Recensie 12.04.2008

Door Stephan Sanders

Rushdie schrijft in zijn nieuwe boek vanuit een wij-blazende verteller. Maar: ‘wij van Sanders’ willen de ik van Rushdie!

Rushdie’s nieuwe roman The enchantress of Florence is een briljante, fascinerende en kleurrijke beschrijving van een ontmoeting tussen Oost en West. In zijn boek onderzoekt Rushdie met verve de parallellen tussen het Indiase rijk van grootmogol Akbar en het vroeg zestiende-eeuwse Florence van de Renaissance. In die tijd, op die verschillende plekken, bloeit gelijktijdig een beschaving waar de verbeeldingskracht aan de macht is en de zekerheden van het geloof hardop worden betwijfeld. Het werkelijke en de fantasie zijn nog niet ondergebracht in aparte domeinen, de fabel en de geschiedenis raken elkaar. In deze fabuleuze roman laat Rushdie zien hoe letterlijk we de macht van de verbeeldingskracht moeten nemen – zo letterlijk dat Mogolkeizers kunnen trouwen met niet bestaande vrouwen om vervolgens te vallen voor een Verborgen Prinses, wier schoonheid voor eeuwig verborgen blijft achter een sluier van magie en wishful thinking.

Ja, was het maar waar.

Ik vertel geen pertinente leugens in bovenstaande zinnen, je zou Rushdie’s roman zo kunnen samenvatten, en waarschijnlijk komen beginnende literatuurstudenten er nog mee weg ook, maar ik heb één ding niet vermeld. De ontiegelijke verveling die me overviel tijdens het lezen van Rushdie’s nieuwsteling. Kan onvoorspelbaarheid zich tegen zichzelf keren en opnieuw leiden tot voorspelbaarheid? Ja, dit boek bewijst het. Alles wat je van Rushdie mag verwachten komt aan bod, de hoofdpersonen wisselen van namen zoals andere mensen minnaars verslijten of sokken, er komen onwaarschijnlijke figuren in voor, zoals albino reuzen (vier maar liefst) en oude, broodmagere hoeren die jongemannen in de bloei van hun seksuele leven kunnen geven wat geen maagd vermag. Rushdie’s fantasie lijkt wel onbegrensd, de taal tovert de ene kleurrijke wereld na de andere tevoorschijn, en met een pennenstreek verdampt dat geheel ook weer in het niets. Het is knap, het is virtuoos, het is overmoedig, en historisch ook nog hoogst aanvechtbaar – maar ook dat is nu weer zo’n kenmerk van Salman Rushdie, want hij is de man die zichzelf al vroeg in zijn carrière de opdracht heeft gegeven de macht van politici en wetenschappers te meten met de kracht van verhalenvertellers.

Misschien, dacht ik terwijl ik aan het lezen was, misschien hou ik wel helemaal niet van verhalen.

Bijna onnavolgbaar
Maar in de praktijk ploeter ik me dus door zo’n boek heen, en raak geïrriteerd door weer zo’n fascinerend beschreven onwaarschijnlijkheid, die wat mij betreft toch vooral de kunstigheid van Rushdie illustreert en niet de kracht van het verhaal.

Rushdie heeft last van fantasie. Die helpt hem niet maar staat hem in de weg.

Het is een diagnose die ik niet graag stel, omdat Rushdie’s eerste romans als Midnight’s Children en Shame wel degelijk tot mijn favorieten behoren. Ook daar de vermenging van wat er is gebeurd en wat had kunnen gebeuren. En ook daar historische verwijzingen waarmee Rushdie losjes aan de haal gaat. Ik vond dat overweldigend, bijna onnavolgbaar (maar dat vond ik toen een aanbeveling.) Achteraf gezien hebben De Duivelsverzen het keerpunt betekend. Die roman raakte zo gepolitiseerd dat het nodig was het werk as such te verdedigen, en anders wel de schrijver, die bedreigd werd met de dood. Maar na herlezing, toen de giftigste dampen van De Affaire waren opgetrokken en de schrijver nog in leven was, moest ik toegeven: niet het soort boek waar ik van houd, te geconstrueerd, te opzichtig in zijn literaire acrobatiek.

Drie jaar geleden besprak ik op deze plaats Rushdie’s roman Shalimar de clown. Ook daarin trad weer die bonte stoet van mensen op, alsof een Russisch circus in één keer zijn deuren had opengegooid. Ook daarin die vermenging van werelden, het negentiende-eeuwse Kashmir met het twintigste-eeuwse Los Angeles. Ik schreef toen: ‘Rushdie is een goochelaar die alles en iedereen te voorschijn kan toveren, behalve zichzelf.’

Mijn bezwaren tegen dat boek heeft Rushdie in The Enchantress of Florence met gemak weten te verdubbelen. Nog dieper heeft de schrijver zich teruggetrokken in de tijd (de vroege zestiende eeuw), nog wilder zijn de speculaties en de historische vergelijkingen, maar weer vangen we van de auteur geen glimp op. Dat is des te vervelender omdat die zich presenteert als een dwingende, alwetende verteller, wiens luimen wij geacht worden te volgen.

Waanzinnige kunstjes
Er is eigenlijk maar één persoon die weet te overtuigen in deze roman, en dat is de grootmogol Akbar de Grote, die dus eigenlijk ‘De Grote de Grote’ heet, want ‘Akbar’ betekent al groot genoeg. Deze almachtige heerser, die er een harem van concubines op nahoudt maar getrouwd is met een vrouw die volledig aan zijn verbeeldingskracht is ontsproten (koningin Jodha), krijgt een ontroerende en veelzeggende passage toebedeeld. De keizer kan niet over zichzelf nadenken in termen van de eerste persoon enkelvoud. Hij kan geen ‘ik’ zeggen, maar spreekt over ‘wij’. ‘Wij hebben U gemist’ zegt hij tegen zijn fantoomachtige vrouw, als hij weerom keert na een veldslag. ‘Wij willen U beminnen.’ Het is de pluralis majestatis waarin koningen en keizers zich plegen uit te drukken. Het tekent hun vertegenwoordigende functie, maar ook hun eenzaamheid.

En dan probeert de grootmogol heel voorzichtig, en uitsluitend voor zichzelf de ‘ík-vorm’ uit. ‘Hier ben ik. Ik hou van je. Kom bij me.’ Het ‘ik’ haalt ook een ‘jij’ aan, zoals het Wij een ‘U’ veronderstelt: het ‘Ik’ betekent kortom een radicale vorm van intimiteit, waaraan de grootmogol zich nooit heeft bezondigd. Maar zijn krabbelende pogingen tot individualisering worden door zijn vrouw niet eens opgemerkt, de grootmogol schakelt teleurgesteld weer over op het Wij, en de orde blijft net zo afstandelijk als ie was.

Dit zijn de drie pagina’s van het boek die ik in mijn hart heb gesloten.

Natuurlijk heeft de alwetende verteller die Rushdie is een vergelijkbaar scherm van onaantastbaarheid opgetrokken. En de weigering van Rushdie om in dit verhaal ook maar de meest rudimentaire vorm van psychologie toe te passen, is zowel heldhaftig als onverdraaglijk. Het lijkt wel alsof Rushdie besloten heeft zijn publieke ‘ik’, dat door de naar hem genoemde affaire tot ontzagwekkende proporties is uitgedijd, voorgoed af te grendelen van zijn eigen persoon, zodat er een Wij-blazende Verhalenverteller overblijft, die ons wil verleiden met de meest waanzinnige kunstjes.

Maar Wij van Sanders willen de Ik van Rushdie, in welke vorm dan ook. Uiteraard mag dat ‘ik’ vermomd zijn als karakter, als zo’n karakter maar de tijd krijgt om te groeien en ons en mij te raken. Die tijd, die aandacht wordt hen in dit boek meestentijds onthouden, zodat er een freakshow overblijft, waarbij wij lezers ‘oh’ en ‘ah’ moeten roepen, zonder dat ons de mogelijkheid wordt gegeven om iets of iemand te ‘bejahen’.

Speculatie mijnerzijds van het meest verderfelijke, psychologische soort. Zou het zo kunnen zijn, dat Rushdie na die schandaleuze fatwa en de daarop volgende ‘ophokplicht’ van zijn leven te weinig meemaakt van de echte, prozaïsche wereld, zodat hij wel zijn toevlucht moeten nemen tot een ver, mysterieus verleden, waar de mensen en de dingen nog betoverd zijn?

Heeft zijn celebrity-achtige status hem voorgoed tot een Wij gemaakt, een merk, een affaire, een geval? Maar als dat zo is, waarom moet de wereld dan toegesproken worden alsof Rushdie voorleest uit een sprookjesboek waarin speciaal voor zijn volwassen lezers de nodige dubbelzinnigheden en theoretische exercities zijn verwerkt, alsof wij zouden twijfelen aan zijn eruditie?

Ik zou zo graag de enkelvoudige Rushdie horen, maar ik lees een auteur die net als zijn personage de Grootmogol kiest voor de ‘kleurrijke’ vlucht naar voren, weg van het ik, op naar het wij. V

Salman Rushdie, ‘The Enchantress of Florence’, Jonathan Cape, 359 pagina’s; ‘De verleidster van Florence’, uit het Engels vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, Uitgeverij Contact, 384 pagina’s, € 24,95

 

The Literary Saloon