Interview 23.03.1996
Het was even stil rond Heere Heeresma. Een vreemde gewaarwording. Want bij deze auteur past eerder rumoer, opschudding. Maar zo lang duurde deze pas op de plaats ook weer niet. Hieronder een gesprek met de schrijver over de luwte en zijn nieuwste plannen: een autobiografie voor de radio. Met àlle namen.
Hij bevindt zich in een welstandsklasse die hem bevalt - een landhuis in de Ardèche, een woning in Amsterdam-Zuid - en zit ruim in de liefhebberijen, variërend van vaartochtjes met zijn robuuste motorvessel tot beoefening van de edele jachtsport. De rijkdommen werden vergaard vanachter het toetsenbord van een eenvoudige Erica-schrijfmachine. Oost-Europees fabrikaat, dus redelijke kwaliteit: 'Van eenhoog kun je hem naar beneden gooien, maar vanaf tweehoog is hij kapot.' Het tikken van een manuscript is ambachtelijk handwerk, vergelijkbaar met de dagelijkse draai aan de slinger van de koffiemolen waarmee hij 's morgens de dag begint. Ouderwets, jawel. Hij heeft géén computer, géén cd-speler, géén videorecorder: 'Die dingen gaan toch alleen maar kapot. Een mens kan best zonder.' Anders ligt dat voor de witte Renault, waarvan Heere Heeresma een week na zijn vierenzestigste verjaardag het staal liefdevol beklopt. 'Zestien kleppen, 135 pk,' meldt hij trots. 'Binnenkort ga ik hem inruilen voor het nieuwste model met 155 pk.'
De auteur wijst uitnodigend op de zwartleren fauteuil, rechts van het stuur. De autorit die hij in het vooruitzicht stelt, heeft een bestemming die 'nog even geheim' blijft, maar in géén geval wordt het Een dagje naar het strand. Op de achterbank van het voertuig ligt zijn nieuwste boek Zacht gelag, waarvan de inhoud onder meer verwijst naar maatschappelijke conventies die werden afgeschaft. Op z'n Hollands, dus wél met behoud van sociale voorzieningen: 'Het is dan ook nooit wat geworden. Niets is overwonnen. Hooguit door onverschilligheid verloren gegaan.' Voor hem, 'eenling in het literair plantsoen', bleven de subsidiepotten consequent gesloten. Verbeten, beledigd bijna: 'Ik een beurs van het Fonds voor de Letteren? Meneer, wat denkt u wel. Ik heb altijd mijn eigen baan getrokken!'
Geruisloos zoeven we langs Zuid-Hollandse polders, totdat Heeresma zijn auto bij café-restaurant Het Oude Raedthuys in Woubrugge het parkeerterrein op draait. Zijn voorkeur voor het soort etablissementen waar klassiek burgermansfatsoen regeert, berust op de veilige wetenschap dat zich hier zelden schrijversvolk vertoont. Daar staat tegenover dat het gemis aan literaire theekransjes het aantal verkrijgbare consumpties beperkt, zodat de auteur zichtbaar geërgerd zélf een zakje van het merk Pickwick mag dompelen in het opgediende glas met heet water. 'Hier zal ik de directies eens ernstig over onderhouden,' schalt zijn geaffecteerde stem door het lege lokaal. 'Zijn ze nou helemaal betoeterd om 's middags ontbijtthee te serveren?' Verschrikt duikt het hoofd van de barman weg achter een pilaar.
Het was de laatste jaren nogal stil geworden rond de schepper van onverwoestbare evergreens als Geef die mok eens door, Jet! (1968), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1973) en het twee maal verfilmde Een dagje naar het strand. In de luwte die op deze kassuccessen volgde, bouwde hij verder aan een omvangrijk oeuvre ('gemiddeld één driekwart boek per jaar'), maar het nieuwe werk werd ternauwernood opgemerkt. Uitgeverij De Prom zette dapper door, zuchtend onder de wetenschap dat Heeresma met bundels die steeds dunner werden voor de boekentop-honderd verloren was. Het wachten was op de al tien jaar geleden beloofde roman Kaddish voor een buurt, het ultieme, vuistdikke meesterwerk waarvan het voltooide manuscript zich volgens de schrijver in een kluis te Parijs zou bevinden. Het geduld van De Prom begon op te raken. 'We kwamen tot de conclusie dat we na tien jaar in harmonie uit elkaar moesten gaan. Menig huwelijk houdt vandaag de dag korter stand,' zegt Heeresma. Ontstemd nam hij kennis van het krantenbericht waarin hij moest lezen dat zijn 'pornoparodieën' Gelukkige paren, Geschoren schaamte en Een hete ijssalon niet langer in het fonds van zijn andere uitgeverij, Unieboek, passen. En ook kwam de klad in de ooit uitstekende verstandhouding met uitgeverij Novella, die pockets maakte van zijn oude verhalen, waar nieuwe, pakkende titels voor werden bedacht.
'Ik had toen al besloten, op te houden met schrijven. Ik was totaal op vakgroep boek uitgekeken,' bekent de auteur van achter een ongenaakbare zonnebril. 'Daarbij speelde mee dat ik veel stil verdriet achter de rug heb; daar kan ik niets over vertellen, anders is het geen stil verdriet meer. Schrijven is een cultuurfenomeen, waar twee partijen voor nodig zijn. De manuscripten kunnen zich opstapelen tot het plafond, maar als niemand kennis neemt van de inhoud, is het allemaal vergeefse moeite. Mijn gabbers zijn dood en het klimaat is allerbelabberdst. Nergens vlamt nog hilariteit op. Boeken functioneren nog vrijwel uitsluitend als stepping stone voor de hoogstpersoonlijke publiciteit van de auteur, liefst op de televisie. Ik vind dat een zeer... eh, ordinaire opstelling. Persoonlijk schitter ik uitsluitend op de buis door afwezigheid. U denkt toch niet dat ik inga op uitnodigingen van meneer Jan Lenferink en consorten? De meeste boeken worden tegenwoordig niet meer geschreven, maar gebreid. Vaak zijn het onbenullige avonturen over vader, moeder, broer en zus, gecentreerd rond het verrukkelijke ego van de literator. Maar dan zeg ik er meteen bij dat die boeken kennelijk niet voor mij geschreven zijn. Een Adriaan van Dis kan mij alleen nog ontroeren door de kleur van zijn jas. Waarschijnlijk weet hij het niet, maar de kleur van zijn jas wordt door Rijkswaterstaat gebruikt voor zijn betonningsvaartuigen. Boeken bevatten een verhaal, goede boeken bevatten een verhaal ín het verhaal. Daar gaat het om, maar dat wordt niet begrepen. We hebben een hausse in debuten gehad, maar dat is afgelopen. Het is aan de straatstenen niet meer kwijt te raken; de boekhandel met zijn inkoopcombinaties is veel te machtig geworden. Ik vond het allemaal zo stomvervelend worden, dat ik dacht: jeetje christus. Schrijven is geen flauwekul. Als het niet kan zoals ik denk als het moet, dan stop ik ermee.'
Twee jaar volhardde de schrijver in het genomen besluit. Zijn dagen in Amsterdam of Frankrijk verstreken voortaan 'met nietsdoen en genieten'. Nee, hij werd niet verlamd door een writer's block of chronische moedeloosheid. Banale bezigheden als het reinigen van zijn Winchester jachtgeweer bezorgden hem simpelweg meer vreugde dan het wrochten van een volgend boek. Door een 'samenloop van omstandigheden' kwam hij tot andere gedachten, zodat Zacht gelag nu in de winkel ligt. Er volgt, naar hij verzekert, spoedig méér.
Heeresma: 'Het klinkt gek, maar dankzij het been van mijn buurman heb ik de pen weer ter hand genomen. Ons huis in Frankrijk staat in een gebied zonder noemenswaardige infrastructuur. De mensen daar hebben elkaar altijd nodig. Toen buurman Morel zijn been brak, sprak het vanzelf dat ik zijn taken zou overnemen. Ik trok zijn laarzen aan en heb het varkenskot leeggeschept en schoongespoten, maar ik vond het vreselijk. Nadat ik de biggen, de zeugen en de levensgevaarlijke beer had teruggejaagd in het hok, vroeg ik me af hoe ik me in 's hemelsnaam aan deze burenplicht kon onttrekken. Ineens wist ik het: als de geest waait, mag ik mij van andere plichten ontheven achten. Want ik ben een maître en iedereen begrijpt dat. Daarna zat ik met de zorg dat ik de geest niet zomaar aan het waaien kreeg. De eerste stap was gezet, ik bemoeide me weer met mezelf. In mijn pullmanfauteuil zat ik met mijn kofferschrijfmachine op schoot wat dingen uit te proberen, maar het was niet zo dat in mijn omgeving werd gezegd: kijk die man eens begeesterd bezig zijn. Geleidelijk zag ik dat er iets ging gebeuren. De schets, dacht ik. De schets! Dat is een gebakken ei, met in het midden een geel oog en daaromheen die merkwaardige korst in allerlei kleuren, wit en bruinig. De omvang wordt bepaald door het pannetje. Toen ik de vorm eenmaal gevonden had, werden de onderwerpen vanzelf aangedragen. De schets leerde me dat het bij het schrijven niet gaat om vorm óf vent, zoals vaak gesteld wordt. Nee, de vorm is de vent.'
Met het produceren van nieuwe teksten wilde het nog beter vlotten, nadat zich een regelmatige afnemer had gemeld. VPRO-medewerker Anton de Goede, een fan sinds hij bijna een kwarteeuw geleden Han de Wit las, schakelde zijn lievelingsschrijver in bij het radioprogramma Geblaf in het hondsdal op de zondagochtend. 'Ik hoorde daar weer de puberale, atheïstische flauwekul die zo eigen is aan deze tijd, dus ik dacht: leuk, daar kan ik mijn hak inzetten,' herinnert Heeresma zich. Op gedragen toon droeg hij zijn 'ochtendwijding' voor, die het karakter van een 'weeksluiting' aannam nadat de bijdrage werd overgeheveld naar de vrijdageditie van De avonden bij dezelfde zendgemachtigde. De auteur kreeg warempel weer lol in zijn ambacht. Aan zijn VPRO-medewerking hield hij een stapel 'schetsen' over, bij elkaar genoeg voor een nieuw boek. Maar Heeresma zat inmiddels zonder uitgever.
'Alles is wonderlijk gegaan,' stelt hij vast. 'Ik ben door een wonder weer gaan schrijven en door een wonder heb ik een nieuwe uitgever gevonden. Ik was voorzitter van een jury op een erotisch festival in de Utrechtse jaarbeurs. Daar ontmoette ik een man die me al eerder was opgevallen door zijn enorme enthousiasme en inzet. Hij vertelde me dat hij een uitgeverij ging beginnen. Waarop ik antwoordde: nou meneer, dan bent u hartstikke gek geworden. Toen hij dat uit de grond van zijn hart bevestigde, zei ik: in dat geval beloof ik u een boek van mijn hand. En zo is dat boek er gekomen.'
De schetsen in Zacht gelag ('die titel ga ik niet toelichten, want die is, zoals alles wat ik schrijf, polyinterpretabel') zijn nóg melancholieker dan de Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming uit 1973. De auteur is op een leeftijd gekomen waarop hij met heimwee terugblikt op vervlogen tijden. Hij vraagt zich af, waar ze gebleven zijn: de échte literatuuraanbidders, die zelfs op straathoeken in Sartre waren verdiept. Hij heeft een hard hoofd in de overlevingskansen voor landbouw en veeteelt. 'De boer werd weggesaneerd, ging failliet en ploegde nog slechts voort, van loket naar loket...' Hij noteert dat het 'op- en afgaande gesjirp van de knijpkat waarmee de wandelaar zich probeerde bij te lichten' niet meer wordt gehoord. En terwijl vierhonderdduizend burgers een dak zoeken 'had zojuist een gewapend treffen plaats tussen Somaliërs en Zaïrezen in de Vluchthof te Alkmaar. De politie, zo heet het versluierend, trad sussend op. Vergeet het maar. Het was even matten met de lat. En waarom? Genoemden waren bezig de buit, de aangeboden woningen, onderling te verdelen.' In de goede, oude tijd werd menselijk leed vooral zichtbaar als voorbijgangers met een lichamelijk gebrek zich door de straten sleepten. 'Er werd veel gehinkt, gestrompeld en gevallen. Men hield zich indertijd nog overeind met een soortement stelten die onder de oksels werden geplaatst. En zeker 's winters, toen er overal nog sneeuw lag, waarin door de jeugd aangebrachte glijbanen, kon je erop wachten. Merkwaardig! Wanneer zo'n gehandicapte zich met behulp van zijn stelten weer omhoog vocht, klonk er geen klacht, laat staan een vloek. Het was een sterk geslacht in die tijd.'
Dat Heeresma zijn oude toon weer helemaal heeft hervonden, blijkt uit zijn geamuseerde observaties van taferelen waarvan niet iedereen direct de humor inziet. 'Ik kan het ook niet helpen,' verweert de schrijver zich. 'Zodra ik ergens mijn oog op laat rusten, breekt er leed uit of het is al voldoende aanwezig. Het incasseringsvermogen van de mensheid is weg, volgens mij vooral doordat verantwoordelijkheden op de overheid werden afgewenteld. In mijn buurtschap in Frankrijk is dat nog anders. Er is daar maar één fabriek en daar wordt mineraalwater gemaakt. Gezond, maar het is niet helemaal waar dat het helpt tegen blindheid, zoals ze ze zelf zeggen. De fabriek moet regelmatig arbeidstijdverkorting aanvragen. Dan klimt de directeur op een kist met onverkochte flessen mineraalwater en roept: mannen, vandaag is het 8 juni, ik zie jullie op 16 oktober graag weer terug. Die mannen stappen meteen op hun brommers en voordat de avond gevallen is, hebben ze al een bedje met aardbeien en aardappelen aangelegd. Ze gaan direct aan de slag om in hun onderhoud te voorzien. Kom daar hier eens om.'
De noodzaak tot overleven heeft hem altijd geïntrigeerd; daar komt ook zijn passie voor de straatmuzikant uit de jaren vijftig vandaan, wiens lot hij in Zacht gelag uitvoerig beschrijft. 'Onder die mensen had je rangen en standen. Helemaal onderaan stonden de straatzangers,' herinnert Heeresma zich. 'Zelf ging ik op een bepaald ogenblik zingend langs de deur in de Van Baerle-buurt. We hadden geen geld en ik had ook geen jas. Ik bewoonde in die tijd een kamer zonder vloerbedekking. Van een aardige vrouw kreeg ik een deken in een opzichtig luipaardmotief, want het was koud buiten. Over zangers ging het verhaal dat het meestal bajesklanten waren, bovendien zouden ze zich overgeven aan de drank. Het moet gezegd dat ze vaak rode en paarse gezichten hadden, maar dat kan ook de invloed van het weer zijn geweest. De zangers traden altijd op de hoeken der straten op, want ze hadden geen gemeentelijke muzikantenvergunning. Vanaf de straathoek hadden ze een goed uitzicht op de politie, die toen nog hermandad werd genoemd. Het nadeel was dat de stem niet door huizenrijen werd voortgedragen. Er was eigenlijk te veel ruimte, waardoor de stem iets van een overwonnen standpunt kreeg, waaraan geen gehoor hoefde te worden gegeven. Hoger in aanzien stonden de mandolinisten, met linten aan hun mandoline, die natuurlijk vies waren geworden. Daarnaast had je de bespelers van de piston, dat waren geletterde mensen. Met doffe poffen bliezen ze gezangen. Pistonspelers werden zeer gewaardeerd.'
Meer memoires hoopt Heeresma vanaf oktober wekelijks aan de openbaarheid prijs te geven, als hij voor de VPRO-microfoon anekdoten gaat opdiepen uit zijn schrijversloopbaan. 'Met naam en toenaam, want eindelijk moet de beuk er maar eens in,' kondigt hij dreigend aan. 'Ik heb voor mijn autobiografie de radio uitgekozen, want dat is een vluchtig medium. En dat zal nodig zijn, omdat er nogal veel over mensen te vertellen valt.' De ervaringen met de televisieafdeling van de VPRO stemmen minder tot tevredenheid. 'Men had de behoefte om zes verhalen uit mijn bundel Damesverband te verfilmen. Toen ik een stukje ruwe montage kreeg te zien, dacht ik: godbewareme, wat een rotzooi. Ik probeerde George Schouten, de regisseur, te helpen. Ik vond dat er een voice over overheen moest en hij vroeg of ik dat wilde doen. Ik ben heel ver gegaan. Hij legde me een tekst voor, nou, die kreeg ik met geen mogelijkheid uit mijn bek. Tenslotte waren er drie films gereed, die ik op band kreeg toegestuurd. Ik was toevallig in Nederland. Dezelfde dag heb ik een brief geschreven met het verzoek mijn naam uit de aftiteling te verwijderen. Ik kreeg het idee dat ze me dankbaar waren voor deze opstelling. Het idee is nu van de baan. Natuurlijk betreur ik dat. Zonde van het geld. Ze hadden er iets geweldigs van kunnen maken, maar als het talent te klein is en de persoonlijkheid te smal, kun je het wel vergeten.'
Ook zonder tv-serie wordt het 'een heel bijzonder jaar, waarin alles samenvalt'. Zoon Heere Heeresma junior debuteert komend najaar als schrijver met de verhalenbundel Sprookjes voor het sterven gaan. Zijn vader had geen zwartgalliger titel kunnen bedenken. Terzelfder tijd verschijnt bij 'een kleine uitgeverij' het referaat Een verduisterde waarheid, dat in 1942 werd uitgesproken door de Amsterdamse godsdienstleraar Heere Heeresma senior, vader van de auteur van Zacht gelag.
Die auteur wil nog wel thee.
Hij zegt: 'Er is veel personeel en er zijn weinig directeuren. Dat is altijd zo geweest. Ik kom maar heel weinig mensen tegen met wie ik van gedachten kan wisselen. Over het algemeen is het dunne specie. Vrienden heb ik niet, wel geestverwanten en soortgenoten. Die kom ik bijvoorbeeld tegen bij een benzinestation in een voorstad van Madrid of op een terras in Dordrecht. Vaak wisselen we maar een half woord en dat is goed zo. Heeft u de laatste zin van mijn boek gelezen? De Heer is mijn herder, Daarom schop ik het verder. Ik zit dus gebeiteld.'
Ze zag 'm nog weleens. In hun tweezitter. Met de kap open. En die blondine met haar joch dat, zo jong als-ie was al kampte met een ontsierend overgewicht. Had ze ooit van die man gehouden? Ze kon het zich niet meer voorstellen. Maar waar ze nog steeds laaiend van werd was die leepheid van 'm, die haar aan het kortste eind had doen trekken. Geen cent ook kregen ze meer voor haar en de jongens van hem los. Eerst gaf dat niks. Ze zag er heus niet tegenop zijn beide zoons op haar fiets naar school te brengen. En ze hadden het samen zo gezellig dat ze hun vader niet meer misten. Maar op den duur holde het uit. Zeker, ze had het knus gemaakt in die betonnen bak in het blok van de sociale woningbouw. Maar niemand op de trap en in de stoep hield echt van de woning en de zaak was inmiddels alweer vergoord. Natuurlijk, ze werd geholpen. Met huursubsidie en de ziekteverzekering. Maar de relatie met de bijstand ging zelfs verder dan een huwelijk en door de controle van die ambtenaren hadden ze geen privacy meer over. Ze waren voor hen zo doorzichtig en daarmee zo breekbaar geworden als glas. En maar smeken. Om een nieuwe wasmachine toen de oude was bezweken. Een koelkastje. De naaimachine. Maar tenslotte was de toestand onhoudbaar geworden. De jongens werden groter en namen geen genoegen meer met jeans van de markt en schoenen van de voetenboer. En ze wilden geen shirts meer, maar merknamen. En zo niet, dan lagen ze eruit. Op school. En daarbuiten. Haar kinderen out-casts? Dat nooit. Ze begon hier en daar wat bij te verdienen. Schoonmaken. Zij die vroeger een dienstmeisje voor halve dagen had gehad. Sindsdien was de angst haar metgezel, want die controleurs van de sociale dienst sliepen niet en de mensen in haar buurt hingen elkaar maar al te graag op. Eén telefoontje was voldoende. Ze sleepten je tegenwoordig zelfs voor het gerecht. Maar zelfs die klussen brachten te weinig op. Zelfs het vakantiegeld ging nu op aan het bestaan. En dan had ze het uiteindelijk maar gedaan. Klakkeloos uit de krant een nummer gebeld van een seksclub die geen ervaring vroeg, maar wel duizend gulden per week beloofde. De baas was vol begrip, had haar situatie meteen door en voortaan heette ze Juliana Regina wat ze nogal overdreven vond. En haar collega's zaten in hetzelfde schip.
Bijstandsmoeders of gezegend met mannen die werkloos waren. De staat heeft hoeren van ons gemaakt, had er een gezegd, terwijl ze voortbreide aan een jumper die nooit af zou blijken te komen. En de ander speelde niet onverdienstelijk mee met de altijd hard aanstaande muziek. Op een blokfluit. En de derde had zelfs een kunstbeen. Er waren steeds mannen die daarvan uit hun bol gingen.
Eerlijk gezegd was het haar meegevallen. De mannen waren aardiger dan ze had gedacht. Bovendien trok ze hoofdzakelijk types die vóór alles wilden praten. Over hun successen. Het onbegrip en het misverstand bij de echtgenote. Of hun rare hobby's zoals het verzagen van surfplanken of het ophangen van spiegels. In toiletten. En als ze wel eens seks wilden, ach dan was ze niet onsportief, terwijl ze dacht: beter liggend dan over de leuning. Ze suggereerde dan zelfs een heuse opwinding en liet kreten los op het plafond als: zet 'm op, Kees. Jutteperen... En het geld begon binnen te komen. En te komen. En een gezonde hebzucht stak bij haar de kop op. Ze liet thuis steeds vaker uit de magnetron eten en liep nu ook de avonddiensten. Eigenlijk was er nog maar één angst over. Die voor een nare ziekte. Maar de clubbaas deed daar uitermate luchtig over. Een paar prikken van de dokter die elke week kwam controleren. Een aardige baas die aan de drank was.
Ze kwam nu ook aan haarzelf toe, kocht mooie lingerie en sieraden bij de vleet. Alleen wanneer ze naar het kantoor van de sociale dienst moest, stapte ze in haar versleten jeans en trok het oude truitje van de Franse zeemacht aan. En dan klaagde ze natuurlijk. Steen en been terwijl het van binnen hol bij haar lachte. En toch. En toch was iets met de noorderzon vertrokken. De gezelligheid waarmee ze toen de armoede had bestreden, was er niet meer. De bekers chocolade, het halmaspel. En het meezingen met de radio. Op. In Ronalds kamer hing tegenwoordig trouwens een zware zoete geur die ze niet vertrouwde. En Rik kwam steeds vaker onbekwaam thuis. Maar ze liepen er nu in ieder geval prima bij in hun outfit van de dag. Tevreden bekeek ze, op de bank gelegen, de nieuwe mauve pumps die ze zich had gegund. Allemachtig, wat verzoette het geld toch veel. Ze kon niet anders zeggen.
Lachend werd hij wakker. Niet alleen door de geur van gebakken eitjes en kruimige plakjes spek die door de openstaande deur van zijn gezellige zolderkamer binnendreef. Maar ook door zijn tante die zingend de trap opkwam. De stem van een moeder stemt zelfs de zeeman tevrêe. Boven het galmen der golven uit! klonk het, terwijl het zonlicht door het rode gordijn voor het raam van de dakkapel hem in een feestelijke gloed dompelde. Het water der zeeën mag breken in twee, nam hij het lied over, terwijl hij zich moeizaam met de ellebogen omhoog in de kussens wrikte, Het loopt toch het spuigat weer uit...
Zijn lunch ging haar vooraf toen ze binnenkwam. De schat. Al kon ze soms vreselijk ouwehoeren. Ah! riep hij. Vandaag de blauwe tuimelaar aan! Hij wist hoe ze het waardeerde wanneer hij iets over d'r uiterlijk zei. Voorzichtig werd het dienblad op het tafeltje naast het bed neergezet. Ja, het kan best, want de kou is nu wel uit de lucht en ik heb zelfs even op het balkon gestaan.
Neuriënd besmeerde hij inmiddels een geroosterd boterhammetje, terwijl ze op zijn voeteneind ging zitten. Daar was tenslotte meer dan genoeg ruimte. De rode gloed gaf haar oudevrouwenwangen wat kleur en d'r bril scheen vandaag wat minder scheef te staan. En terwijl ze vertelde wat ze vanaf het balkon vanochtend al in de tuinen in knop had gezien, zwierf zijn blik naar de wekker. Dat was zeker ook alweer een maand geleden dat deze was opgewonden.
Tante, hoe laat is het? onderbrak hij haar. Ze stond op en schoof het rode gordijn open. Puur viel het zonlicht naar binnen en deed zijn verzameling internationale motorinsignes in het kastje fonkelen als spuwden ze vuur. Ja, dat was het voor hem wel. De machine tussen de knieën. En racen over de Dalerdijk tegen de jongens van Tongeren op hun tuttifrutti-japanners. Zo nodig reed hij zijn vangers en valbeugels tot gort, maar ze gingen er allemaal uit. Hij reed tenslotte niet voor niets op een gitzwarte Harley Evo-racer uit de Bott-klasse. Kom nou! Dus wat is de tijd?
Voor jou, Warmold? vroeg ze lief, kantelde haar gezicht naar het raam en keek naar buiten. In het hemelse gewelf is het steeds kwart voor elf!
Wat bent u toch een schat, zei hij nuchter, opende het potje met vruchtengelei en nam er een paar fikse lepels van. Geen beter middel om zich weer eens van de toestand van het gebit op de hoogte te stellen. Trouwens... hij wachtte even om de spanning te doen stijgen... ik heb er weer van gedroomd!
Ze schreeuwde het uit. Van je weet wel?!
Ja, zei hij eenvoudig. Ik was het weer eens. Voor de zoveelste keer, zoals u weet. Het stond in alle kranten en de radio kwam woorden te kort. Misschien dat ze daarom voortdurend het gesproken woord met muziek onderbraken. En de motorgazettes natuurlijk. De tv...
Ze was weer op het ruime voeteneind van het bed gaan zitten en drukte haar wringende handen in haar schoot. En hoe was je... Waarin...
Met ontbloot bovenlijf, deze keer. Oprijzend uit mijn lederen Borelli-motorbroek. U weet wel, met van die gekleurde poffen opzij van het bovenbeen. En de gesp van mijn mon-hommes-riem nonchalant neerhangend boven de maar halfgesloten ritssluiting...
Ze hijgde terwijl hij een toostje beboterde. Man... stamelde ze. Van het jaar! Jijj... Hoe is het mogelijk, hè Warmold.
Inderdaad, deed hij nog even mee. Wie had dat gedacht. Wilt u misschien nu mijn wielen klaarzetten? En toen ze bereidwillig opstond raakte hij even een knokige heup aan. Hij wist hoezeer ze ook dit waardeerde.
Neuriënd ging ze met een verse afwas weer de trap af, terwijl hij zijn hoofd kantelde en het raam uitkeek. Een hevig blauwe lucht met een wolk die nog het meeste weghad van het touringmodel van de Moto Guzzi. Een prima machine, maar niet zijn type. En dan maakte hij zich mentaal gereed voor de ochtendlijke confrontatie met zichzelf en sloeg het dekbed weg. Niets aan de hand, tot aan zijn knieën. Daarna was, zo ver de blik reikte, slechts beddengoed zichtbaar. De veiligheidsspelden waarmee de omgeslagen pijpen van zijn pyjamabroek werden vastgezet, waren deze nacht eens niet opengesprongen. En daar dienden zich de eerste fantoompijnen al aan. Tintelende tenen aan voeten die niet meer bestonden en steken in enkels die verdwenen waren. En had hij ze nu nog eraf gereden tijdens een wereldomspannende rally, maar het was alleen maar een uit de hand gelopen diabetes mellitus. En wie legt daar nu eer mee in?
Spertijd
Die avond had Meta Klees vergeten het elastiekje dat ze om haar pols had gedaan, voor het slapengaan af te doen, weshalve haar hand zwart werd en geamputeerd moest worden. Op het schoolplein wist ze sindsdien steeds hoog te scoren met haar stomp.
Voordien wilde ze mij echter dringend spreken en we deden dit in een kuil van het zandland, bezijden de Amstel, ter hoogte van de gashouders van de Omval. De zon was al aan het dalen, moeders riepen hun kinderen en daar tussendoor liepen twee landwachters met lange jachtgeweren gemeden te worden. En hoog, hoog in das Blaue hinein trok een vloot bommenwerpers ongestoord witte strepen door de lucht.
Ik wilde weer eens opstappen uit de kuil waar de hitte van de zon in was blijven hangen en het naar creosoot stonk, maar M wilde me niet laten gaan voor zij mij deelgenoot had gemaakt van een kennelijk prangend geheim. Ze veerde daarvoor plotseling op haar knieën en vroeg toen of ik niets aan haar zag. Ik keek en bevond alles in orde.
Me melksalon, zei M, en trok haar bloesje strak.
Het speet me oprecht, maar ik moest bekennen hiervan niets te kunnen zien. M leek boos te worden en zonder de toen heersende gêne ontsloot ze enige knoopjes en toonde me plompverloren haar sneeuwwitte bovenlijfje. Het was daar zo plat als een dubbeltje.
Je moet er ook langskijken! hield M vol en bereidwillig keek ik erlangsheen, maar ze bleef daar als een jongetje.
En als ik nou zo doe? vroeg ze en duwde met haar handen d'r huid over de ribbenkast naar boven. Er ontstonden twee malle plooien, meer niet. Uit mijn weinig enthousiaste reactie begreep M tenslotte dat ze, wat mij betreft, de bout kon hachelen met haar vieze gedoe. Toch heeft ze nog getracht mij over te halen aan d'r tepeltjes te zuigen omdat dit, zoals ze van haar zus gehoord had, de groei van een boezem aanmerkelijk verhaastte. Zonder resultaat overigens, want ik was zeer kuis en vreesde bovendien elk moment op de rand van onze kuil een volwassene te zien verschijnen.
Sijkert! schreeuwde M me plotseling toe en tot mijn stomme verbazing zag ik tranen in haar ogen, terwijl ze een steen naar me gooide. Nog voor ik haar een klap terug kon verkopen, rende ze in haar rubberen regenlaarsjes, waaruit na een warme dag steeds een sterke geur opsteeg, weg, richting Berlage-brug.
En ook ik ging weer eens op huis aan. De spertijd trad die zomer vroeg in, de landwachters gingen al spiedend rond en het water van de Amstel was nog niet vervuild en rijk aan vis, waarnaar danig werd gehengeld ter aanvulling van de snel kariger wordende rantsoenen.
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
