrijver was'. Hij herhaalt het, zonder zweem van ironie: 'Ik wist dat ik talent had, ambitie had ik ook, alleen het ambacht moest ik nog leren.' Voor die ambachtelijke kant dankt hij veel aan zijn leraar. Want Van Wilderode gaf diepgaande analysen, behandelde rijmschema's, versbouw, beeldspraak, van de romans maakte hij schema's met pijlen waarmee hij de relatie tussen de personages aangaf. 'Literatuur werd iets dat je op een bepaalde manier in elkaar zette, het was niet louter inspiratie. Ik paste die kennis toe in de opstellen die we moesten schrijven. Die schreef ik voor hém, ik deed daar ongelooflijk mijn best op. Eén keer noteerde hij onderaan een opstel van me: "Je kan schrijven!" Dat betekende veel.'

Later, als student, stelde Lanoye zichzelf de opdracht elke dag vier uur te lezen en twee uur te schrijven. Hij maakte pastiches van werk van juist die schrijvers die hij hoogachtte. Dat gezelschap was in de loop der jaren gegroeid, en toch, zegt Lanoye, voelt hij zich emotioneel het sterkst verbonden met de schrijvers die hij bij Van Wilderode leerde kennen. 'Hans Lodeizen is misschien niet eens zo'n heel bijzondere dichter, maar voor mij wel. The first cut is the deepest. Dat Van Wilderode met geen woord over Reve, over Hermans, over Louis Paul Boon heeft gesproken, heb ik hem later zeer kwalijk genomen. Zijn keuze was nadrukkelijk religieus en ideologisch bepaald.

Toen hij vorig jaar stierf, wilde ik absoluut niet naar zijn begrafenis, ik wist dat de top van het Vlaams Blok op de eerste rij zou zitten. In Kartonnen dozen had ik al afscheid van hem genomen. Ik noem hem daar Mussolini, eerder vanwege zijn massieve romeinse kop dan om zijn politieke gedachtegoed. Het was een plaagstoot, akkoord. Maar het is ook een dankbaar en lovend portret. In interviews heeft hij daar nooit een woord over gezegd, wél dat hij moeite had met al de masturbatiescènes in het boek. Ik schrijf ergens dat het me niet zou verwonderen als de jap, een docent die tegen een gevel was gereden met dodelijk gevolg, in zijn 2CV aan het masturberen was geweest. Die melige grap, die past in de sfeer van het boek, kon hij niet waarderen.'

Van Wilderode confronteerde Lanoye met een dilemma dat hij nooit heeft kunnen oplossen. 'Politieke correctheid en culturele correctheid vallen niet automatisch samen.' Praten met Lanoye betekent een gesprek waarin literatuur en politiek door elkaar lopen. Hij onderscheidt de beide domeinen maar scheiden kan hij ze niet.

Zo schreef hij vier jaar geleden een polemisch artikel over Sarajevo (dat werd gepubliceerd in VN, 2-7-1994), waarin hij zijn woede uitsprak over de 'aanmatigende tegenstelling' die hij Vlaamse kunstenaars zag maken tussen enerzijds geweldloze kunst en anderzijds de cultuurloze burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië. In dat stuk berooft hij de kunst van haar onschuldige status: 'Kunst dient niet bij voorbaat het goede, schone en ware. Zij doet dat niet. Ze kan net zo vulgair, plat en destructief zijn als al het andere dat leeft en beweegt onder het uitspansel. Zij kan troosten en redden, maar zij kan zich ook lenen tot vernederen en verdelgen.'

'Dat stuk,' zegt Lanoye, 'had ik niet geschreven wanneer ik als vijftienjarige niet zo dicht bij Van Wilderode had gestaan. Het ging impliciet ook over hem.'

Is Lanoye politieker geworden? Niet dat de grap, de burleske anekdote, de meligheid en parodie van zijn eerste boeken nu uit zijn werk zijn verdwenen, integendeel, maar de (Vlaamse) politiek staat wel meer op de voorgrond. 'Ik word niet onberoerd gelaten door wat hier in Vlaanderen gebeurt. Het is mijn zuidelijke temperament. Mijn familie komt via Noord- en Midden-Frankrijk uit Spanje, ik voel me soms net een kleine, Andalusische vechtstier bij wie de woede door het hoofd raast. Gelukkig kan ik schrijven.'

Lange tijd stond bij hem het schrijven van poëzie het hoogst aangeschreven, dan romans, dan toneel, zijn columns voor het Vlaamse weekblad Humo plaatste hij het laagste. Zo'n column over de Belgische politiek was leuk, maar niet het échte werk: een vluchtig commentaar op alledag en morgen alweer vergeten. Terwijl een gedicht schrijven, dat was mikken op de onsterfelijkheid. 'Door mijn bezoeken aan Zuid-Afrika, dat land is een van mijn grote liefdes, werd die hiërarchie onderuit geschoffeld. Literatuur en politiek hebben daar álles met elkaar te maken, wat je ook schrijft. Het genre interesseert me niet meer, ik schrijf wat ik op dát moment schrijven wil.'

In de terugblik ziet Lanoye een overeenkomst tussen zijn grote literaire liefdes: allemaal hebben ze politiek iets betekend. Wat theatermaker Luc Perceval kort geleden overkwam met zijn voorstelling Liefhebber, overkwam eerder Louis Paul Boon, Gerard Walschap, Paul van Ostaijen, Cyril Buysse, Hugo Claus: allemaal zijn ze uitgemaakt voor pornograaf, vuilschrijver, nestbevuiler. Lanoye herinnert zich een televisieserie die Claus in de jaren zeventig had gemaakt over Rubens. Een tante van hem die amateurschilder was, kwam na een aflevering verontwaardigd bij zijn ouders in de winkel: Rubens schilderde zijn naaktmodel niet alleen maar hij bespróng haar ook. 'Ze hield een heel exposé over Claus, dat hij altijd het slechtste in de mens zocht, het moest altijd vunzig, altijd bloot bij die man. In een beenhouwerij, in een onooglijk provincienest, tussen de aanschaf van een sudderlap en vijf kilo saucijzen, een opstootje verwekken, een discussie losmaken, dat wekte mijn bewondering. Ik dacht: dat wil ik ook.

In mijn studietijd ontdekte ik Nederlandse schrijvers en polemisten: Multatuli, Lodewijk van Deyssel, Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij. Dat soort onruststokers waren absolute idolen.'

Kort geleden kondigde hij aan dat hij de politiek in wilde. Dat is nog wat anders dan over politiek schrijven. Meende hij het? 'Het is op dit moment het meest dwarse dat je hier in Vlaanderen kunt zeggen. Er heerst een golf van anti-politieke gevoelens, dat kán ook niet anders als je de politiek van de afgelopen twintig jaar bekijkt. Nu blijkt dat zelfs de socialisten de kluit belazerd hebben, dat ze vele miljoenen aan smeergeld hebben aanvaard, sommigen wél hebben gedaan aan persoonlijke verrijking, al tijdens de vorige verkiezingen! Natuurlijk is het naïef om te denken dat socialisten per se betere mensen zijn. Het meest voor de hand ligt om te zeggen: alle politici zijn klootzakken. Daar laat ik me soms toe verleiden, maar tegelijkertijd vind ik het laf om steeds kritiek te geven en niet op zijn minst oprecht politieke invloed te ambiëren.'

Ik leg hem een citaat voor van de Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa, die zichzelf in 1990 beschikbaar stelde als president en daar later over zei: 'Ik ben er intussen achter gekomen dat ik er niet geschikt voor ben. Ik voelde de obsederende, bijna fysieke kracht van de macht niet, en dat is absoluut noodzakelijk als je wil slagen als politicus.' Lanoye schiet in de lach: 'Ik begrijp wel waarom Llosa dat zei: hij heeft de verkiezingen niet gewonnen. Hier is niet de schrijver maar de politicus aan het woord, die een bocht vindt om zijn gezicht te redden.

Macht en kunst liggen dicht bij elkaar. Vulgair uitgedrukt: waarom zouden kunstenaars geen goede politici zijn? Kijk eens naar de politieke trucs die in de culturele wereld worden toegepast. Er wordt daar net zoveel gesjoemeld, er is daar net zoveel getouwtrek, als in de politiek. En andersom: macht en invloed, de implicaties van macht, de symbolische waarde van de machtsdrager en de mens die achter dat symbool schuilgaat: dat is toch theater, dat ís toch Shakespeare? Ik zou graag een speech willen schrijven voor het parlement, dat lijkt me fantastisch. Ik kan toch met taal iets overbrengen dat politiek van belang kan zijn! Maar wordt het gehoord in het parlement? Meer dan in een boek of column? Ik ben daar echt niet uit.'

Lanoye geeft in zijn werk zelden rechttoe rechtaan kritiek. Hij pakt het anders aan: hij vergroot iets zo uit dat het vanzelf grotesk wordt. Ook voor deze satirische strategie had hij een vroege leermeester. Op de school waar Anton van Wilderode hem de literatuur bijbracht, bestond de directie uit conservatieve priesters. Daartegenover stond een snel groeiende groep van jonge leraren met tomeloze anti-autoritaire experimenteerdrift (het zijn de jaren zestig). De leiding wist haar macht te behouden door alle leerexperimenten zo ongeremd toe te laten dat ze wel móésten mislukken; men stemde wel toe maar bood geen enkele steun. In Kartonnen dozen schrijft Lanoye: 'Het is het enige wat ik geleerd heb in dat college. Subversieve hypocrisie. Het enige wat ik bezat, de kleine generaal, was de intuïtieve zekerheid dat er behalve regelrechte rebellie nog een tweede manier moest bestaan om, verlangend naar de vrijheid, de onvrijheid te bestrijden. Deze in al haar verordeningen zo fanatiek toepassen dat zij zichzelf in de wielen reed. Totdat zij, al was het enkel maar in mijn hoofd, een lachwekkende karikatuur werd. Quod erat demonstrandum.' Hij hield absurde speeches en bedacht idiote petities en enquêtes, zoals over de onontbeerlijkheid van honderdvijftig Coca-Cola-automaten op de speelplaats, of het belang van een milieuvriendelijke fietsenstalling, die dan op tien kilometer van de school zou komen te liggen.

Deze satirische strategie komt hem van pas in zijn nieuwe commerciële bestaan. Want Lanoye is in zaken. Hij richtte de Naamloze Vennootschap Lanoye op, waarover hij kundig pocht: 'Ik heb een bedrijfsstijl laten ontwerpen, en ik heb een eigen bedrijfsruimte. Onze jaarvergadering - medeaandeelhouders zijn mijn zus die bedrijfsjuriste is en mijn vriend, hij heeft economie gestudeerd - wordt in de krant bij de officiële berichten aangekondigd. Ik heb zelfs náámkaartjes.' Zijn schrijversvriend Herman Brusselmans heeft ook een bedrijf, 'Laat mij gerust', een BVBA. 'Wij zijn groter,' zegt Lanoye losjes.

'We leven in een aandelengekke tijd, een neokapitalistische tijd, ik ben ook maar een kind van mijn eigen tijd. Als ik de grote toneel- en operahuizen van nu hoor zeggen: op ónze uitvoeringen heeft de commercie geen vat, dan denk ik: áls het al waar is, maken jullie van kunst een reservaat van heiligheid. De maatschappij is verrot, maar kunst verheft? Als je eerlijk bent, héb je als kunstenaar een commercieel belang.

Mijn NV functioneert als een Factory, naar het voorbeeld van Andy Warhol, maar tegelijkertijd is het een parodie. Op de aandelen van de NV wilde ik een portretfoto waarop ik met een hoge kuif en allerlei brillen op, scheel kijk. De handelscommissie weigerde eerst zoiets te accepteren, ze dacht dat ze in de zeik werd genomen.

Mijn grootvader zat in de handel, een legendarische beursspeculant met een groot talent om de verkeerde aandelen te kopen: van een Russische fabriek vlak voor de revolutie, van een fabriek in Katanga vlak voordat er onlusten uitbraken. Ik zag die aandelen als kind in een koffer onder een bed, prachtige papieren waren het, echt kunstwerkjes. Dat wilde ik óók. De aandelen van nu zijn spuuglelijk. Er bestaat geen creativiteit in het zakenleven. Mijn bedrijf moet een soort kunstwerk zijn, het moet op alle fronten kloppen: het literaire bedrijf, letterlijk.

Op mijn manier pleeg ik ook verzet tegen het middenstandsmilieu waaruit ik kom, tegen de kleinburgerlijke geest die er heerste. Het is géén verzet tegen mijn ouders. Bij ons thuis bestond een niet te onderschatten belangstelling voor kunst, vooral ook voor taal. Lezen werd beschouwd als mensverheffend, dat moedigden mijn ouders aan, zolang ze zelf maar niet hoefden te lezen, daar hadden ze gewoon geen tijd voor. Ik heb geprofiteerd van een van de grootste populariseringsprojecten voor literatuur in Vlaanderen. Mijn ouders hadden zich door een deurverkoper de Feniks-reeks laten aansmeren, met veel Nobelprijswinnaars in vertaling, die boeken stonden ongelezen bij ons in de kast. Ik las de hele rij: Tsjechov, Dostojevski, Couperus, Van Schendel. Mijn ouders hadden wel een geheime boekenkast. Als ze een avondje weggingen, wisten de kinderen de sleutel wel te liggen.'

De tijd die zijn moeder overhad na haar werk stak ze in amateurtoneel. Tijdens het strijken oefende zij haar rol en Lanoye nam alle andere personages voor zijn rekening: voorstellingen voor twee acteurs en geen publiek. 'Het was vreemd als ze dan uiteindelijk op het toneel stond; ik hoorde allerlei teksten die vertrouwd klonken maar die ik beter had vertolkt. Mijn moeder nam me ook mee naar het landjuweel, de jaarlijkse wedstrijd voor amateurtoneel. Behalve als Hugo Claus werd gespeeld, dan deed ze nogal moeilijk, ze vond hem pretentieus.'

Er was meer theater bij Lanoye thuis. Er heerste een Zuid-Italiaanse mentaliteit, iedereen kwebbelde door elkaar. 'Het enige land waarmee je België kunt vergelijken, ís Italië; ik zie meer overeenkomsten: de staatsschuld en de schandalen, de verzuiling, het schemergebied van de moraal waar íédereen zich in bevindt. Wat er bij ons in de buurt rondliep aan horrelvoeten, bochelaars, geestelijk gehandicapten, ik zit vól Fellini-achtige beelden. Nog niet eens de helft van de buurtverhalen heb ik te boek gesteld.'

Interview

Harm Ede Botje / Sander Donkers

Marjan Minnesma: ‘Het klimaat! De rest is geneuzel’

Voor een echte ommekeer qua duurzaamheid is meer dan een like nodig

Interview

Frank Renout

‘De racisten? Dat zijn de anderen’

Schrijfster Rokhaya Diallo hekelt het alledaagse racisme en drukt precies op de plek waar het pijn doet

Interview

Carolina Lo Galbo

Psychiater-filosoof Damiaan Denys

Psychiater-filosoof Damiaan Denys ontleedt de bange burger

Interview

Leon Verdonschot

De mannen die Obama maakten

Jon Favreau en Mitch Stewart: De mannen achter Obama

Interview

Gerard Janssen

Wereldverbeteraar Luis von Ahn en de revolutie van het nieuwe leren

Wereldverbeteraar Luis von Ahn en de revolutie van het nieuwe leren

Interview

Kelli van der Waals

Teun van de Keuken: ‘Vertrouw niks en ga zelf koken’

Teun van de Keuken over puur en eerlijk eten. 'Dat keurmerk is een leugen'

Famke Janssen: 'Lef en durf zitten heel erg in mij'

Leonard Ornstein

Zelfportret van Arnon Grunberg

Rudie Kagie

Dit is goed! Ik ontvang graag wekelijks verhalen in mijn inbox

E-mailadres *
Ja, ik wil graag de VN Nieuwsbrief ontvangen

Neem nu een
abonnement
Jaar
Half jaar
Kwartaal
Proef
Papier en digitaal
Alleen digitaal