21.03.2009

Door Carel Peeters

Het is een botte, maar uiterst suggestieve manier om een debat te manipuleren: je bombardeert mensen die helemaal niet tot een groep behoren tot een groep en verwijt ze dan dat ze een groep vormen.

In het voorjaar van 2006, in de tijd dat Altijd weer vogels die nesten bouwen verscheen, Hugo Brems' geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, deed Thomas Vaessens al alsof er zoiets als de 'officiële literatuur' bestond.

Die werd beschermd door een stelletje literaire bobo's die pretendeerden te weten wat literatuur was. Die 'officiële literatuur' moest nodig opengebroken worden middels een nieuwe manier van lezen, door mij toen vertaald als 'zapisme', waarbij de tekst niet meer 'heilig' was. Vaessens schreef toen de onsterfelijke zin: 'Jonge lezers zijn graag zelf de auteur van de tekst die zij lezen.' Ze plakken en knippen tot de tekst van henzelf is.

De 'officiële literatuur' en dat literaire groepje literatuurbeschermers van toen noemt Vaessens nu in een interview in De Groene Amsterdammer van 13 maart 'dat kleine clubje' van 'critici, academici en medeschrijvers' dat angstvallig de literatuur als literatuur beschermt en bang is dat 'de openbare ruimte' bezit neemt van de literatuur.

Dat is namelijk Vaessens' nieuwe gimmick in zijn volgende week te verschijnen boek De revanche van de roman: dat de nieuwste boeken van Joost Zwagerman, Charlotte Mutsaers, Arnon Grunberg, Marjolijn Februari en Robert Vernooy niet meer zoals tien jaar geleden zijn 'ontstegen aan het hier en nu', maar de straat op zijn gegaan, uit de republiek der letteren zijn gebroken, 'de openbare ruimte in!'

De literatuur was naar binnen gericht, maar met hun laatste boeken hebben deze schrijvers zich in het publieke debat gestort, ze zijn zich in hun romans, maar ook in essays en columns met maatschappelijke kwesties bezig gaan houden, ze doen nu aan moraal, politiek en ethiek.

Thomas Vaessens is je reinste conjunctuurridder. Iemand die op het paard van een zelfbedachte tijdgeest springt en triomfantelijk met een vlag gaat zwaaien. Nu hoeven de lezers ineens niet meer postmodern te zappen om bij de tijd te zijn, nu moeten ze, net als de schrijvers, zich compleet storten in het realistische 'engagement'.

De schrijvers moeten zich nu uitspreken over alle denkbare politieke en maatschappelijke kwesties, ze moeten standpunten innemen, krachtige beweringen doen, weg met de 'afstandelijkheid': 'zoek engagement!' Schrijvers, en 'de culturele elite' die zich 'nuffig in zijn eigen wereld terugtrekt', moeten zich ook 'een nieuwe rol aanmeten' en op zoek gaan naar 'een nieuwe achterban'. Ze moeten 'andere types romans' schrijven. Ze moeten uit hun eigen geest springen, helemaal publiek worden. Vaessens noemt het een dogma dat een boek goed geschreven zou moeten zijn.

Vanwege de promotie van deze nieuwste gimmick ziet Vaessens graag over het hoofd dat schrijvers zich door de hele geschiedenis heen druk hebben gemaakt over meer dan hun eigen literaire ziel. Er is niets nieuws onder de zon, maar ook weer wel, want het is altijd moedig om zich vanuit een literaire instelling uit te spreken over grote menselijke kwesties, zoals gebeurd is door Paul Valéry, André Malraux, Heinrich Böll, E. du Perron, Harry Mulisch, Philip Roth, Saul Bellow, Willem Frederik Hermans en Lucebert.

Dit zich uitspreken is een constante, zoals het ook een constante is dat er altijd schrijvers zijn geweest die het beter vonden zich vooral bij hun eigen geest te houden (Flaubert, Proust, Nescio, Dermout, Vestdijk, Hanlo, Hotz, Kessels), op goede gronden, omdat dat beter bij hun habitus als schrijver paste.

Vaessens noemt dat 'Schöngeisterei'. Hij verwijt Doeschka Meijsing dat haar laatste boek over de liefde gaat. Het is alsof je Hermans verwijt dat zijn boek Paranoia over achterdocht gaat. Vaessens heeft niets met literatuur, hij heeft alles met heisa. Hij kan het beste met sandwichborden op het Damrak in Amsterdam gaan lopen. De tekst? Heel eenvoudig: 'Tegen literatuur'.

 

The Literary Saloon