Profiel 03.11.2007

Door Carel Peeters / Bas Heijne

De columns en essays van Bas Heijne in NRC Handelsblad vallen op door de sarcastische scherpzinnigheid waarmee hij Wichtigmachers, opgepompte radicalen en van zichzelf vervulde zondagsdenkers fileert.Toch verdedigt Heijne met verve een middenpositie. Naar aanleiding van het onlangs bij De Bezige Bij verschenen lange essay ‘Onredelijkheid’ schrijft Carel Peeters zijn ‘ideografie’: een portret van Heijne’s ideeën.

Intelligent, genuanceerd en met brille worstelend met verschillende ideeën en standpunten komt Heijne altijd uit bij het glamourloze midden. Hij weet instinctief de weg tussen het postmoderne niks en het fundamentalistische alles. Hij weet die positie intellectuele allure te geven.

Je zou het niet zeggen gezien de animo waarmee hij schrijft, de lust waarmee hij formuleert, de vanzelfsprekendheid waarmee hij het debat aangaat, maar Heijne is altijd bezig zich teweer te stellen tegen de verleidingen van de wezenloosheid, het nihilisme en de zinloosheid van zijn eigen leven en van het leven in het algemeen. In diepste wezen is hij voortdurend een dreigende leegte aan het opvullen. Angst voor het dreigende en verleidelijke zwarte gat stuwt hem voort. Soms geeft hij er aan toe en laat hij zich wiegen door ‘de roes van de wezenloze massacultuur’ in de vorm van een onnozele film, een oppervlakkig televisieprogramma, een romannetje. Of hij stapt uit de wereld door een tijdje te gaan surfen op het internet (‘wie surft, maakt het leven even licht’). Maar hij keert altijd op tijd terug om zich weer stevig te engageren met de werkelijkheid, als de plichtsbewuste Odysseus die zich tegen de verleidingen van de Sirenen laat vastbinden aan de scheepsmast.

Bas Heijne is identiek met het hebben van een mening, een idee, een inzicht. Hij is het vleesgeworden analytisch commen­taar. Maar dat wil niet zeggen dat dit altijd zo is geweest. Het is precies daarom dat Heijne vanaf Heilige monsters, de bundel columns die hij vanaf 1988 in Vrij Nederland schreef, geleidelijk de essayist is geworden aan wie je ziet dat hij leeft met ideeën die voor hem net zo tastbaar zijn als andere dingen in de werkelijkheid.

Heijne (geboren in 1960) begon als estheet in de geest van Oscar Wilde, Lord Byron en Louis Couperus. Hij vond in het begin van de jaren tachtig dat kunst en leven twee verschillende werelden waren. Hij liep als een onaanraakbare paspop door het leven. Hij dacht dat de literatuur vanuit een ivoren toren moest worden geschreven, bang dat hij anders geïnfecteerd zou worden door ‘de actualiteit’ en door vulgaire ‘politiek’. Het kon niet de bedoeling zijn dat lezers zich ‘herkenden’ in wat ze lazen, zo plat mocht het niet zijn. Dat veranderde toen in 1986 de roman
Mystiek lichaam van Frans Kellendonk verscheen. Het boek markeerde de verandering van spel in ernst in de Nederlandse literatuur door ‘grote vragen’ aan te snijden over moederschap, homoseksualiteit, geld, christendom en jodendom. Dat was ineens iets anders, dit was complexe, eigenzinnige, intelligente, niet realistische literatuur en toch in alles betrokken op de werkelijkheid, schrijft Heijne in De werkelijkheid, de bundel essays uit 2004 waarin hij definitief zijn ‘rehabilitatie van de werkelijkheid’ voltrekt. Door Mystiek lichaam raakte Heijne van zijn esthetische ‘smetvrees’ voor de werkelijkheid af.

Drie onbewuste idealen
In zijn recente lange essay Onredelijkheid beschrijft hij hoe hij eind jaren zeventig ook deelde ‘in het blijmoedige humanistische vooruitgangsgeloof’. Dat werd zo algemeen gedeeld dat hij zich er nauwelijks van bewust was. In de geest van de tijd conformeerde hij zich aan de drie ‘onbewuste idealen’ van de jaren zestig en zeventig, zoals dat het hebben van een groepsidentiteit achterhaald was, dat nationale gevoelens bedenkelijk waren en dat het met de godsdiensten voorgoed gedaan was.

Zowel zijn esthetische l’art pour l’art-instelling als zijn aangewaaide blijmoedige humanisme liet hij achter zich. Na Mystiek lichaam moest de kunst ook leven zijn, niet alleen maar kunst om de kunst. De zorgeloze kijk op het leven van zijn jeugd in het slaperige plaatsje Zwanenburg veranderde in een tragisch humanisme, zoals te zien in zijn half mislukte, maar daarom juist interessante roman Suez (1992). De vierenzestigjarige hoofdpersoon Cornelis Zeylmaker is een typisch Heijne-personage, dat hij veel van zijn eigen ideeën laat vertolken: het is iemand die beheerst wordt door een hoog opgevoerde tweeslachtigheid: het subliemste bestaat voor hem niet zonder het banaalste, passie niet zonder verveling, de werkelijkheid niet zonder inbeelding. Waar het ene is, is het andere. Het een krijgt pas allure door het andere: iets krijgt pas intensiteit en noodzaak door het bestaan van het niets.

Het positief krijgt pas diepte en substantie door het negatief: Heijne ging inzien dat er heel wat tegen de mens ingebracht kon worden, dus ook tegen die ‘humanistische rimram’ van de jaren zestig. En ook tegen jezelf. Je moest vragen durven stellen bij je eigen vooronderstellingen. Je moest de balk in je eigen oog willen zien. Onderzoek wat je motieven zijn, vraag je af wat je belangen zijn om dit of dat te vinden: snijd in je eigen vlees, zoals Kellendonks morele eis luidde.
‘Kellendonks mens,’ schrijft Heijne, ‘was tragisch, niet maakbaar.’ Bij Kellendonk had het wantrouwen te maken met zijn angst voor de mens zodra die te veel vrijheid krijgt. Die weet daar niet mee om te gaan, hij weet dan niet meer waar de grenzen zijn. Hij krijgt binnen de kortste keren barbaarse trekken. Kellendonk zag dat bij veel progressieven en bij aanhangers van de maakbare wereld. Voor Kellendonk betekenden twee stappen voorwaarts ook altijd twee stappen achterwaarts.

Barbaarse inborst
Toen ze elkaar ontmoetten, waren Kel­len­donk en Heijne goed bekend met het werk van Joseph Conrad, en speciaal de kleine roman The Heart of Darkness. Dat mensen een potentiële barbaarse inborst hebben, zag Heijne pijnlijk bevestigd in deze roman (door hem ook in het Nederlands vertaald). Daarin blijkt de uit het geciviliseerde Westen afkomstige, en aanvankelijk met verlichte idealen behepte, Mr. Kurtz zich in de binnenlanden van Afrika te hebben ontwikkeld tot een griezelige potentaat die zich overgeeft aan het begaan van rituele moorden. Mr. Kurtz is voor Heijne het symbool geworden van een civilisatie en van een humanisme dat zich geen rekenschap meer geeft van alles wat een mens eigenlijk tot mens maakt. Dit soort mensen weet niet meer hoe slecht ze zijn of kunnen zijn. Ze weten dus evenmin nog hoe er iets aan te doen. Hij kwam tot de conclusie dat ‘de verlichte mens zichzelf niet meer kan vertrouwen. Zijn onderbewustzijn is een afgrond waarin zich monsters ophouden, die zich hullen in de taal van de vooruitgang.’ In een recente column schreef hij: ‘Het humanisme ontspoort zodra het zich geen rekenschap meer wil geven van alles wat een mens eigenlijk tot mens maakt: het dierlijke instinct om te overleven, de schaamteloze neiging om je bij de winnaars aan te sluiten, de geilheid en de wreedheid die het telkens wint van de moraal, de dreiging van de onherroepelijke dood.’ Conrad maakte voor Heijne, in de woorden van John Milton, ‘darkness visible’.

Heijne kwam van alle drie de ‘onbewuste idealen’ uit zijn jongensjaren terug zodra hij zelf na ging denken: je identificeren met een groep en daar een zekere identiteit aan ontlenen, hoefde helemaal niet verwerpelijk te zijn; kosmopolitisme en sympathie voor de Europese eenwording hoefde niet te betekenen dat het nationale gevoel moest verdwijnen. En dat de godsdiensten subiet zouden verdwijnen is niet uitgekomen en ook niet nodig.

Heijnes bewustwording liep opvallend parallel met de algemene reactie op deze vermeende zegeningen van de jaren zestig en zeventig. De reacties op deze idealen waren volgens hem terug te voeren op een en hetzelfde verlangen. Die wilden zeggen dat mensen op een of andere manier een gemeenschap nodig hebben, een ‘bedding’: ‘Alleen door je over te geven aan iets wat groter is dan jij, aan je groep, aan je land, aan je cultuur, aan God, kun je werkelijk jezelf zijn.’ Heijne noemt dit een ‘grote verwarrende omslag’ omdat hij (we) er eigenlijk niet meer op gerekend had dat deze, in vergelijking met de progressieve en verlichte jaren zestig en zeventig, in wezen conservatieve sentimenten ooit nog zouden terugkeren als wenselijke sentimenten.

Rehabilitatie
Bas Heijne is de intelligentste vertolker geworden van de noodzakelijke correctie op de al te verlichte ideeën over de maakbaarheid van de mens en de wereld. Achter de goede bedoelingen van ideologieën en idealismen bleek een totalitair en illusoir streven te zitten. Er was een rehabilitatie nodig van het wantrouwen dat men ten opzichte van de mens moest koesteren (‘Sommige lessen moeten opnieuw worden geleerd’). Dat betekende ook een rehabilitatie van iets dat veel ouder is dan het illusoire van de jaren zestig: de literatuur die sinds jaar en dag de minder mooie eigenschappen van de mens blootlegt, zoals bij Dostojewski, de literatuur die de minder heroïsche kanten van de mens laat zien (afhankelijkheid, eenzaamheid), zoals bij Edith Warton, en de literatuur van schrijvers die het over toeval, het noodlot of ‘onafwendbare machten’ hebben, zoals Louis Couperus.

Heijne rehabiliteert het besef hoe ingewikkeld en weerbarstig de werkelijkheid is en moet zijn om haar recht te doen. De werkelijkheid heeft altijd te maken met de breekbaarheid van de menselijke geest, met de destructieve neigingen in die geest, met de aantrekkelijkheden van het kwaad, en met de sluimerende behoefte om helemaal niets met die werkelijkheid te maken te willen hebben: om te vluchten, vergetelheid te zoeken.

Radicale heethoofden
Door deze niet-vereenvoudigde kijk op de werkelijkheid komt Heijne steeds uit op het gematigde glamourloze midden: daar is alles zo ingewikkeld als het is, en niet versimpeld door radicale heethoofden, niet gereduceerd tot de schrale eenvoud van wat hij in Hollandse toestanden (2005) ‘de querulanten van de Verlichting’ noemt. Sinds 11 september 2001 (New York), 6 mei 2002 (Pim Fortuyn) en 4 november 2004 (Theo van Gogh) is het gedaan met de postmodernische twijfel aan de werkelijkheid en moeten alle existentiële vragen weer opnieuw gesteld en beantwoord worden. Wat is een individu, wat is een samenleving, wat een gemeenschap, wat een identiteit, wat een natie, welke waarden zijn voor iedereen, en welke voor jou alleen? Heijne ergert zich aan de ‘Hollandse zondagsdenkers’ die zich bij het beantwoorden van zulke vragen gewichtig maken door moord en brand te schreeuwen en de natie nog één keer te waarschuwen voor de totale catastrofe.

Opgefokt taalgebruik, doemscenario’s, hoge tonen, dreigen met rellen, voorschot nemen op de ineenstorting: Heijne vermoedt dat menigeen heimelijk verliefd is op het idee dat de clash of cultures zal uitbreken: ‘Dit is het multiculturele melodrama. De larmoyante hoofdrollen worden vertolkt door pathetische idioten en onverbeterlijke Wichtigmachers, die in normale tijden door niemand serieus genomen zouden worden – alleen zijn dit geen normale tijden.’ In dit verband vallen regelmatig de namen van de columnisten Mohammed Benzakour, Sylvain Ephimenco en Leon de Winter, de voorman van de Arabisch-Europese Liga Abou Jahjah, ‘de Leidse kamergeleerde’ Herman Philipse, de universalist Paul Cliteur en de anti-gematigde rechtsgeleerde Afshin Ellian. En op de achtergrond bevindt zich natuurlijk Pim Fortuyn, de man die volgens Heijne heeft gezorgd voor de mateloze overschatting van wat de politiek zou kunnen bewerkstelligen. Dit ‘onaantastbare en huizenhoge geloof in de politiek als zodanig’ ziet hij ook bij Paul Scheffer en Felix Rottenberg. Ook zij denken dat ‘zijnsvragen’ als die over ‘eigenheid en identiteit’ door de politiek opgelost kunnen worden, terwijl ze vooral met cultuur te maken hebben.

Eén constante eis
Door de lichtelijk sarcastische toon waarvoor Heijne in zijn meer polemische columns (zoals in Hollandse toestanden, 2005, en Het verloren land, 2003) kiest, krijgt zijn overtuigde middenpositie een ongewone kleur. Je ziet gematigdheid niet vaak samengaan met sarcasme en polemische brille. Je ziet, zoals bij Heijne, polemiek ook zelden samengaan met zelfkennis en zelfkritiek (het ‘snijden in eigen vlees’). In alles wat hij schrijft, duikt in allerlei gedaanten één constante eis op: dat moet blijken dat de schrijver, de filmer, de kunstenaar worstelt met zijn ideeën, zijn plaats in de werkelijkheid, zijn houding in de tijd, en met zijn materiaal. Heijne zal Flaubert ongetwijfeld een groot schrijver vinden, maar dat die zich helemaal wilde verschuilen achter zijn werk: daar heeft hijzelf afscheid van genomen. Voor Heijne is het essentieel dat we te weten komen uit welke persoonlijke geschiedenis ideeën, standpunten en overtuigingen voortkomen. Vandaar dat hij het in Onredelijkheid over zijn eigen geschiedenis heeft en die in verband brengt met zijn intellectuele en morele ontwikkeling. Hij legt zijn kaarten op tafel, in de verte gesteund door de filosofen en schrijvers die ook vonden dat denkbeelden uit een lichaam van vlees en bloed voortkomen, zoals Schopenhauer, Nietzsche en Menno ter Braak (die de geschiedenis van zijn intelligentie beschreef in Politicus zonder partij).

Dat Heijne van een estheet veranderde in een aanhanger van de werkelijkheid (iemand die de ‘verloren band tussen ons bewustzijn en de buitenwereld’ wil herstellen) betekende dat een heel scala aan waarden en principes opnieuw geijkt en overdacht werd. Heijne ging zijn individualisme relativeren en het belang van een ‘gemeenschap’ herwaarderen. Om aan het vulgaire egoïsme te ontkomen, en om mee te helpen iets van een zinvolle samenhang in de maatschappij terug te brengen, moeten we onszelf iets minder persoonlijk maken. Een gemeenschap en een gemeenschappelijke moraal zorgen voor een beschermende bedding. Voor Rimbaud en Sartre was de Ander de hel, voor Heijne is hij misschien niet de hemel, maar toch zeker een soort broeder die je moet zien te bereiken. Dit opzoeken van het gemeenschappelijke lijkt een antwoord aan Kellendonk, wiens hoofdpersoon in de roman Letter en geest het, tegen zijn verlangen in, niet lukt om contact met anderen te maken. Heijne staat inmiddels verre van het esthetisch solipsisme, hij maakt zich zelfs helemaal afhankelijk van de buitenwereld: ‘Je wordt je van jezelf bewust door je ervaring met de wereld.’

Heijne gelooft niet in een God, maar dat wil niet zeggen dat hij sympathie heeft voor het onbezorgde rationalisme en atheïsme van een bioloog als Richard Dawkins. Ook al heeft hij het zelf niet nodig, voor de benodigde sociale samenhang verzet Heijne zich niet tegen godsdiensten. Hij vindt dat mensen iets transcendents, iets groters dan zichzelf boven zich moeten hebben. Daarin ziet hij ook de rol van de kunst: dat is het vermogen om het goddelijke in de waarneembare wereld te zien. Het conflict tussen Vincent van Gogh (over wie hij een toneelstuk schreef) en Gauguin was dat Gauguin zich van de wereld afkeerde en louter vanuit de verbeelding ging werken, en dat Van Gogh het sacrale in de werkelijkheid wilde zien. Dat is ook wat Heijne nog steeds waardeert in zijn oude liefde Couperus, die van de grote romans, De boeken der kleine zielen en Eline Vere: dat hij ‘de mystiek der zichtbare dingen’ liet zien, en ‘de grote dingen achter de kleine’.

Bas Heijne is een lustig moralist die de wereld zijn diepte terug wil geven zonder de oppervlakte te verwaarlozen. Hij ziet het kleine, en wil daarachter het grote zien. De wereld en de geschiedenis liggen voor hem niet conservatief vast, maar ze bewegen en de ideeën die je er aan ontleent, zijn natuurlijk solide, maar wel voorlopig. Heijne geeft het humanisme zijn tragiek terug door de monsterlijke en afgrondelijke kanten van de mens niet te ontkennen. Door zijn enigszins sarcastische scherpzinnigheid verleent hij de glamourloze gematigdheid allure. En het worstelen maakt hij tot een exquise sport.



The Literary Saloon