Recensie 26.04.2008
De vrouwelijke hoofdpersoon in de nieuwe roman van Allard Schröder is waarachtiger dan menig chicklit personage.
Reliëf zonder tampon
Tot dusver wemelde het in Allard Schröders oeuvre van zonderlinge, knoestige, vaak wat zompige kerels. Types die graag een ei in hun grove bek steken en dat ongepeld vermalen. Op de feministische meetlat zouden ze allemaal een beroerd figuur geslagen hebben – overigens ook op de algemeen menselijke meetlat. ‘Getverdemme’ hoorde ik ooit een meisje in de trein roepen, dat verdiept was in een roman van Schröder. Geen geschikt afscheidscadeau kortom voor scheidend Opzij-hoofdredacteur Cisca Dresselhuys.
Maar met zijn nieuwe roman De econome verdient Schröder op zijn minst de Anna Bijns-pinkring. Hij heeft zowaar een vrouw als hoofdpersoon genomen, een jonge single nog wel. Linde heet ze, en ze is een econome met toekomst, zoals dat dreigend heet.
Schröder portretteert haar waarachtig, wars van de merkwaardige, au fond diepbeledigende neiging om à la Nelleke Noordervliet een vrouwelijke hoofdpersoon direct met een specifiek lichamelijk ongemak of dito hebbelijkheid te introduceren. Je zult ze de kost moeten geven, die hurkplassende heldinnen uit de contemporaine vaderlandse literatuur met lekkende borsten, die erop los menstrueren, met mascara kliederen, geen hoofd- van bijzaak kunnen onderscheiden en net zo lang kakelen tot hun man wegloopt – de goedwillende mannelijke lezer is dan al afgehaakt. Dat terwijl je niet snel een mannelijke held ontmoet die het in de eerste alinea aan zijn prostaat heeft of dringend Viagra – de VN-lezer weet er tegenwoordig alles van – behoeft. Goed zo, Schröder, jij doet daar tenminste niet aan mee! Het is een misverstand dat een vrouwelijk personage pas reliëf krijgt als ze een tampon inbrengt. Basta.
In sobere, heldere zinnen – ingetogener dan in zijn eerdere werk – laat Schröder Lindes universum oprijzen. Het is de snelle wereld van alledag, zoals we die uit de chicklit en yuppenliteratuur kennen. Van het ene feestje naar het andere, van de ene hotspot naar de andere trendy gelegenheid. Op jacht naar een leuke man en als die er niet is, oké, dan mag de verknipte accountant of bronstige autoverkoper voor een keer mee naar huis. Veel uiterlijkheidscultus, met spieren, zonnekanonnen, snuiven in de wc, vreugdeloze, mechanische seks. Een lege wereld waarin met een beetje geluk nog een beursbericht gelezen wordt – literatuur is daar een onbekende entiteit. Evenals verbeelding, de gedachte aan iets hogers. Alles is materie, alles is vlees.
Kaal
Linde voegt zich geheel naar de codes van dat moderne onbestaan en toch schuurt het. ‘Melancholie’ noemt ze het, bij gebrek aan woorden. Linde is een etherische heldin, behept met spleen, zoals Margriet de Moor die ook zo mooi kan scheppen. Alleen, en daar klopt het drama aan: Linde weet niet wat ze mist. Voorwaar een buitenkansje voor de romancier Schröder, die dat kale universum kaal houdt, zelfs verbaal, om optimaal effect te bewerkstelligen: sfeer, sfeer en nog eens sfeer.
Waardoor de merkwaardige situatie ontstaat dat hoe meer ‘wit’ Schröder aldus toelaat in zijn tekst, met die gloomy en mysterieuze sfeer ten gevolge, hoe meer associaties het regent in het hoofd van de lezer. Curieus genoeg vooral met betrekking tot films of televisiedrama, waarin het para- of supranormale inzet is: The Others, Vanilla Sky, Eyes Wide Shut, Life on Mars. Ik kan mij overigens niet eens voorstellen dat een vrijwel buiten de wereld van de multimedia levende figuur als Schröder die rolprenten gezien heeft. Hoogstens kent hij de songtekst van Hotel California, de seventies-hit van The Eagles – ook dat roept De econome op.
Hoe of dat kan? De econome is, zoals vrijwel altijd bij Schröder, op de vleugels der verbeelding geschreven, met ruime toegang tot zodanig verkregen halfonbegrijpelijke, krachtige beelden uit een surreële werkelijkheid. Uit die vijver put de literatuur tegenwoordig minder dan bijvoorbeeld de filmkunst.
Linde ziet ze, plat gezegd, vliegen – al is ze niet gek. Er is een mysterieuze lifter, er doemen vreemde berichten op haar beeldscherm op, er kiert onverwerkt verleden. In het eerste deel van de roman neemt ze de auto en vlucht, weg van haar leven, over de Autobahn, zuidwaarts. In het tweede, beste want meest spookachtige deel bevindt ze zich in een zuid-Duits kuuroord, waar ze merkwaardig genoeg verwacht werd. Het is, zoveel krijgt ze te horen, een tussenstation, een vagevuur voor de gestorvenen, limbo. In ieder geval kan ze niet weg, wat ze ook probeert. Ze ontmoet haar lang verdwenen vader en misschien ook wel de Dood – in de persoon van een sinistere vent met honden. In deel drie wordt ze wakker in een ziekenhuis, ze lag in coma, was aangetroffen in de berm met hoofdletsel. Het vierde deel beschrijft, summier, haar ondergang.
Ik gebruikte eerder in deze bespreking het woord ‘helder’ en die indruk wekt deze in economisch gebruikte taal gestelde roman. Maar tegelijkertijd is het de meest duistere, na lezing onheilspellend rondspokende roman van deze sardonische auteur die toch al nooit een lachebekje was. Kort en goed, a-muzisch vertaald, verbeeldt De econome het onafwendbare lot dat ieder mens wacht: de dood. Hij pasticheert daarin Thomas Mann en Visconti tegelijk – Der Tod in Venedig –,
geeft zijn eigen gruwelijke versie van de Meedogenloze Jongen, die niemand anders blijkt te zijn dan IJzeren Hein.
Glansloze wereld
De tragiek is dat Linde, jong als ze is, voortgekomen uit een wereld die onttoverd is verklaard, werkzaam in een milieu waar geld regeert, verwondering en reflectie – dus literatuur – niet bestaan, daar niet bij kan, dat nooit zal kunnen benoemen. Zozeer is ze, als in een geperverteerde want omgekeerd naturalistische roman, een kansloos product van de omstandigheden: de tijd, haar familie, de omgeving. Maar haar intuïtie zegt anders – in die discrepantie schuilt de tragiek.
‘Er stond iets te gebeuren, zo leek het, al wist ze niet wat, want ze kon de tekenen niet lezen, ze wist alleen dat ze er waren.’ Ze kon de tekenen niet lezen – eigenlijk geldt dat voor al Schröders helden of anti-helden.
Ze leven in ‘een glansloze wereld’, het zijn ‘geesten in halfslaap’, op weg naar het einde, zonder enig besef. Het enige wat Linde onderscheidt van de lemmingen rondom haar is dat ze de tekenen niet negeert. Geen gering beeld van de menselijke conditie, dat Schröder roman na roman, maar nimmer zo indringend, literair begenadigd en onvrijblijvend als in De econome aanbiedt – aan the happy few die zijn lezersschare vormt.
Een heilswens: het zou voor de verandering eens mooi zijn als al die leesgrage vrouwen, die in de statistieken zo prominent hun plaats opeisen, puur op De econome afkomen omdat de hoofdpersoon een vrouw is. Zodat ze na lezing weten: zo kan het dus ook. Uit het raam die domhoudende chicklit en hormonale herkenningslectuur! Voor minder dan De econome doen we het voortaan niet meer.
Allard Schröder, ‘De econome’, De Bezige Bij, 192 pagina’s, € 18,90
Categorie
Literaire Blogs
De Contrabas
Perlentaucher
