VN MediagidsWat mogen we hopen? Erik Borgman antwoordt.
filosofie 05.04.2008
Erik Borgman (1957) is hoogleraar ‘theologie van de religie, in het bijzonder het christendom’ aan de Universiteit van Tilburg. Hij publiceerde recent ‘Metamorfosen; Over religie en moderne cultuur’ en ‘Want de plaats waarop je staat is heilige grond; God als onderzoeksprogramma’.
'Wat mogen we hopen? Dát we mogen hopen! Sinds de Verlichting is de gebruikelijke vraag geworden: "Is hoop wel rationeel?" En het gebruikelijke antwoord is: "Nee, maar zonder kunnen we niet." Hoop is een illusie, maar om te leven, hebben we deze illusie nodig. Zo wordt Immanuel Kant, die de vraag wat we mogen hopen voor het eerst in alle scherpte stelde, ook vaak geïnterpreteerd. Theoretisch laat de hoop zich niet rechtvaardigen, maar om praktisch te kunnen leven, hebben we de overtuiging nodig dat het leven ergens toe dient.
Deze praktische noodzaak is in mijn ogen wel degelijk een vorm van rationaliteit. Zo lees ik Kant ook. Want uiteindelijk is rationaliteit zelf afhankelijk van hoop, namelijk de hoop dat door rationeel te denken inzicht wordt opgedaan. We kennen de waarheid niet, maar de inspanningen van de wetenschap om onze kennis te vergroten, zal ons wel dichter bij die waarheid brengen. Zou dat niet zo zijn, dan verliest wetenschap zijn zin. Het leven kan al zinvol worden ervaren als het ergens op gericht is. Als er geen hoop is, op inzicht in de waarheid of de mogelijkheid tot goedheid, dan is verlangen ernaar zinloos. Het is dus rationeel om te hopen, omdat rationaliteit zelf alleen bestaat in een kader van hoop.
Je hoopt echter niet omdat het moet. We leren van elkaar te leven en hoe met elkaar om te gaan. Levend in het spoor van iemand anders kun je je eigen verlangen naar geluk als zinvol ervaren, omdat het hopen zelf een soort vervulling blijkt te zijn. Wie werkelijk hoopt op geluk, die heeft dat geluk in zekere zin ook, zij het als perspectief. In religie staat deze perspectief gevende levenswijze in het spoor van een ander centraal: van voorouders, van Mohammed, van Jezus.
In onze samenleving is gebrek aan hoop. Praten we over integratie, dan zeggen we vooral wat mensen moeten kunnen, zijn en geloven om erbij te mogen horen. Hetzelfde zeggen we tegen onze kinderen als we ze op school "burgerschap" proberen bij te brengen. Alsof alles is gerealiseerd en goed leven alleen mogelijk is binnen de gegeven kaders. Zouden we goed leven weer als "verhoopt" doel kunnen zien, dan kunnen we de eigen inbreng van nieuwkomers door geboorte en van nieuwkomers door immigratie weer beschouwen als van levensbelang. Dan kan hun duidelijk worden dat ze van belang zijn, dat hun inbreng verwacht wordt en op hun inbreng gehoopt wordt.
We kunnen best zonder religie, zolang de hoop die in religie centraal staat elders leeft: in maatschappelijke idealen, in visioenen van goed leven, in verlangen om er voor anderen toe te doen. Als het zicht op deze hoop - op deze idealen, visioenen en verlangens - verloren dreigt te gaan, is een nieuwe bezinning op religie van groot belang. Niet om weer te leren hopen, want dat kunnen we toch niet laten. Maar om opnieuw te ontdekken dat we mogen hopen en dat visioenen, idealen en verlangens geen illusies zijn. Ze zijn de grondstof van de samenleving en de basis van haar samenhang.'
