08.07.2009

Door Carel Peeters

Afbeelding bij Michaël Zeeman (1958-2009)

Michaël Zeeman was een even beheerste als wervelende aanwezigheid in de Nederlandse literatuur. Sweeping statements over de falende cultuur wisselde hij af met essays, reisreportages en kritieken over alle belangrijke schrijvers. Hij werd gevreesd en gekoesterd, maar hij werd gelezen.

De glorie van een zeemansleven

Het staat er tamelijk terloops aan het eind van de eerste pagina van Michaël Zeemans essay God zij met ons, maar het kan beter niet over het hoofd gezien worden als het er om gaat een enigszins scherp beeld te krijgen van Zeeman de lezer, criticus, polemist, essayist, Europeaan, wereldburger en liefhebber-in-alle-opzichten. In dit essay over de herleving van het geloof aan het eind van de twintigste eeuw en de opspelende residuen van zijn eigen geloof in het bijzonder, vertelt Zeeman dat hij in het domineesmilieu waarin hij opgroeide altijd werd afgehouden van ‘ongeveer alles wat er een beetje interessant uitzag’. Dat was ‘een kwelling voor mijn nieuwsgierigheid, mijn weetgierigheid en mijn toch al beperkt ontwikkelde vermogen me veilig te voelen’.

 

Foto: Wouter Vandenbrink@par31
Foto: Wouter Vandenbrink@par31

Je zou niet denken dat een zelfbewust en scherpgebekt iemand als Michaël Zeeman ooit veel last heeft gehad van existentiële onzekerheid. Oppervlakkig bezien stond ‘Michaël Zeeman’ gelijk aan zelfverzekerde, maar opgewekte arrogantie (‘Niemand zal mij verdenken van valse bescheidenheid’). Mocht er al van twijfels sprake zijn, dan hield hij die voor zichzelf of zocht hij er een uitweg voor in zijn poëzie. Zeeman heeft dan ook ruim te maken gehad met mediale karaktervertekening, waardoor de subtiliteiten in zijn persoon en werk nagenoeg aan het oog werden onttrokken. Als publieke persoon werd hij voor een kunstpaus gehouden die op de televisie en in de krant de guillotine van zijn oordeel liet vallen. En iemand die voortdurend verwikkeld was in literaire ruzies en vetes, of te doen had met perikelen rond zijn persoonlijk leven en de vraag hoe hij op jeugdige leeftijd al aan zo’n prachtige bibliotheek kwam. Op den duur ging hij zelf een spelletje met zijn biografie spelen.

Zijn beperkt ontwikkelde vermogen om zich veilig te voelen weerhield hem er niet van om al vroeg te zorgen dat hij die onveiligheid de baas werd. Hij nam al jong afscheid van het ouderlijke domineesland en gaf meteen zijn omnivoren weetgierigheid de vrije teugel. Al ras ontwikkelde hij de intellectuele houding die hij zijn hele leven zou cultiveren: alles te willen weten om greep op jezelf en de wereld te krijgen.

Authentiek toneelspelen
Door de bijbelkennis die hij had meegekregen, wist hij maar al te goed dat vermeerdering van kennis volgens de oudtestamentische Prediker vermeerdering van smart betekende. Daar moest hij niets van hebben, hoeveel literaire waarde hij ook aan de Bijbel (alleen de Statenvertaling) is blijven hechten. Vermeerdering van kennis betekende voor hem juist ‘vergroting van inzicht, van zelfbewustzijn’. Het was ook een patente remedie tegen het gevoel van onveiligheid. Door kennis en zelfkennis bezorgde hij zichzelf een harnas. Blijkens het motto van de Engelse dichter W.H. Auden voor zijn verhalenbundel De verduistering probeerde hij alles een enigszins theatraal aanzien te geven: ‘So I wish you first a / Sense of theater; only / Those who love illusion /
And know it will go far.’ Zeeman kon authentiek toneelspelen, vooral als hij zijn sweeping
statements afschoot of weer eens iets met aplomb beweerde.

De consequentie was dat Michaël Zeeman nooit iets heeft moeten hebben van zwartgalligheid, morose pessimisme of het koketteren met zinloosheid. Hij was doorgaans een en al prikkelende energie. Ook al wist hij maar al te goed wat daar tegen pleitte (hij kende zijn Schopenhauer, Cioran en de ondergangsprofetieën van George Steiner), hij weigerde er aan toe te geven. Zo wilde hij de wereld niet zien. Zeeman was, al zijn vrolijk-belerende schimpscheuten op literaire en culturele wanprestaties ten spijt, een groot en genereus genieter. Hij wilde ten volle profiteren van alles wat de menselijke geest in zijn optimale staat wist voort te brengen.

Ook al had Zeeman alles met boeken, hij was geen boekenfetisjist. ‘Lezen en leven, dat scheelt maar een letter,’ zei hij. Het ging hem om wat erin stond en het gehalte aan schoonheid dat hij aantrof. Schoonheid, dat was voor hem de zenit van stijl, geslaagde creativiteit en inventiviteit. De waarde die hij aan literatuur hechtte, is moeilijk te overschatten. Die schatte hij hoger in dan de filosofie, omdat de ‘zeggingskracht en evocatieve mogelijkheden’ van de literatuur zo veel groter zijn. ‘Een betere graadmeter voor wat zich in de cultuur voltrekt dan de literatuur ken ik niet,’ zei hij. Alles waar het leven over gaat, is daarin te vinden, en geraffineerd verwoord. Hij ontleende er natuurlijk kennis en inzicht aan, maar de literatuur was er vooral om alles te beschrijven wat zich ‘aan de gangbare verklaringsstrategieën’ onttrok: ‘de angst en de twijfel, de wanhoop en de eenzaamheid, de vrees en de liefde, de hartstocht en de vreugde.’ Hij beschouwde het als ‘een ongelooflijke troost’ dat er schrijvers zijn die dit op een superieure manier onder woorden konden brengen.

Zeeman was niet alleen vertrouwd met het oeuvre van menige dode schrijver, hij kende het werk van alle belangrijke hedendaagse schrijvers en leerde ze vaak na ze geïnterviewd te hebben persoonlijk kennen: György Konrád, Orhan Pamuk, Philip Roth, Robert Menasse, Ismael Kadare, Jaan Kross, V.S. Naipaul, Ingo Schulze, Esther Freud, Julian Barnes. Het soort schrijvers dat hem beviel, zorgde voor de noodzakelijke achterkant van ‘het door clichés beheerste heden’: Roth die Amerika spiegels voorhoudt, Konrad die in zijn autobiografie wegkruipt onder het monument dat van hem is gemaakt, Menasse als de vinnigste en geestigste ontmaskeraar van hypocrisie en schone schijn, Pamuk die een Turkse cultuur trotseert, Schulze die het voormalige Oost-Duitsland fileert, Naipaul voor wie de literatuur een trivialiteit blijft ‘wanneer de noodzaak niet van de bladzijden dampt’.

Nepstudies
Zeeman had sinds zijn zeventiende geen contact meer met zijn ouders, maar hij wilde best weten dat hij een domineeszoon was. Daar kwam zijn ernst vandaan, zei hij. De titel van een van de boeken die hij op stapel had staan, Gedoemd tot ironie, zegt het al: Zeeman had weinig op met de ironisering en relativering van alles wat echt belangrijk is – daardoor waren het volgens hem de buitenlanders die de belangrijkste boeken over Nederland hebben geschreven (Jonathan Israel, Simon Schama en Lisa Jardin), hoeven scholieren geen degelijke boekenlijsten meer te lezen, schrijven Nederlandse filosofen alleen maar voetnoten bij Heidegger of Wittgenstein, en is ‘intellectualisme hier een vloek’.

Een paar dagen na de aanslag op de Twin Towers schreef hij in de Volkskrant dat er een einde was gekomen aan het lamme relativisme: ‘er is gewelddadig een correctie toegebracht aan de sfeer dat er niets op het spel zou staan zolang het maar goed gaat met het postmodernisme en het neoliberalisme.’ Hij ergerde zich mateloos aan de opkomst van nepstudies die zich buigen over de triviaalste verschijnselen in de samenleving. In het boek over opstellen over televisie dat hij met Maarten Doorman samenstelde, Het scherm der verbeelding, namen ze geen bijdragen op van auteurs van studierichtingen die door hen niet serieus genomen konden worden: er kwamen geen ‘communicatiewetenschappelijke verkenningen, semiotische vertogen en poststructuralistische verhandelingen over populaire cultuur’ in, laat staan bijdragen uit de sfeer van Culturele Studies.

Zijn wekelijkse recensie in de Volkskrant van een boek van een buitenlandse schrijver wisselde Zeeman af met essays, lezingen en columns waarin hij zich steeds meer tot een opgewekt en sarcastisch criticus van alles ontpopte. Een van de spraakmakendste bijdragen was zijn dankwoord bij de toekenning van de Gouden Ganzenveer in 2002. Dat was een filippica tegen het gebrek aan innerlijke overtuiging van de culturele en politieke elite, ook al erkende die zichzelf niet: ‘Geen samenleving zal het ooit zonder elites kunnen stellen en wie dat uit schaamte of twijfel probeert te verheimelijken, richt een ravage aan.’ Het gebrek aan innerlijke overtuiging bij de culturele en politieke elite heeft een ‘beklemmend vacuüm’ gecreëerd, waar de populisten volgens Zeeman in zijn gesprongen. Met het gevolg dat de culturele criteria nu langs de meetlat van het populisme worden gehouden, en niet afkomstig zijn van de creatiefste en interessantste geesten.

Nieuwe ethiek
Zodra iemand een erudiet wordt genoemd wordt hij van een mens een wandelende boekenkast. Ook al was Zeeman onmiskenbaar een erudiet, het was bij hem geen slapende kennis. Alles wat hij las, maakte hij productief. In de discussie over de wenselijkheid van een multiculturele samenleving nam hij een ongewoon standpunt in. Als een verklaard tegenstander van cultuurrelativisme pleitte hij niettemin voor een ‘nieuwe ethiek’ voor de verhouding tussen moderniteit en religie. Zeeman verplaatste zich in de mensen die zich gekwetst voelden door de Deense spotprenten en vroeg zich af: stel je voor dat ze zich echt gekwetst voelen, zoals een oude sociaal-democraat zich gekwetst voelt wanneer het gelijkheidsbeginsel ter discussie wordt gesteld.

Geen slechte vergelijking, en een die als doel heeft dat men zich verplaatst in elkaars gevoeligheden. Volgens Zeeman heeft migratie in Europa tot gevolg dat men rekening met elkaar moet gaan houden, en niet meer alles vanzelfsprekend moet doen zoals men het altijd gedaan heeft – een standpunt dat lijnrecht inging tegen dat van Theo van Gogh, Leon de Winter en Afshin Ellian. ‘Zelfbeheersing’, en niet het onderste uit de kan van de vrije meningsuiting willen halen, ‘kan moedig zijn’.

Zeemans pleidooi voor ‘een nieuwe ethiek’ ten behoeve van een pluriforme samenleving was een uitvloeisel van zijn kosmopolitische en pro-Europese instelling. Grenzen waren voor hem culturele grenzen. Culturen hadden diepe geschiedenissen en tegelijk moesten ze altijd poreus zijn, doorlaatbaar voor nieuwe invloeden. Europa was in de beeldvorming vooral een economische gemeenschap, maar in de kern veel meer een culturele alliantie: ‘Natuurlijk, eerst komt das Fressen en dan de moraal, maar welk eten lekker is, wordt bepaald door weer een heel andere moraal.’ De prosciutto is weliswaar eten, handelswaar, ‘maar de wijze waarop die wordt bereid en de waardering ervoor is een uitgesproken culturele aangelegenheid.’ Om de dominantie van het economische denken te doorbreken, wilde Zeeman dat er tijdens de halfjaarlijkse Eurotop van regeringsleiders ook steeds een ‘intellectueel en cultureel concilie’ werd gehouden.

Alle uiterlijke zelfverzekerdheid ten spijt, er heerste in Zeeman een subtiel evenwicht tussen bravoure en bescheidenheid. Boude beweringen (‘Leergierigheid is een suspecte houding in het Nederlandse onderwijs’) wisselde hij af met duperronesk zelfonderzoek: de onverschrokken manier waarmee hij over eigen twijfels schreef. Dat deed hij in het essay over de opleving van de religie, God zij met ons. Dat confronteerde hem met wat er nog in hem over was van zijn protestantse opvoeding in een domineesgezin. Het blijkt hem dat het hem tegen de borst stuit wanneer iemand iets lomps of gemakzuchtigs over kerkgangers of dominees beweert: ‘Er huist ongewild een zeker engagement met de godsdienstigheid onder mijn kritische zelfbewustzijn.’ Dat bevalt hem maar matig, zoals hem ook de algemene opleving van religiositeit niet bevalt, maar wel aan het denken zet, helemaal wanneer dat ook nog ‘spiritualiteit’ wordt genoemd.

De manier waarop de schrijfsters Vonne van der Meer en Désanne van Brederode hun leven laten beheersen door hun geloof, vindt hij een capitulatie van hun onafhankelijkheid. Het vrome gezwets in de columns van Marjoleine de Vos is ‘een uitstekende barometer voor wat er leeft in de kring van trendgevoelige twijfelaars en kokette zoekers’. Maar het ‘comfortabele atheïsme’ van Herman Philipse spreekt hem evenmin aan. En dat Rudy Kousbroek (‘die grote inspirator vanaf mijn middelbare schooltijd’) zich tegen de nieuwe bigotterie keerde, beviel hem wel, maar dat hij er ook een kruistocht tegen moest beginnen weer veel minder. God zij met ons is een mooi zwalkend en vertwijfeld essay van iemand die geconfronteerd wordt met zijn onvermogen om hard tekeer te gaan tegen de nieuwe godsdienstigheid. Hij erkent dat er een ‘metafysisch tekort’ is, maar hij vindt dat er te makkelijk aan wordt toegegeven. Het wordt te veel beschouwd als een verlossing van alle zielsproblemen. Tegen het bestaan van ‘de ziel’ heeft Zeeman helemaal geen bezwaar. Het was het tekort van de rationele Verlichting dat daar te achteloos over werd gedaan. De ziel, dat is de bron van alles, en gelukkig maar dat die nog niet te verklaren is aan de hand ‘van secreties, synapsen, chemische, biochemische, biologische en elektronische processen’.

Het redden van de ziel waar Zeeman niet voor terugschrok, herinnert eraan dat hij ook dichter was, en dus vertrouwd met de vertaling van intuïties, ingevingen, gedachtenconflicten en vermoedens. Er zat in alles wat Zeeman heeft geschreven een lyrisch element, al was het maar in de associatieve manier waarop hij te werk ging, gedachten rijgend, zoekend naar het juiste woord, verlekkerd formulerend. Het zit ook in zijn energie en enthousiasme, de manier waarop hij ‘zo schitterend’ kan schrijven (over de verhalen van Tsjechov), of ‘verrukkelijk’ (over een boek van Julian Barnes). Zeeman wilde tijdens het lezen ‘uit het heden getild worden’. Hij was afwisselend de globetrotter Marco Polo die behoefte heeft ‘deel te nemen aan wat daarbuiten gebeurt’ en de kluizenaar Robinson Crusoe met zijn ‘verlangen naar een rustig hoekje om te schrijven’. ‘Het schrijversleven is een zeemansleven,’ schreef hij, ‘aan de wal klinkt de lokkende stem van zee, buitengaats schrijnt het verlangen naar de haven.’ Daar wachtte een gastvrije bibliotheek van veertigduizend boeken.

The Literary Saloon