boekenweek 09.03.2010

Door Carel Peeters

Afbeelding bij 'The Mystery of Lewis Carroll' - Jenny Woolf

De casanova van de kinderkamer

Het wonderbaarlijke aan Lewis Carroll (1832-1898) is dat je maar in zijn leven hoeft te prikken of er duikt een hele wereld uit op. Hij was leraar wiskunde en logica en schreef er verschillende boeken over. Hij was een van de pioniers van de fotografie. Hij was een halve geestelijke die goed bekend was met de Vic­toriaanse zeden en gewoonten, maar die graag naar zijn hand zette. Hij ging minstens twee keer in de week naar het theater in Londen en kende gerenommeerde actrices persoonlijk.

Hij schreef intensief poëzie. Hij tekende, hield van schilderkunst en was bevriend met schilders en tekenaars. Hij had een grote familie (zeven zusters en drie broers) waarmee hij nauw contact onderhield. Hij schreef duizenden brieven en hield een dagboek bij dat uit dertien delen bestond en waarvan er negen zijn overgeleverd (en uitgegeven). En dan zijn er de werelden van zijn vrienden en vriendinnen, en van de 108 kleine meisjes die hij door de jaren heen mee uit nam, vermaakte en fotografeerde. Zijn vakanties in Eastbourne of op het Isle of Wight (meestal in het gezelschap van een van zijn vriendinnetjes) waren ook een wereld op zich. Hij was de schrijver van Alice in Wonderland, maar wilde niet graag als zodanig bekendstaan.

Aan deze werelden is te zien dat Car­roll een bizar veelzijdige belangstelling had. Dat wordt nog eens bevestigd door zijn bibliotheek, waarvan we de inhoud kennen door de catalogus die ervan werd gemaakt voor de veiling na zijn dood. Er wordt nog steeds gedacht dat Lewis Carroll een rimpelloos leven heeft geleid en een ‘karikatuur van Victoriaanse deugdzaamheid’ was. In haar nieuwe boek over Carroll breekt Jenny Woolf met de gewoonte om vooral lustig te speculeren over het leven van Carroll.

Ze wil zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid komen, en slaagt daar ook in. Volgens Jenny Woolf groeide Carroll op latere leeftijd in zijn deugdzame rol, maar poseerde hij tientallen jaren nadrukkelijk als een brave Vic­to­ri­aan­se geestelijke. Ook al overschreed hij nooit echt grenzen, zijn publieke deugdzaamheid stelde hem in staat om privé zeer soepel met de rigide zeden en gewoonten van zijn tijd om te gaan, overeenkomstig zijn eigen geweten. Daar­door kon hij als vrijgezel en geestelijke ongedwongen vriendschappen onderhouden met kleine meisjes, maar ook met volwassen vrouwen, wat hem later de bijnaam The Casa­no­va of the Victorian nursery opleverde. Ook al werd erover gepraat, hij wist dat hij niets verkeerds deed. En, schreef hij in een brief: ‘If you limit your actions in life to things that nobody can possibly find fault with, you will not do much.’

Al die verschillende, soms tegenstrijdige werelden zijn nodig om het raadsel Lewis Carroll recht te doen. En er duiken steeds weer andere sleutels tot zijn leven en werk op. Tijdens het onderzoek voor haar biografie stuitte Jenny Woolf op iets dat honderdvijftig jaar in de kluizen van een bank in Oxford had gelegen, maar voor het inzicht in persoon en karakter onthullende feiten bevatte: de gedetailleerde boekhouding van de inkomsten en uitgaven van de rekening die de Reverend Charles Lutwidge Dodgson (Carrolls echte naam) van 1856 tot zijn dood in 1898 had bij de Oxford Old Bank.
Het meest verrassende is wel dat Carroll door de jaren heen vaak, heel vaak, rood stond omdat hij aan een waslijst van liefdadige instellingen geld liet overmaken. Woolf stelde een lijst samen van zo’n dertig instellingen die regelmatig geld ontvingen. Dat waren opvanghuizen voor vrouwen en kinderen (The Society for the Protection of Women and Children, Society for the Rescue of Young Women and Children), voor depressieven (The House of Charity for Distressed Persons), maar ook ziekenhuizen, gevangenissen, huizen voor invaliden, het dierenasiel en de vereniging ter bevordering van het plaatsen van publieke fonteinen voor mensen en dieren.

Er zijn jaren dat de bedragen van Carrolls rekening uitsluitend in het rood zijn geschreven. Geld had kennelijk niet veel betekenis voor hem, maar hij was niet onnozel. In zijn correspondentie met zijn uitgever Mac­millan stelt hij zijn eisen en men doet meestal wat hij wil. Hij was er niet op uit om groots van zijn beroemdheid te profiteren toen de Alice-boeken goed gingen verkopen (‘Carroll hardly cashed in financially on his fame at all’). Hij gaf het geld makkelijk weg en dacht niet erg aan zijn eigen financiële zieleheil. Zijn goedhartigheid, schrijft Woolf, had desondanks ‘a steely edge of realism’. Na de dood van zijn vader in 1868 werd Carroll hoofd van de familie. Er waren zes ongetrouwde zusters voor wie hij de financiën regelde. Er waren regelmatig vrienden en kennissen die een beroep op hem deden.

Het prachtige mysterie ‘Le­wis Car­roll’ is een tegenstrijdige combinatie van conservatisme en originaliteit, van eigenzinnigheid en moralisme, van roekeloosheid en bedachtzaamheid. Le­wis Car­roll is een orkest waarvan de musici niet naar elkaar willen luisteren. Je verwacht niet anders van iemand die boeken als English Ec­cen­trics and Eccentricities, Childish­ness and Brutality en Limits of Religious Thought in zijn boekenkast had staan.

Jenny Woolf, The Mystery of Lewis Carroll, Haus Books, 320 p., € 27,15

[reageren]

The Literary Saloon