Profiel 01.11.2008
De sinoloog, essayist en politiek commentator Ian Buruma krijgt op 7 november de vijftigste Erasmusprijs voor zijn boeken en beschouwingen over Japan, China, Duitsland, kunst, literatuur en de interactie tussen culturen. Reden voor een ‘ideografie’, een portret van zijn ideeën.
Hij heeft altijd een goede hand gehad in het typeren van mensen, groepen of maatschappelijke verschijnselen. Wanneer Ian Buruma bijvoorbeeld schrijft dat neoconservatieven in Amerika denken dat liberalisme iets voor mietjes is, dan duikt vanzelf de hele wereld van vrijemarktabsolutisme, geloofsovertuigingen, militaire uniformen en koude oorlogstaal op. Het is de wereld van hard tegen hard. In vergelijking met deze vertegenwoordigers van de Harde Hand is een liberaal inderdaad een doetje dat wil nuanceren, discussiëren en afwegen. En dan heb je ook al gauw te maken met intellectuelen, een soort die neoconservatieven liever zien gaan dan komen omdat ze de daadkracht frustreren met hun oeverloze deliberaties.
Als personificatie van een neoconservatief van deze snit beschouwt Buruma Norman Podhoretz, de Amerikaan die zich in de jaren zestig van liberal tot neoconservatief transformeerde en het tijdschrift Commentary oprichtte. Sindsdien is dit het orgaan van conservatieven die nog wel eens willen nadenken, zoals Gertrude Himmelfarb, Irving Kristol en Robert Kagan. In Het circus van Max Beckmann en andere essays heeft Buruma het over Podhoretz en zijn 'buitengewoon onthullende' jeugdherinneringen. Podhoretz bekent daarin jaloers te zijn geweest op (vooral zwarte) jongens die aan alles en iedereen schijt hadden: 'Ze waren stoer, prachtig, jaloersmakend stoer, ze gaven geen barst om wie of wat dan ook.' Voor Buruma is het onthullende dat Podhoretz later zo duidelijk genoegdoening zocht voor deze vernederende jaloezie. Door hem gesteunde krachtige conservatieve leiders als Richard Nixon, Ronald Reagan, Ariel Sharon en George W. Bush stelden de intellectueel Podhoretz in staat zich ook 'prachtig, jaloersmakend stoer' te voelen. Dat waren leiders die er niet omheen draaiden en de confrontatie aangingen.
Geen mietje
Een liberal of liberaal in de breedste zin heeft Buruma zichzelf natuurlijk nooit rechtstreeks genoemd, maar daarmee is zijn politieke en culturele mentaliteit wel min of meer samen te vatten. En in die hoedanigheid wil hij niet voor een mietje aangezien worden. Ook al zoekt hij meestal de nuance, de finesse, de veelzijdigheid en iets wat zo dicht mogelijk tegen de waarheid aanzit, hij deinst er allerminst voor terug om polemisch te zijn en harde oordelen te vellen. Progressieven en conservatieven, cultuurrelativisten en fundamentalisten, of ze nu Podhoretz, Gore Vidal, Tariq Ali, Harold Pinter of Noam Chomsky heten, ze worden niet gespaard. De neoconservatieve spierballenintellectuelen en hun politieke geestverwanten in en rond de regering Bush denken dat je met slappe knieën zit en een antisemiet bent als je kritiek op Israël hebt. Buruma wil kunnen zeggen dat het voor Israël een twijfelachtig voordeel is dat het zo stevig omarmd wordt door Amerika. Daardoor is het land tot brandpunt van de mondiale vijandigheid geworden: waar Israël is, daar is ook de vaak gehate hegemonie van Amerika. En je bent niet meteen een anti-Amerikaan als je iets ten nadele van Amerika te berde brengt. Hetzelfde geldt voor kritiek op het kapitalisme en de globalisering: die is heel goed mogelijk zonder dat je meteen beticht moet worden van het aanzetten tot zelfmoordaanvallen.
Vanaf zijn eerste boek in 1980 (The Japanese Tattoo) schrijft Buruma zijn artikelen, essays en boeken in het Engels. Sinds 1985 is hij vaste medewerker van de The New York Review of Books. Hij lijkt als kosmopoliet geboren: Ian Buruma is de zoon van een Nederlandse vader, een Engels-joodse moeder en een grootvader met Duitse ouders. Zijn grootouders woonden riant in Engeland en de jonge Ian bezocht hen geregeld. Daar ligt het begin van zijn kosmopolitische perspectief. Wanneer zijn grootouders naar Nederland kwamen, was het voor hem alsof ze boodschappers waren uit 'a wider, more glamorous world'. Zijn grootvader hield van Engeland en sprak met hem over hoe belangrijk het was om van je eigen land te houden. Maar Buruma begreep de eenzijdigheid van zijn grootvaders liefde voor Engeland niet zo, schrijft hij in zijn boek Voltaire's Coconuts over de geschiedenis van de anglomanie. Ook al was hij gesteld op Engeland, hij heeft zich altijd door Wanderlust laten leiden en was nooit zo gebakken aan één plaats of land. Na in Leiden Chinees te hebben gestudeerd en in Tokio filmkunde, woonde hij kortere of langere tijd in Engeland, Duitsland, India, China en Japan. Als kind en student was hij helemaal niet ongelukkig in Nederland en in het Haagse Bezuidenhout, 'maar al op vrij jonge leeftijd was het een plaats waarvan ik altijd dacht dat ik er weg zou gaan,' schrijft hij. 'The world seemed more promising elsewhere.' Maar dat betekende wel dat je nooit meer rust zou hebben, voegde hij er tussen haakjes aan toe. Hij is nu hoogleraar Democracy, Human Rights and Journalism aan Bard College, een kleine honderd kilometer van New York.
Buruma is een groot kenner van de Aziatische geschiedenis, politiek en cultuur. Hij schreef er verschillende boeken over: Gods Gruis, Oosterse Arcadiën, Hongkong, De spiegel van de zonnegodin (over de bizarre kanten van de populaire cultuur in Japan), De uitvinding van Japan, De toekomst van China (over de over de wereld verspreide Chinese dissidenten). Maar de actieradius van zijn nieuwsgierigheid en fascinaties is nog aanzienlijk groter. Hij schreef ook Het loon van de schuld over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog door Duitsland en Japan en (samen met Avishai Margalit) Occidentalisme, het baanbrekende essay over 'het Westen in de ogen van zijn vijanden'. Veel aandacht kreeg twee jaar geleden zijn boek Dood van een gezonde roker, over Nederland en de reacties op de moord op Theo van Gogh. Al deze boeken zijn bijna jonglerend soepel geschreven en voortgekomen uit persoonlijke fascinatie, wat bij Buruma journalistieke distantie niet in de weg zit. Hij spiegelt zich graag aan een 'ambivalente romanticus' als Heinrich Heine die, ook in revolutionaire kringen, een buitenstaander bleef.
Culturele identiteit
Van de postmoderne mode om feit en fictie door elkaar heen te laten lopen, moet Buruma niet veel hebben. Hij is een liefhebber van de waarheid, hoe moeilijk die ook te achterhalen is. Zoals hij ook niet enthousiast te maken is voor schrijvers en intellectuelen die zich min of meer als hogepriesters gedragen. Günter Grass beschouwt hij als 'een van de laatste voorbeelden van een Duitse traditie die dichters en denkers op een voetstuk plaatst vanwaar zij, als profeten, hun oordeel over de wereld ten beste geven.' De ironie van Heine en Joseph Roth (zijn favoriete schrijver) gedachtig maakt Buruma zich niet graag groter dan hij is.
Buruma is een geïntegreerd wereldburger. Hij is ervan overtuigd dat er universele waarden bestaan die alle mensen gemeen hebben. Als kosmopoliet is hij iemand die gevoelig is voor ruimte: die moet bij voorkeur letterlijk onbegrensd zijn. Het motief van de onbegrensdheid is voor een kosmopoliet altijd actueel omdat er voortdurend aan gemorreld wordt door nationalistische politici, de internationale politieke toestand en door religieuze fanatici. Bij Buruma is het een terugkerend thema, zelfs in zijn nieuwe (tweede) roman Dromen van China duikt het in het begin al meteen op wanneer hij een van zijn hoofdpersonages als kind een boek laat lezen dat zijn leven gaat veranderen: Alle mensen zijn broeders. Hij is een Japanner, het boek gaat over Chinezen, in vergelijking waarmee, zegt hij, de 'Japanse krijgers boerenkinkels met kleine dromen waren die werden ingeperkt door de enge grenzen van ons kleine eiland'.
Dat Buruma net als dit personage in Dromen van China vindt dat mensen in politiek en humanitair opzicht meer met elkaar gemeen hebben dan ze van elkaar verschillen (hoe hij diversiteit ook in alle toonaarden toejuicht), blijkt ook uit zijn gebetenheid op de Duitse negentiende-eeuwse filosoof Herder, de vader van het culturele nationalisme en exclusivisme. Al in zijn Van Leeuw-lezing De boom van Herder (1993) hield Buruma Herder verantwoordelijk voor de hedendaagse obsessie met identiteit: als we niet opletten, betoogde hij, ontstaat er een verkaveling van de cultuur in allerlei culturele minderheden die voor hun specifieke culturele en politieke rechten opkomen, daarmee de rechten van anderen onmogelijk makend. 'De meeste intelligente mensen weten dat de culturele identiteit van hun eigen land te complex is om deze gemakkelijk te kunnen duiden,' schrijft hij, maar tegenwoordig moet iedereen een identiteit hebben, het liefst van een minderheid zodat daaraan nog enig slachtofferschap kan worden ontleend. Internationaal gezien valt het Buruma op dat degenen die aan 'identiteitspolitiek' doen (veelal 'progressieve westerlingen') vaak 'de meest reactionaire denkers in exotische landen naar de mond praten,' louter omdat ze de geheiligde culturele waarden van een land niet willen aantasten.
Anne Frank
Degenen die zich graag verplaatsen in de cultuur van een land terwijl daar de elementaire universele mensenrechten worden geschonden (voor Buruma 'de moderne medicijnmannen'), behoren tot de 'School van Herder', zoals hij dat noemt. Maar er bestaat ook nog een andere school, een die cultuur niet ziet als een eens en voor altijd gegeven achtergrond, altijd gelijk blijvend, organisch behorend en geworteld (als een boom) in een land. Dat is de 'School van Hobsbawn', de redacteur van het boek The Invention of Tradition. Tot deze school rekent Buruma zichzelf graag, want die vat cultuur op als een veranderlijk fenomeen: 'Cultuur is niet een oude eik, maar een voortdurend proces van verandering en improvisatie'.
Natuurlijk is er ook traditie die is gegroeid en niet is verzonnen, maar Hobsbawn toont aan dat veel van de als eeuwig beschouwde culturele tradities bewust zijn uitgevonden, meestal in tijden van grote veranderingen, om mensen een gevoel van identiteit en historische continuïteit te geven. Buruma mag graag vertellen dat de Schotse kilt een uitvinding is van een achttiende-eeuwse Engelse industrieel, dat de rituelen van de Engelse monarchie niet ouder zijn dan de negentiende eeuw en dat de cultus rond de Japanse keizer in de negentiende eeuw is bedacht om Japan net zulke theatrale en schijnbaar heilige rituelen te verlenen als het christendom.
Buruma is geen cultureel antropoloog, hij verplaatst zich maar tot op zekere hoogte in de cultuur waarin hij zich bevindt. Hij houdt afstand, beschrijft en analyseert met een aantal universele waarden in zijn achterhoofd. Cultuur moet buiten de politiek blijven, vindt hij, al was het alleen maar opdat die zich in alle vrijheid kan ontplooien. Politiek en religie moeten ook niet rechtstreeks met elkaar te maken hebben. De politiek moet de vrijheid van religie verzekeren, want de inperking van religie heeft in de geschiedenis alleen maar voor onheil gezorgd, van de sjah van Perzië (verantwoordelijk voor het ontstaan van het islamitisch fundamentalisme van Khomeini) tot de Sovjetunie. Zodra cultuur, religie en politiek rechtstreeks verstrengeld raken, duiken onmiddellijk racisme, etniciteit en religieuze twisten op. Een politiek verantwoorden door te zeggen dat iets tot de cultuur van een land behoort, beschouwt Buruma als onzin, omdat cultuur geen statisch gegeven is. Culturen moeten elastisch zijn.
Buruma ziet niets in culturele zuiverheid omdat landen en culturen zich al eeuwen door elkaar laten beïnvloeden. Hij vindt dan ook dat we, nu zoveel moslims in Europa wonen, met de islam moeten leren leven. En de moslims op hun beurt met ons. Om die reden wordt hij in Amerikaanse commentaren op zijn boek over de moord op Theo van Gogh wel als een verzoener ('appeaser') beschouwd. Vandaar dat hij ook gesteld is op schrijvers die inzicht hebben in de dagelijkse praktijk van culturen die op elkaar inwerken. Zoals Louis Couperus, die in zijn Indische roman De stille kracht de spanningen oproept die ontstaan wanneer werelden van verschil intensief met elkaar te maken krijgen. Voor Buruma is Couperus 'een groot schrijver door zijn inzicht in de tragedie van het Europese kolonialisme. En met zijn sympathie voor het hybridische, onzuivere, het ambigue heeft hij een bijzonder moderne stem.'
Buruma wil als intellectueel en liberaal niet als een mietje worden gezien omdat hij zijn houding veel realistischer vindt dan de rechtlijnigheid van vermeende realisten (ook al zal hij dat zelf niet zo ronduit zeggen). De 'moderne stem' die hij aan Couperus toekent, heeft alles te maken met zijn voorkeur voor mensen die vele kanten aan een zaak zien en niet overal zomaar een pasklaar antwoord op hebben. Waarom heeft Buruma zoveel sympathie voor Anne Frank? Omdat ze, schrijft hij in een essay over haar in Het circus van Max Beckmann, wilde dat mensen in haar niet in de eerste plaats een joods meisje zagen, maar als een meisje zonder meer. Ook al was ze een joodse, ze dacht daar ook bovenuit. Wat pompeus gezegd: ze dacht ook in universele termen - een feit dat in de receptie van haar dagboek na de oorlog nog tot heftige discussie heeft geleid omdat ze haar joods-zijn daarmee niet genoeg zou hebben benadrukt en haar vader Otto Frank Anne liever in een 'universeler licht' wilde zien. Het bevalt Buruma ook dat Anne Frank tegenover moeilijke vraagstukken in het leven 'ambivalent stond', geen klaarliggende en afgepaste antwoorden had: 'Dat was een kenmerk van haar intelligentie.'
Gewonde nationale gevoeligheid
Buruma's sympathie voor een ambivalentie die geen pasklare antwoorden heeft op grote vragen wordt natuurlijk op de proef gesteld wanneer het gaat om de islam, om terrorisme, om tolerantie en om de betekenis en plaats van religie in de samenleving. Het briljante van Occidentalisme, het essay dat hij samen met Avishai Margalit schreef, is dat hij de afkeer van de westerse beschaving zoals die te vinden is bij islamitische fundamentalisten in een bredere context plaatst, zonder daarmee het gevaar van fundamentalisme te relativeren: dat blijft even bekrompen en onverdraagzaam. Hij laat zien dat de Romantici ook al niets moesten hebben van het rationalisme, dat Tolstoj de westerse beschaving 'ontaard' noemde, dat tallozen in het Westen zelf het westerse materialisme en individualisme geen zegen vinden.
'Occidentalisme', de afkeer van de Westerse beschaving, is net als 'oriëntalisme' een karikatuur, maar, zoals Buruma zegt, in een karikatuur zit veel waars. Wanneer het Westen echter als leeg en rationalistisch wordt voorgesteld en het Oosten als vol en diepzinnig, dan schiet de karikatuur tekort. De achtergrond van de islamitische afkeer van het Westen vergelijkt Buruma, in het voetspoor van Isaiah Berlin, met de opkomst van het Duitse romantische nationalisme aan het begin van de negentiende eeuw: dat was een product van gewonde nationale gevoeligheid, van diepgevoelde vernedering door Napoleon en zijn troepen. Op dezelfde manier zou de islamitische wereld zich nu gefrustreerd en achtergesteld voelen door de hegemonie van het Westen.
Sektes en samoerai-vechters
In de gesprekken die Buruma met de ideeënhistoricus Isaiah Berlin voerde in de laatste jaren van diens leven, kwam ook wel eens ter sprake welk trekje van de Engelsen Berlin (zelf een geboren Rus) wel kon waarderen. Hij roemde hun philistinism, wat Buruma omschrijft als 'gebrek aan intellectuele roekeloosheid'. Daardoor kwamen ze niet zo gauw op het idee om gevaarlijke utopische ideeën te ontwikkelen.
In die gesprekken met Berlin moet Buruma zich scherp bewust zijn geworden van het caleidoscopische karakter van zijn eigen denkende en schrijvende bewustzijn. Buruma heeft bijna ongemerkt verschillende perspectieven ontwikkeld: hij heeft aandacht voor het lot van individuen (hij laat ze aan het woord), hij houdt voortdurend de grote lijn voor ogen, hij zoekt naar karakteristieke woordvoerders, hij haalt de geschiedenis erbij, zorgt voor saillante anekdotes, hij ontwikkelt een visie op het onderwerp. Hij is essayist en journalist, onderzoeker en een analist. Hij heeft sympathie voor een beetje filistijnisme, maar wordt gefascineerd door de extreme en bizarre kanten van het bestaan: rare sektes, zelfmoordcultussen, samoerai-vechters, mensen die graag martelaar willen zijn, zelfbenoemde slachtoffers. Hij is geen liefhebber van de braafste schilders, maar van het krachtige werk van Max Beckmann, Otto Dix en Georg Grosz, schilders die de wereld 'op zijn weerzinwekkendst' schilderden en daarin op hun best waren. Hij is gefascineerd door het realisme van Alfred Döblins Berlin Alexanderplatz zoals verfilmd door Fassbinder.
Wanneer Buruma hierdoor zo gefascineerd wordt, dan moet hij zich, onder de oppervlakte van zijn soepel denkende en redenerende geest, scherp bewust zijn van de psychologische warboel waarop ons min meer geordende leven is gebaseerd. En dat die ook wel eens tot uitbarsting kan komen. Dat maakt Buruma tot een optimist aan de rand van de vulkaan.
Geert Buelens, ‘Europa Europa! Over dichters en de Grote Oorlog’, 376 pagina’s
‘Het lijf in slijk geplant; Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog’, 688 p. Uitgeverij Ambo/Manteau
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
