Profiel 11.09.2004

Door Rudie Kagie / Boudewijn Buch

Anderhalf jaar na de dood van Boudewijn Büch kwam aan het licht welk geheim de auteur meer dan dertig jaar met zich mee had gedragen. Het verhaal over zijn dode kind – centraal thema in zijn leven en werk – bleek verzonnen. Hoe het écht in elkaar zit, wil Boudewijn Iskander Pronk graag vertellen. ‘Het is echt een krankzinnig verhaal. Ziek. Absurd. Bizar.’

In het voorjaar van 1970 vertelde Boudewijn Büch aan iedereen die het maar horen wilde over zijn getob met het pas verworven vaderschap. De omstandigheden klonken inderdaad te ingewikkeld om van pril geluk te kunnen spreken. Hij woonde in Leiden. De moeder woonde met wettige echtgenoot en baby onder enigszins kommervolle omstandigheden in Den Haag. Het ging om een vroegere tekenlerares die hem na een alcoholische uitspatting in bed zou hebben gelokt. De betrekkelijke vreugde die hij aan drie seconden zaadstorting beleefde, woog niet op tegen de consequenties die hem de rest van zijn leven zouden achtervolgen. Hij zat daar vreselijk mee.
Boudewijn kondigde aan dat hij zijn verantwoordelijkheid als vader zou accepteren. Hij wilde dat het kind zijn achternaam kreeg. Boudewijn Iskander heette het, genoemd naar de trotse vader. Het geboortekaartje was het bewijs. Met Marianne Verweij, de moeder, onderhield hij geen relatie. De enige reden dat hij er wekelijks over de vloer kwam, was dat hij zijn zoon wilde zien. Over de acteur Coen Pronk die met Marianne getrouwd was, sprak hij zelden.

In de loop van 1975 maakte Boudewijn zich ernstig zorgen over de vraag hoe het verder moest. Hij zei dat Marianne alcoholiste was en het kind aan zijn lot overliet. Boudewijn vond dat hij moest ingrijpen. Via vrienden in Leiden vond hij een echtpaar bereid om zich als pleegouders over de kleine Boudewijn Iskander te ontfermen.

Op een nazomerdag in 1975 trakteerde Boudewijn Büch het toen vijfjarige ventje op een gezellig uitstapje naar Amsterdam. Hoogtepunt van de dag werd een bezoek aan Artis. Aan het einde van de middag troonde Boudewijn de jongen mee naar café De Zwart aan het Spui. Aan de toog trof hij zijn beste vriend Peter van Zonneveld, precies zoals in De kleine blonde dood beschreven staat. In het boek werden een paar kleinigheden veranderd: Boudewijn Iskander kwam Micky te heten, maar dat Micky zich niet lekker voelde en een mix van chocomel en gevulde koeken uitkotste over het jasje van pappa Boudewijn klopte weer wél. Fleurette, de vriendin die volgens de roman gebeld werd met het verzoek om vader en zoon in Amsterdam op te halen, heet in werkelijkheid Bernadette Gallis. Ze kwam inderdaad voorrijden en transporteerde het tweetal naar Den Haag. Jaren later, toen sceptici het in smart gesmoorde vaderschap van Büch in twijfel trokken, konden twee getuigen bevestigen dat ze het kind werkelijk hadden gezien. Heerlijk joch, trouwens. Sprekend Boudewijn.

Op een decemberdag in 1975 zat een echtpaar in Leiden vergeefs te wachten op de komst van een pleegkind voor wie al een kamertje was ingericht. Boudewijn Büch zou Boudewijn Iskander komen brengen, maar hij was depressief en liet zonder bericht verstek gaan. In gezelschap van zijn vrienden Jacques van Alphen en Peter van Zonneveld was hij naar Parijs vertrokken om op verhaal te komen. De dagen tussen Kerstmis en nieuwjaar brachten Büch, Van Alphen en Van Zonneveld dat jaar door in een vakantiehuisje op Terschelling.

Het stormde. Boudewijn stikte van de zenuwen. Hij vertelde zijn vrienden dat zijn zoon met een mysterieuze kwaal was opgenomen in het Haagse Zuidwal-ziekenhuis. Hij wilde zo snel mogelijk weg van het eiland om te zien hoe het met de kleine blonde ging. Ze namen de eerste boot naar het vasteland. Op de thuisreis was Boudewijn voor zijn doen buitengewoon zwijgzaam. Hij verdroeg niet dat zijn vrienden met hem mee op ziekenbezoek gingen. Verslagen keerde hij uit het Haagse hospitaal terug: Boudewijn Iskander lag in coma. Volgens artsen was zijn toestand kritiek. Er bestond geen kans op genezing van de hersentumor die bij het patiëntje was vastgesteld.

Twee weken later, op 16 januari 1976, kwam het verschrikkelijke nieuws. De kleine blonde had het niet gered. Het kind was overleden. ‘Ik heb de emoties gezien die op dat moment bij Boudewijn naar boven kwamen. Die waren niet gefingeerd,’ zegt Van Alphen. ‘Hij was ontroostbaar, volstrekt van de kaart,’ herinnert Bernadette Gallis zich. ‘Zo droevig als toen had ik hem nog nooit meegemaakt,’ vertelt Van Zonneveld.

Boudewijn liet weten dat hij had besloten om de uitvaart in het crematorium van Ockenburg te Den Haag in opperste beslotenheid te laten plaatsvinden. Dit was iets dat hij alleen moest doen. Hij wilde in stilte afscheid nemen, zonder dat daar iemand bij was. ‘Je bent nu al bezig om er literatuur van te maken,’ verweet Van Zonneveld hem, maar ook hij respecteerde het besluit. Dit was niet het moment om ruzie te maken. Een andere vriend, conservator Harry G.M. Prick van het Letterkundig Museum, betaalde zestig gulden voor de urn. Boudewijn had hem laten weten dat hij financieel krap zat.

Het verlies van een zoontje werd het centrale thema dat – met uitzondering van Links! – alle romans van Boudewijn Büch met elkaar verbindt. Ook als dichter was het drama voor hem een onuitputtelijke bron van inspiratie. In interviews vertelde hij openhartig over het verdriet dat als een schaduw over zijn leven hing. Snikkend deed hij in 1985 zijn relaas aan Cosmopolitan: ‘Mijn zoontje was echt niet te redden. Een paar jaar van mijn leven is hij mijn enige houvast geweest. Ik heb jaren gehad dat ik rookte, spoot en zoop. Het idee dat ik juist met hem, als een van de weinige mensen, een hechte relatie heb gehad en bij wie ik me altijd ontzettend gelukkig voelde… Ik heb nooit gedacht: dat gezeik van dat kind. Ik vond het altijd heerlijk om hem te zien. De dag dat we samen naar Artis zijn geweest… dat waren de gelukkigste uren van mijn leven. Een kinderdood is het ergste dat je kan treffen, vooral als het om een jongetje gaat dat lievelingsplaten heeft. Dat tegen me zei: “Boud, zet ‘Satisfaction’ van de Stones eens op.—’

Tot aan de dood van de schrijver stond een ingelijste foto van een blond kereltje bij hem thuis op het dressoir. De journalist Mark Blaisse, die met hem bevriend was, herinnert zich hoe Boudewijn bij hem op bezoek kwam en verlangde dat de kinderportretten in de kamer werden omgedraaid: ‘Hij kon het niet aan, de foto’s deden hem te veel aan zijn overleden zoontje denken.’

Na afloop van een lezing zei Boudewijn tegen fotograaf Klaas Koppe: ‘De moeder van mijn zoon zat vanavond in de zaal.’
Op het perron van Leiden ving Van Zonneveld een glimp op van de vrouw die de moeder van de kleine blonde zou zijn. ‘Boudewijn ging even naar haar toe om iets te zeggen, maar ik moest een eind verderop wachten. Ik had het wel leuk gevonden als ze aan mij was voorgesteld, maar hij wilde die werelden strikt gescheiden houden.’

‘De enige keer dat ik Boudewijn Iskander heb gezien, was toen ik hem en Boudewijn in Amsterdam ging ophalen,’ zegt Bernadette Gallis. ‘Ik mocht hem absoluut niet afleveren voor het huis waar hij woonde. Dat moest een paar straten verderop gebeuren, omdat de moeder van dat jongetje ziekelijk jaloers zou zijn.’

Anderhalf jaar na de dood van Boudewijn Büch zagen sceptici hun twijfel bevestigd toen aan het licht kwam welk bizar geheim de auteur meer dan dertig jaar, het grootste deel van zijn leven dus, onder het hart had gedragen. Er was geen dood kind. Het verhaal bleek verzonnen, precies wat broer Patrick Buch altijd al had gedacht. Hij weet nog hoe Boudewijn al in 1967 tijdens het avondeten zijn moeder choqueerde met de mededeling dat hij binnenkort vader zou worden. Patrick Buch: ‘Dat idee zat tóén al in zijn kop. Toen Marianne drie jaar later inderdaad zwanger was, strooide Boudewijn het verhaal rond dat hij daar verantwoordelijk voor was. Boudewijn en ik gingen in die tijd intensief met elkaar om en vertelden elkaar de intiemste dingen. Dat hij tegenover mij met geen woord over dat kind repte, sterkte me in de overtuiging dat de geboorte en later de dood zich uitsluitend in zijn hoofd afspeelden. Hij had trouwens een operatieve ingreep achter de rug die het hem voor de rest van zijn leven onmogelijk maakte om een kind te verwekken.’

Patrick Buch besprak de pseudologica fantastica van zijn broer met collega-adviseur Ton van de Wiel, een psycholoog met ervaring als psychotherapeut. De expert legde hem uit dat er al op jonge leeftijd iets moet zijn misgegaan in het brein van de onbegrepen Boudewijn. Dat moet merkbaar zijn geweest, maar werd niet onderkend. Doordat niemand doorzag hoe hij in elkaar stak, verschanste hij zich in een door hemzelf gecreëerde fantasiewereld. Hij werd de hoofdrolspeler in zijn superieure totaaltheater. Vrienden en familieleden beschouwde hij als niet meer dan figuranten; een visie op het bestaan die ook wel solipsisme wordt genoemd. Zijn slopende behoefte om het toneel te beheersen, bracht hem voortdurend in problemen. Hij kon het fabuleren niet laten, maar ontmaskering was voor hem het bewijs dat hij niet serieus werd genomen. Vervolgens ging hij op zoek naar iets nieuws, iets groters, vastbesloten om uiteindelijk zijn zelf uitgeschreven wedstrijd met de werkelijkheid te winnen. Volgens Van de Wiel moet Boudewijn hebben geleden onder zijn psychische ongemak, dat hem zowel eenzaam maakte (zijn duistere zieleroerselen kon hij met niemand delen) als bang (hij kon elk moment door de mand vallen). Paradoxaal genoeg stimuleerden juist de eenzaamheid en de angst hem weer in het bedenken van nieuwe verzinsels, want naarmate meer mensen hem volgden in zijn fantasie, voelde hij zich minder alleen en dat maakte hem zekerder van zichzelf, zodat hij minder bang hoefde te zijn.

Saai gezelschap was hij in ieder geval allerminst. Zijn openhartige ontboezemingen over het problematische vaderschap gingen erin als koek. Aangemoedigd door de reacties zette hij het drama nog wat aan, in zijn hart beseffend dat zijn grimmige sprookje ooit verkeerd moest aflopen. Vrienden van hem hadden immers de jongen ontmoet van wie hij beweerde dat het zijn zoontje was. Een tweede confrontatie zou hem fataal kunnen worden, want de kleine blonde ging natuurlijk steeds beter praten en sprak een volgende keer wellicht zijn mond voorbij. Door op zoek te gaan naar een pleeggezin drong Boudewijn zichzelf tot het uiterste in het nauw. Hij had die mensen een belofte gedaan die hij niet kon nakomen. Alleen een morbide oplossing kon hem nog redden uit de netelige situatie waar hij zichzelf in had gemanoeuvreerd. Hij liet het kind sterven. Na dit deus ex machina was er geen weg terug. Tot aan zijn laatste snik zou hij volhouden dat het precies was gegaan zoals hij het uitentreuren had verteld, beschreven in zijn romans en vertaald in hoogstaande poëzie. Hij had tranen met tuiten gehuild, er was geen reden om aan de authenticiteit van zijn verdriet te twijfelen.

Misschien experimenteerde hij, bewust of onbewust, met een psychologische omkering van de feiten. In de zomer van 1975 was zijn vader overleden. Die gebeurtenis greep hem buitengewoon aan, en mogelijk vond hij dat hij iets moest ondernemen zodat anderen eindelijk zouden begrijpen hoezeer hij werd gekweld door de pijn van een onnoemelijk verlies. Zeven maanden na de dood van zijn vader bedacht hij een tweede sterfgeval. Hij werd getroost en begrepen als nimmer tevoren, precies wat hij op dat moment nodig had.

Volgens psycholoog Van de Wiel zal de solipsist figuranten die zijn spel niet meespelen, verstoten. Wantrouwen straft hij met het beëindigen van de vriendschap. Dreigen met zelfmoord maakt deel uit van zijn permanente chantage van iedereen die hem dierbaar is. Als hij zich te zeer in de fuik voelt gedrongen, is het mogelijk dat hij zijn dreigement uitvoert. ‘Ik hang al jaren tegen ophangen aan,’ bekende Boudewijn Büch in 1982 tegenover NRC Handelsblad. Hoe zou hij zich erdoorheen hebben geslagen als tijdens zijn leven was onthuld dat zijn dode zoontje op een hersenspinsel berustte?

Hoe het écht in elkaar zit, wil Boudewijn Iskander Pronk (1970) graag vertellen. Hij heeft altijd geweten dat hij model stond voor De kleine blonde dood; sommige passages uit de roman kan hij zich als waargebeurde herinneringen voor de geest halen. Om te beginnen brengt hij twee essentiële details onder de aandacht. Het kan nooit kwaad om eventuele misverstanden direct de kop in te drukken. Ten eerste: Coen Pronk is wel degelijk zijn biologische vader. Om dat te bewijzen, schuift Boudewijn Iskander twee foto’s tegen elkaar, een van hemzelf en een van zijn vader. Met de hand bedekt hij op beide afbeeldingen mond en neus. Er is geen misverstand mogelijk. Wat zichtbaar blijft, zijn twee paar ogen die op elkaar lijken als, ja, als vier druppels water.

Ten tweede: Marianne Verweij, zijn moeder en wettig echtgenote van Coen Pronk, onderhield absoluut géén amoureuze relatie met Boudewijn Büch. Ook dat weet hij zeker. Toen zijn moeder in 1992 overleed, vond hij een paar brieven die Boudewijn haar geschreven had. Hij wierp een vluchtige blik in de correspondentie, maar het leek hem indiscreet om dat allemaal te gaan lezen. Liefdespost was het in geen geval. Uit literair-historisch oogpunt was het misschien dom, maar de brieven gooide hij weg.

Marianne Verweij was beeldend kunstenares en docente. In 1966 gaf ze kortstondig, van september tot december, tekenles aan de Karel Doorman- mulo in Wassenaar. Haar vrije manier van lesgeven sloot niet aan bij het conventionele onderwijs dat de school voorstond en ze vertrok. Met één leerling bleef ze contact houden. Boudewijn Büch kwam regelmatig op de fiets naar Den Haag en werd een huisvriend van het echtpaar Pronk-Verweij. ‘Hij bleef ook weleens logeren. Dan sliep hij op de bank die nu hier staat. Die heb ik meegenomen uit mijn ouderlijk huis,’ wijst Boudewijn Iskander aan. ‘Destijds was die bank van groen ribfluweel, ik heb hem opnieuw laten bekleden. Ik weet nog dat ik Boudewijn op zondagochtend wakker maakte en dat we met zijn vieren gingen ontbijten. Mijn ouders hadden een heel goed huwelijk. Zoiets voel je aan als kind.’

Huisvriend Boudewijn was dol op zijn naamgenootje; hij wist zich op zijn minst de trotse peetoom en bedacht allerlei leuke spelletjes.

‘Het gekke is dat het dagje naar Artis mijn zuiverste herinnering aan Boudewijn is,’ zegt Boudewijn Iskander. ‘Ik weet nog dat ik ’s morgens uit bed kwam en dat ik tegen Boudewijn zei dat ik me niet lekker voelde. Hij was die nacht bij ons blijven slapen. Volgens hem zou ik me wel beter voelen als we eenmaal onderweg waren. Heen gingen we met de trein, maar het staat me niet meer bij hoe we ’s avonds thuiskwamen. Ik was ziek, hij heeft me zowat de hele dag moeten dragen. Vreemd genoeg herinner ik me niet dat ik in Artis beesten heb gezien. Voor een kind zijn blijkbaar andere dingen belangrijk. Op een rooster stonden paaltjes met een knop erop. Ik wilde op zo’n knopje drukken, maar daar kon ik niet bij. Boudewijn zei dat die paaltjes nergens toe dienden en dat het ook volstrekt oninteressant was. Dat was ik niet met hem eens. We gingen naar een café. Daar heb ik het spijkerjasje van Boudewijn ondergekotst.’

Het bevuilde jasje liet Boudewijn in Den Haag achter, dat zou Marianne Verweij voor hem wassen. Twee weken later lag er een brief van Boudewijn. Hij schreef dat hij ‘voor een jaar naar Afrika’ ging en dat hij voor onbepaalde tijd niets van zich kon laten horen. Verder niets dan hartelijks en de allerbeste wensen, vooral natuurlijk voor Boudewijn Iskander.

Het spijkerjasje bleef zeven jaar aan de kapstok hangen. Toen duidelijk werd dat het niet meer zou worden opgehaald, gooide Marianne het weg.

Van het verdriet over de plotselinge dood van de kleine blonde dat Boudewijn in Leiden voorwendde, was bij de familie Pronk in Den Haag niets bekend.

‘Het is echt een krankzinnig verhaal,’ vindt Boudewijn Iskander. ‘Ziek. Absurd. Bizar. Of hoe je het maar noemen wilt. Toen begon hij erover te schrijven, eerst in De blauwe salon, later De kleine blonde dood. Die boeken zijn voor mijn moeder pijnlijk geweest. Natuurlijk had hij het volste recht om te schrijven wat hij wilde, maar eerst stopte hij de vriendschap en vervolgens kwam hij met boeken waarin hij de rollen omdraaide. Als iemand zonder opgave van redenen een vriendschap beëindigt, dan geeft dat een gevoel van onmacht. Dat gevoel werd versterkt door romans waarin hij de situatie bij ons thuis in een vervelend daglicht stelde. Ik kan niet zeggen dat ik De kleine blonde dood een meesterwerk vind. Het is een beetje rommelig, een samenraapsel van allemaal losse verhalen. Twee hoofdstukken berusten deels op realiteit, de rest is verzonnen. Het viel me op dat hij de personages nergens uitdiept. Als je het boek leest, zie je geen gezichten voor je, maar schimmige gedaanten. Het komt niet echt tot leven. Wat overblijft, zijn de emoties en die haalde hij bij ons vandaan. Je kunt je afvragen waar ik me druk over maak, want het is niet mijn moeder, maar een fictief persoon die hij beschrijft. Dat is zo, maar zoiets ligt toch anders als je zelf de emotie bent. Dan weet je als je zo’n boekje leest: dit gaat over ons. Hij beschrijft ijssalon Torino, nou, dat was bij ons om de hoek, daar haalde ik ijsjes als kind. Lang geleden heb ik de film De kleine blonde dood gezien, maar die raakte me minder dan het boek. Ik had geen moment het idee dat die film over mij ging. Ik ben al mijn hele leven dat figuurtje uit dat boek. Ik weet niet wat ik daar mee moet.’

Büch vertelde zijn vrienden in Leiden dat Marianne niet in staat was om voor haar zoon te zorgen omdat ze alcoholiste was. Nu blijkt dat ook dit verhaal deel uitmaakte van zijn mythe.

‘Mijn moeder had diabetes en ze moest juist heel voorzichtig zijn met drank,’ zegt Boudewijn Iskander. ‘Ik ben onder zeer gelukkige omstandigheden opgegroeid. Mijn moeder was erg leuk voor mij als kind. Ze was natuurlijk een artistieke vrouw. Ze maakte koffertjes voor mijn speelgoed en die beschilderde ze. Ik had Playmobil. Ze kocht een plaat hout en dan schilderde ze op de ene kant een landschap en op de andere kant een weg waar ik met mijn Playmobil overheen kon. Hartstikke leuk, op dat soort dingen kijk ik alleen maar met warmte terug. Mijn ouders hadden gewoon een goed huwelijk. Na tien jaar zijn ze gescheiden, maar dat ging in harmonie, zonder ruzie. Mijn moeder kreeg een leuke vriend, mijn vader een andere vrouw. Ik ben dol op mijn stiefmoeder, ik ben haar als mijn moeder gaan beschouwen. Ik heb aan die scheiding geen wond overgehouden. Mijn ouders gingen uit elkaar, maar ik kreeg er veel voor terug.’
Begin jaren tachtig, kort na de scheiding, voerde Marianne Verweij nog een zakelijke correspondentie met Boudewijn Büch.

‘Over geld,’ weet haar zoon. ‘Boudewijn had ooit vijfduizend gulden van haar geleend en dat nooit terugbetaald. Omdat Boudewijn in die tijd steeds bekender werd en vaak op de televisie verscheen, vond ze dat hij onderhand over de brug moest komen. Daar is toen een briefwisseling over geweest. Hij had het geld niet. Uiteindelijk heeft iemand anders die vijfduizend gulden betaald. Een fan van Boudewijn. Via via weet ik dat Boudewijn er laaiend over was dat mijn moeder dat geld terug wilde. Mijn moeder had op dat moment iets van: eerst laat je ons keihard vallen en terugbetalen doe je ook al niet. Het is rot dat het op die manier is afgelopen, maar aan de andere kant: als bij ons thuis vroeger de naam Boudewijn viel, hing daar aanvankelijk geen negatieve sfeer omheen. Beslist niet, er was geen rancune. Mijn ouders hebben ontzettend gelachen met die man. Ze vonden het heel jammer dat daar een einde aan kwam, maar ze respecteerden zijn besluit om naar Afrika te gaan. Hij wilde een nieuw leven beginnen en al het oude achter zich laten. Dat was wat hij schreef en daar viel niks aan te doen. Pas later, toen bleek dat hij in die tijd niet in Afrika is geweest en hij boeken begon te schrijven over zijn dode kindje, veranderde het beeld dat mijn ouders van Boudewijn hadden.’
Begin jaren negentig ging de gezondheid van Marianne Verweij hard achteruit. Ze verzwakte en versomberde. Ze had geen zin meer in het leven. Boudewijn Iskander laat een schilderij zien dat zijn moeder in haar nadagen maakte: een vuurbal te midden van een blauw-paars getint vlak. Haar allerlaatste kunstwerk heeft hetzelfde thema, alleen is daarop de vuurbal veel groter, een huiveringwekkend symbool voor het lot dat dichterbij was gekomen. Boudewijn Iskander: ‘Diabetespatiënten leven op een tijdbom en takelen steeds verder af. Mijn moeder heeft dat niet willen meemaken. Op een gegeven moment stond ze hier voor de spiegel en zei: “Mijn haar zit niet goed.— Kort daarna was ze dood.’

Marianne Verweij overleed op 22 februari 1992.
Boudewijn Büch liet niets van zich horen, maar hij moet van het droeve nieuws op de hoogte zijn geweest. Coen Pronk had te zijner attentie een rouwkaart naar de Vara gestuurd.

Büch had beloofd dat hij op 23 oktober 1992 naar de filmset zou komen waar De kleine blonde dood werd gedraaid. Op het laatste moment belde hij af. ‘Ik kan niet komen,’ excuseerde hij zich tegenover regisseur Jean van de Velde. ‘Ik moet vandaag naar de begrafenis van de moeder van mijn kind.’

In de tweede week van mei 1993 ging de film in première. Tegen hartsvriendin Bernadette Gallis zei Büch: ‘Bij de moeder van mijn kind rakelde de film meer emoties op dan ze aankon. Ze raakte in een diepe depressie en heeft zelfmoord gepleegd.’

Boudewijn Iskander heeft weleens overwogen om bij het huis van Boudewijn Büch aan te bellen. Hij had geen adres, maar het moest mogelijk zijn om daar achter te komen. Gewoon even kijken hoe Büch zou reageren. Uit interviews bleek dat hij een ingelijste foto van een blond jochie had staan van wie hij beweerde dat dit zijn jong gestorven zoontje was. Naar die foto was Boudewijn Iskander nieuwsgierig. ‘Ik was het van plan, maar het is er niet van gekomen. Opeens was hij dood. Misschien had hij de deur wel dicht geknald als hij mij zou hebben zien staan. Ik heb geen idee.’

Boudewijn Iskander Pronk heeft tegenwoordig een eigen bedrijf. Hij verhuurt geluidsapparatuur en plaatst schotelantennes. Negen jaar lang dreef hij vanuit zijn zolderkamer het piratenstation Dynamic FM, dat onafgebroken housemuziek de ether in joeg. Vijf jaar bivakkeerde hij te midden van zakken gips en metselattributen; de verbouwing van het huis die hij ter hand had genomen, schoot niet op. House, onderlaag, puinhopen. Vanuit de anonimiteit moet Büch de activiteiten van de kleine blonde voortdurend hebben gevolgd. In 1995 verscheen bij uitgeverij Eikenbosch Pers te Hilversum in luxe-editie en beperkte oplage het gedicht ‘Doodsgewicht’, opgedragen aan ‘B.I.’

De eerste strofe luidt:
‘Een dood zo machteloos en traag:
Ik heb de jongen weer zien lopen
Hij is nu Acid House en onderlaag;
zit in de stad op puin te hopen.’ ?



The Literary Saloon