e-reader 12.02.2010

Door Carel Peeters

De betovering van lijsten - umberto eco

Umberto Eco houdt van technisch vernuft, maar dat wil niet zeggen dat hij denkt dat het e-boek het echte boek gaat verdringen.

Umberto Eco is geen digitale analfabeet. Hij was er in het begin van de jaren tachtig als een van de eerste schrijvers bij om zijn boeken op een computer te schrijven. Zijn zoon is hem weliswaar als digitaal geletterde inmiddels voorbijgestreefd, maar Eco blijft een geïnformeerde gesprekspartner als het om technische snufjes gaat.

Eco houdt van vernuft, en hij houdt speciaal van vernuft dat uit de band springt. Of van vernuft dat zich van een hogere domheid bedient zodat er verrassingen uit de bus kunnen komen. In zijn romans De slinger van Foucault, Baudolino en Het eiland van de vorige dag loopt menige occultist, tempelier, Rozenkruiser en fantast rond, maar allemaal pretenderen ze ook een serieuze wetenschappelijke kant te hebben.

Model voor het soort geleerde waar Eco zich mee verwant voelt is Athanasius Kircher (1602-1680), de inventieve en fantasierijke zeventiende-eeuwse Duitse geleerde die het grootste deel van zijn leven in Rome doorbracht. Wetenschap, theologie, filosofie en literatuur liepen bij hem door elkaar, zodat hij bij het bestuderen van de eigenschappen van het magnetisme vanzelf ook bij de liefde uitkwam. Tijdens de serieuze bestudering van de hiërogliefen concludeerde hij dat het oud-Egyptisch de taal van Adam en Eva geweest moest zijn.

Maar Kircher beschreef in 1646 ook de eerste toverlantaarn in zijn boek Ars Magna Lucis et Umbrae. Hij was is zijn tijd een van de bekendste geleerden, een echte universele geest want hij correspondeerde met zevenhonderdzestig denkers en wetenschappers over de hele wereld. De hoofdpersoon van Het eiland van de vorige dag, Roberto de la Grive, is op Kircher gebaseerd.

Opsom-manie
Niet verwonderlijk dat Kircher, wiens boeken in de letterlijke zin de meest fantastische illustraties bevatten, prominent voorkomt in Eco's recente, uitbundig geïllustreerde boek De betovering van lijsten. Het is een boek over de opsom-manie ('enumeratie'), de onweerstaanbare drang om dingen bij elkaar te brengen in lijsten, of het nu een paginalange opsomming is van spelletjes, zoals in Gargantua en Pantagruel van Rabelais, of de opsomming van de edelstenen (waaronder diamanten en topazen) die de decadente Des Esseintes in Huysmans' Tegen de keer te ordinair vindt om het schild van zijn zeldzame schildpad mee te versieren. En natuurlijk de legendarische lijst van liefjes die Leporello in Mozarts Don Giovanni als een boekhouder heeft bijgehouden van de amoureuze veroveringen van de held (in Italië 640, in Duitsland 230, Turkije 100, enzovoort).

Eco is zelf een hedendaagse Kircher geworden, behalve dat hij beter in staat is het verschil tussen zin en onzin te maken. Hij heeft er juist plezier in om romans te schrijven over mensen die in vurige en blinde passie dwaalwegen bewandelen. Schrijft hij geen romans, dan schrijft hij columns en geleerde boeken over taal en semiotiek, of hij stelt beredeneerde bloemlezingen samen die hij illustreert met de schatten aan schilderijen en tekeningen die hij opduikt in grote, kleine, openbare en geheime bibliotheken. Zo ontstonden De geschiedenis van de schoonheid en De geschiedenis van de lelijkheid.

Door de wellustige hoeveelheid in full colour afgedrukte illustraties zijn het hedendaagse equivalenten van de zeventiende-eeuwse Wunderkammer, een genre waar Eco speciaal op gesteld is: de kabinetten waarin vorsten, graven en hertogen hun verzameling curiositeiten bij elkaar brachten. Ze bevatten de kleine wonderen van de wereld, van vervormende spiegels tot trompe l'oeil-schilderijen, van skeletten tot indianentooien. Ze fungeerden als tastbare encyclopedieën, als getuigen van wat de aarde, de fantasie en het verstand kon voortbrengen.

Natuurlijk had Athanasius Kircher zijn eigen Wunderkammer, het Museum Kircherianum in Rome. Wat hij daar liet zien, wordt door Eco met wellust opgesomd in zijn boek over de betovering van lijsten: van zeven maanden oude foetussen tot skeletten van adelaars, van robots tot klokken op zonne-energie.

Solitaire losbandigheid

Umberto Eco's eigen Wunderkammer bestaat niet uit bijzondere voorwerpen uit alle uithoeken van de wereld, maar uit zijn over drie huizen verdeelde bibliotheek van vijftigduizend boeken. Daarvan zijn er twaalfduizend zeldzaam. Daartoe behoren uiteraard verschillende in de zeventiende eeuw gedrukte uitgaven van Kirchers werk. Er ontbreekt er één: Eco is al jaren op zoek naar de Ars Magnesia, waarvoor hij bereid is 'een fortuin te betalen'.

- Het dwalen langs boekenkasten is verleden tijd wanneer het e-boek méér wordt dan iets extra's.

Het verzamelen van boeken op de manier zoals hij dat doet noemt Eco 'solitaire losbandigheid'. Hij laat zijn verzameling zelden aan mensen zien. Ze zouden niet begrijpen wat hem bezielt. Op een platonische manier weet men wel waarover hij het heeft (tenslotte zijn er wel meer mensen die van boeken houden), maar zijn specifieke hartstocht is niet over te dragen. Het is een autarkische passie, in de kern geheimzinnig en idiosyncratisch.

Wat gebeurt er met deze liefde voor boeken en het hebben van een goed gevulde boekenkast wanneer het e-boek zijn tornado-achtige opmars voortzet? Umberto Eco heeft niets tegen het e-boek, maar de titel van het boek waarin hij met zijn vriend de cineast Jean-Claude Carrière praat over boeken liegt er niet om: Zo makkelijk kom je niet van boeken af. Natuurlijk zijn Eco en Carrière sceptisch, maar niet omdat ze bang zijn voor de concurrentie die het e-boek het echte boek gaat aandoen, maar omdat de techniek te snel gaat en te veel verschillende apparaten en versies maakt, zodat de lezer er geen pijl op kan trekken. De duurzame informatiedragers hebben een kort leven. Welke e-reader moet je kopen om alle e-boeken te kunnen lezen?

Het International Digital Publishing Forum (IDPF) streeft er wel naar om een gemeenschappelijke standaard voor elektronische boeken te krijgen zodat alle boeken op alle apparaten gelezen kunnen worden, maar ondertussen maakt Apple zijn iPad, Barnes & Nobles zijn Nook, Amazon zijn Kindle, Sony zijn Daily Edition en HP zijn Tablet PC. Ze concurreren elkaar de tent uit ('De slag om de digitale lezer'). Amazon verkocht in 2008 vijfhonderdduizend Kindles en is nu 'marktleider'. Maar de Kindle is eenkennig, alleen e-boeken die bij Amazon zijn gekocht kunnen er op gelezen worden. Maar ook als er uiteindelijk een uniforme standaard komt, heeft het boek niets te vrezen van het e-boek. Behalve in de maanden juli en augustus, de vakantiemaanden, want dan mag het e-boek mee waarin dan een stapeltje lectuur is opgeslagen.

Stofnesten
Het idee dat je boekenkast zou bestaan uit een apparaat (dat er desnoods net zo aantrekkelijk uitziet als een witte laptop van Apple), kan niet voor enige begeestering zorgen. Een huis zonder boekenkast is geen huis, dat is een onderkomen. Natuurlijk zijn er estheten en puristen die een kale kamer zonder boeken het summum vinden, die boeken maar als stofnesten beschouwen, maar die hebben dan ook geen geest die een e-boek ter hand neemt.

Het dwalen langs boekenkasten is verleden tijd wanneer het e-boek méér wordt dan iets extra's. Dwalen langs een boekenkast wil zeggen ontdekkingen doen. Ineens iets zien dat je aandacht trekt, of een boek dat je helemaal vergeten was. Dat kan alleen maar in de aanwezigheid van het fysieke boek. In zo'n geval is 'het geoefende oog' aan het werk, zegt Jean-Claude Carrière. Dat oog is bekend met boekenkasten en wat daar in kan staan. Het herkent iets bijzonders meteen. Vergelijk het met de neus van een hond die direct afgaat op iets dat hem aantrekt.

Uit de gesprekken van Eco en Carrière wordt goed duidelijk dat het bezit van boeken en boekenkasten meer is dan gevulde kasten tegen de muur. Boeken in kasten zijn plaatsvervangers van iets wat in de hoofden van de eigenaars zit. Concrete boeken vertegenwoordigen vele werelden: een bepaalde uitgeverij, een stijl van uitgeven, een bepaalde plaats in de culturele en literaire wereld. De omslagen, de ruggen en de logo's van de uitgeverijen hebben veel te vertellen. De betrokkenheid van de lezer bij het boek en zijn wereld verdampt als dat boek alleen maar bestaat uit tekst op een schermpje. Wanneer een boek echt iets voor iemand betekent, wil het er ook in de vorm van een echt boek zijn. Het oog en de handen hebben ook hun rechten.

Leon de Winter
Al dit soort esthetische, sociologische en literaire overwegingen spelen helemaal geen rol meer voor Leon de Winter wanneer hij in een artikel in de Volkskrant van 29 januari aankondigt over niet al te lange tijd (deze zomer) op een eigen website zijn eigen gedigitaliseerde boeken te gaan verkopen: 'Wij worden zelf de beheerder van de hele keten, van het schrijven tot en met het aanbieden van het voltooide digitale boek,' schrijft hij. De Winter wil niet een groter deel van de koek van een verkocht e-boek, zoals Marcel Möring die het belachelijk vindt dat bol.com zestig procent incasseert, hij wil de hele koek. Dat zelf uitgeven en verspreiden ziet er vervaarlijk uit: het betekent dat een boek niet meer door een derde gelezen en gecorrigeerd wordt. En als dat wel het geval is, dan moet de schrijver zo iemand zelf inhuren, en is die dan wel kritisch genoeg als hij/zij financieel afhankelijk is van de opdrachtgever?

De ophef over de opmars van het e-boek zal van tijdelijke aard zijn.

De Winter schrijft wel dat 'een intensieve samenwerking met onze uitgevers natuurlijk van groot belang is', maar dat kan toch nauwelijks samenwerking zijn wanneer de schrijver 'de beheerder van de hele keten' wordt? Die samenwerking bestaat er uit dat De Winter vriendelijk zwaait naar de uitgever, ten afscheid, welteverstaan. De Winter draaft zo door, dat ik een moment dacht dat zijn hele stuk een satirische reactie was op de overspannen aandacht voor de opmars van de e-boeken. Hij gaat er al van uit dat zijn website (waar ook andere schrijvers hun spullen mogen gaan verkopen) een succes wordt. In dat geval heeft hij medelijden met de boekhandels, aangezien die niets meer verkopen. Om de boekhandels in hun nood te helpen wil De Winter met een deel van de opbrengst van zijn verkopen een fonds stichten. Fonds arme boekhandels.

Als het wiel
Wie een boek als De geschiedenis van de schoonheid of De betovering van lijsten van Eco in zijn handen heeft, begrijpt meteen dat zulke boeken intensieve bemoeienis van redacteuren en uitgevers vragen. Zulke (mooie) boeken hebben hun eigen trots, daar kunnen de praktische voordelen van een elektronische versie niet tegen op. Er zullen steeds meer e-boeken verschijnen, maar dat zal niet ten koste gaan van het uitgeven van het boek in zijn traditionele vorm. Het e-boek kan een bestaan leiden naast het echte boek, maar nooit alleen. Een boek moet ook zichtbaar zijn. Dat Ian McEwan een contract met Amazon heeft gesloten voor het digitaal verkopen van vijf van zijn oude titels, is financieel misschien lucratief omdat hij vijftig procent heeft bedongen, maar die boeken blijven natuurlijk ook als gewoon boek beschikbaar. Het e-boek is iets extra's, het vervangt niets. Het is te vergelijken met een roman die verfilmd wordt: het oorspronkelijke boek blijft gewoon te koop.

De ophef over de opmars van het e-boek zal van tijdelijke aard zijn. Hij zal zijn praktische diensten op reis en tijdens de vakanties bewijzen. De e-reader zal steeds beter aangepast worden aan de wensen van de lezer. Eco en Carrière somberen niet, maar ze vinden wel dat door de snelle veranderingen en verbeteringen in de (digitale) wereld het heden een onzekere ondergrond krijgt. Dat noemen ze 'de instabiliteit van het heden'. Een apparaat moet alweer vernieuwd worden voor je het goed en wel gebruikt hebt. Maar de heren zijn desondanks zo te spreken over de zegeningen van internet dat ze dictators in de toekomst niet veel kans meer geven. Eco weet dat prognoses er om vragen gelogenstraft te worden, maar de toekomst van het boek ziet hij rooskleurig in. Het boek is als het wiel. Het is niet te verbeteren.

[reageren]

The Literary Saloon